Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe
verkeerd het was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te
zien, als in een bizondere sfeer. Zij was een meisje als alle anderen,
had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen van vleesch en bloed, heelemaal
menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. En eens zou ze ook
doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met hem
trouwen en kinderen krijgen.
Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor
hèm was Ellie wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich
heen zag, en veel te teeder, in een veel te reine sfeer, om te doen de
voor hem grove, harde dingen die des levens zijn.
Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste
jongensdroomen het droomden, met altijd iets van de engel in zich, die
is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten en te zegenen, en wier
wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles van haar:
een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van
haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel
gevoelig is alles aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en
ontwijd het niet met ruwe handen, want het is heilig tot in
eeuwigheid....
En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij
hem, was hij in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist
het, dat het ongezond was, dat het was uit den tijd, dat het was niet
modern, en romantiek, maar hij kon er niets aan doen. De grond van
zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding van een
onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om,
en ver boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van
wezen ongenaakbaar en hoog-heilig, die zich in haar openbaarde.
En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid
overtogen. Wat werd een bloem anders als zij in de handen was geweest
van een lieve vrouw! Wat klonken heel gewone woorden anders uit den
mond van een lief meisje! Wat was er iets héél bizonders gekomen aan
een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een vrouw
waren gedragen!
Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden,
die Pim altijd van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem
kuisch had doen blijven. Een ruw woord, een ongracieus gebaar van een
vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. En hij die heelemaal
van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn vrienden
zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil
hielden, omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls
in al zijn hevigheid kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij
ook nog altijd met de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen
van roovers en draken bevrijdden, en met onmenschelijk nobele en
edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden als Corrèze uit
„Moths” en Bertie Cecil uit „Under two Flags.”
Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij
bang. Hij voelde intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was,
dat hij, klein mannetje, met zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op
kon, en er op den duur in onder zou gaan.
Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te
durven en het leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel
anders dan hij droomde. Maar hij had niet gedurfd. Hij was maar stil en
veilig verscholen gebleven in zijne vereering voor Ellie en voor het
lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen en
muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar
teeder en fluweelig was om áán te voelen.
En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe
Ellie ineens was veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die
zenuwachtigheid, die het angeliek kalme van haar kind-gezicht
verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat hij niet kende,
en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor
hem, wat in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar
een andere Ellie had geopenbaard, dat verre, mysterieuze wezen in haar,
dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, en waarvoor hij al ééns was
bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken over
verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet
verwant was, keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen,
ongekenden glans hadden, als zij sprak over Maurice, of als zij met hem
samen was.—Het deed hem aan, met een zacht medelijden, en tegelijk een
vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, die haar
rustige schoonheid zou verwoesten.
Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende,
vèr buiten de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar
verbond? Was het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die
kalmte en engelachtige rust van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad,
en had er achter dat blank-maagdelijke, lelieë-sneeuwen van haar
meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat nú wel eens
blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was,
zag gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste?
En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die bijna alles van de
tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie naar
Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere
liefde, dat het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte
lelie-weiden van haar maagdelijke ziel, maar plotseling was
uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch zij zelve in
haar vermoedden.
Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele
natuur zoo bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een
blijvend deel van haar beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan
toch voor geheimzinnigs in haar kunnen gebeuren, dat zij inééns, in een
paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige meisjesleventje
aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig
wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene
pretje naar het andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders
dan dien éénen kant was blijven neigen, waar zijn vroeger haar geheel
vreemde leven was?
Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje
opeens in dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig
wiekjesgeklep, en waar zij straks jammerlijk in zou vergaan?
Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met zulke zwarte oogen, zulke
dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe stem, zoo
heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een
groote, donkere, dreigende schaduw....
En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo
fijn en blank gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe
onschuld-oogen, en het klare sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje
zoo teer!....
Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere,
het blanke met het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het
sombere van den duisteren nacht....
Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt
worden als zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij
angstig, o! droeviglijk zal zij gehavend worden in het harde, groote
Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid en vrede, als een arm
vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur....
Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige
boudoir-middagjes werden niet meer gehouden, want meestal kwam Ellie
pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. Ook wandelde hij weinig
meer met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet
als derde wilde opdringen.
Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs
terugkwam, was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder
schokken. Hij wist zich nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij
wist dat het geluk was voor de sterken en grooten. Hij voelde, wat
Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. En de
hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig
mannetje, met zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie
gelukkig was? En als Mombreuil haar geluk was, dan zou hij hem
respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten vriend.
Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie
maar gelukkig bleef.
Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij
was het éénige liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo
klein en eenzaam voelde.
Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar
boudoir en ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog
iets van haar bij hem was. Er was iets van haar teêre ziel in al die
broze, fijne, zachte meisjesdingen om hem heen. Jim, zijn terrier, liep
onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek nu en dan vragend naar
hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken van het
hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen
kreeg.
Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden,
met een gevoel van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij
haar behoorde, en hij niets meer in haar huis te maken had.
Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor
niets was.
En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk
weer eens één vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met
haar samenzijn....
Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam.
Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in
Helène Swarth’s gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat
aan zijne voeten.
Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen
neêrgedaald. De hooge boomen aan den overkant van de Koninginnegracht,
over het weiland, gloeiden al van donker stervensgoud, en er was ik
weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende door die stille boomen,
die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De koeien in de
weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het
gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren,
in treurig langzamen val.
Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld
van mooi dat gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om
nooit weer terug te komen. Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi
verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de natuur, en het was of
hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit de
zomer heen ging sterven.
Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat
een troost ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem
genegen!
Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel
niet blij.
„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te
wachten, al kom ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn
hart eens aan je te luchten.”
Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en
kwam vlak naast zijn fauteuil zitten op een pouf.
„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den
herfst, die al in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar
ik voel me niets prettig vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim,
en nu heb ik behoefte om bij je te zijn en met je te praten. Je kent me
zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.”
„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat
is toch niet alleen....”
„—Dat is het juist, Pim.... dat is het vreeselijke voor me, ik voel me
bij hem wel eens alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook
van me, dat weet ik wel. Maar soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar
ik voél het—is het of ik heel alleen ben als ik tegen hem praat, of hij
niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het is zoo
vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een
vreemde is.... En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer
zonder hem.... maar.... soms is het of hij het toch niet is, of hij
niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.... Zoo vreemd, Pim, zoo
vreemd.... En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. Ik
ben altijd onrustig als hij er niet is.... Pim, het is net of ik de
oude Ellie niet meer ben....” En ineens, als een vogeltje dat bang en
heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder.
Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo
heelemaal een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen,
niet begrijpend, en hulpeloos.
„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.... niet huilen.... een
flinke meid zijn, hoor, en niet zoo toegeven.... Kom jij maar bij je
ouden, trouwen Pim, hoor, die je wel zal helpen.... en vertel me nu
maar eens alles, maar kalm hoor....”
En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze
eindelijk, eindelijk weer bij haar broer troost zocht, als vroeger.
„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet
heelemaal.... ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in
den laatsten tijd pas gekomen.... Maar ik ben zoo onrustig.... Als hij
er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat verlangen.... Het is of
er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd maar
vooruit, naar hém toe.... Soms hoor ik mijn hart bonzen.... En tóch ben
ik bang voor hem, echt bang.... Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn
zware, zwarte wenkbrauwen, en zijn zwarte knevel.... Als hij zijn arm
om me heen slaat, en mij zoent, dan beef ik, Pim.... en toch ben ik
blij ook, en vind ik het prettig.... Als hij weg is, voel ik of hij
iets van mij meegenomen heeft.... Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij
heeft iets van me weggenomen.... En.... het is zoo moeielijk om te
zeggen, zoo héél vreemd... tegelijk is het, of er iets van hém in mij
is gekomen.... iets, wat er vroeger niet was, Pim, iets heel vreemds in
me, dat niet meer weg wil.... en me zoo onrustig maakt.... en van
mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.... ik ben de
oude Ellie niet meer.... er is iets wèg in me, iets weg.... en daarom
heb ik nu geen rust meer, en voel ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet
meer als anders....”
Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar
troostend op haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr.
„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan?
Zooals met jou. Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal
alles vertellen, zoo als echte kameraden samen óp deelen alles, zoo kan
ik maar niet met hem zijn. Het is altijd onrustig, en ik ben altijd een
beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft nog nooit iets
gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me
alles zegt wat hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet.
Hij is ook eigenlijk veel te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom
meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? Want al zeggen ze dat ik er
wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat weet ik wel....
Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.... wáárom houd ik toch eigenlijk
van hem? wáárom?.... soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of
er nog een ándere Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op
hem is, dol.... maar of de oude Ellie van vroeger doodgaat, heel
langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, of hij die heeft
doodgemaakt eigenlijk.... en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal niet
verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt
van haar oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme
dingetjes, die houdt alleen van pa, en van jou, goeie, beste Pim,....
maar dan komt die andere, en die heeft geen rust meer, die wil ál maar
vooruit, naar hém toe, naar hém.... en daar ben ik zoo moê van, Pim, en
ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor....”
Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar
hoofdje schokte zenuwachtig op zijn schouder.
Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. Hij voelde, dat
troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, als
ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan,
dacht hij. Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie
zoo heftig beroerde.
Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven
moet, zoodra een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en
vrede. De ziel van het Meisje schreide in haar uit, die ziel van niets
dan teederheid en lichten droom, die bang was voor het groote Leven
buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, waarin zij
branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van
moeder-zijn, waartoe zij is gewijd.
En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige
vlindernatuurtje wel sterk genoeg was voor het groote vuur, of het niet
véél te teer en te ijl was en of zij niet angstig, met droef gehavende
wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking met iets dat harder
was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven....
Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen
hem aanleunde, en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht.
Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat
zachte tapijt, die porseleinen vaasjes en pullen, al die satijnen
strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige bloemen, hoe
behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar
verschijning. Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n
voorzichtig, als een exquis „objet d’art” opgekweekt dame-meisje toch
voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, en waar ze opééns,
genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk!
Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door:
„Het kán niet meer Pim.... maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat
hij me dit heeft aangedaan.... soms wou ik dat ik maar weer het oude
vlindertje was, dat in alles zoo’n pret had en toch altijd rustig was,
zonder dat angstige voortjagen van binnen.... zou dat altijd zoo
blijven?.... En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.... de
blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor
onze voeten.... die waren dood.... vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu
dacht ik er ineens om, hoe nu die heele, mooie zomer doodging, waar ik
mijn nieuw geluk in heb gekregen.... en toen was het ineens of er iets
wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer terug zou
komen.... Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes....
het had altijd zoo moeten blijven....”
Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en
probeerde zich weer goed te houden.
„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad... die wordt
nu verwaarloosd voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons
vroolijke leventje is gekomen... En Jimmy, arme lieveling, die wacht op
zijn koekje... gauw hoor, hier is het karafje, ziezoo.... en nu de
glaasjes.... alstjeblieft meneer.... wees maar niet boos dat je dwaze,
verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje
zenuwachtig.... Maar ze meent het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal
altijd Pim blijven, en als ik eens lekker wil uithuilen mag ik toch
altijd weer bij je komen, hè?....”
Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of
hij toch eigenlijk niets verloren had, of het beste en innigste van
Ellie toch nog altijd van hém was gebleven, en er iets in haar voor hém
was, dat haar man misschien nooit krijgen zou.
Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van
het reinste in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en
moeder, en dat niemand hem ooit af kon nemen....
„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim
blijven, aan mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net
als vroeger.”
„—Heusch, Pim, heusch altijd?”
„—Altijd, Ellie, geloof me.”
„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn... want ik ben weleens bang,
zei ik je daarnet al... ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet
ik niet. En ik kán nu eenmaal niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik
ben er nu eenmaal niet voor gemaakt... Ik ben immers het Vlindertje
maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het
Vlindertje....”