Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving
van Ellie van Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het
eene verrassing. „Het Vlindertje” geëngageerd, wie had dat ooit
gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh!
Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t
Kurhaus, en werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen.
Er was dan ook iets bizonder romantisch in, hen zoo gearmd te zien
loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met die rechte, militaire
houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten knevel,
en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke
zachtheid, met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte
viooltjes, en het glanzend goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in
het zich toeneigen van het teedere, zachte en lichte van kind-meisje
naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand hen zoo
samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar
neêrziend, zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde
hij, hoe gemakkelijk het hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen
te breken, als een ranke bloem, met één hardheid te knakken voor
goed....
In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel
menschen waren, om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de
menschen moesten zien, hoe zij was uitverkoren, en hoe die groote,
mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje als ze was, uit
allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede
men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van
vrienden en kennissen.
Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met
hem alleen te zijn.
Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch.
Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er
hoe langer hoe meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich
langzamerhand meer verwant gevoeld aan de natuur, sedert de liefde in
haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die aan den hemel
voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en
keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die
zij nooit had gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch
voelde zij zich nu véél meer thuis dan vroeger aan het strand, in al
die drukte van menschen, of in het Kurhaus.
Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem
samen in dat groote, groote Bosch. De zomer begon al zacht te
verdroomen in den herfst, en de laatste, lage zonnestralen maakten de
boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een nieuw, heerlijk
land, waar zijn hand haar voortleidde door een droom van geluk, die
altijd zou duren.
„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,”
had ze eens tegen hem gezegd.
Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust.
Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en
hoffelijk als een ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het
heel voorzichtig, zonder hartstocht, als was hij bang, haar te
verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk gebabbel, en
als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn
eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh.
Dan werd ze dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde,
waarin hij gestaan had, en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te
voelen dat hij er heusch nog was.
Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten
eerbied voor haar gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren
kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige ontmoetingen. En naarmate
die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid grooter
worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had
verzocht, om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte er pas goed
de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe
weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven.
Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend,
en wat hij van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de
vrouwen uit zijn studententijd hem konden geven, en wat hij nu pas weêr
met Joh had doorgemaakt.
Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie
woonde, dat te rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven
aanraken, en waar hij vèr van behoorde te blijven, als hij geen misdaad
wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, maar er wás iets aan Ellie,
en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende liefde voor hem,
dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol met
haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid,
wetend, al wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was
zooals ’t behoorde, en hem iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en
dat hij niet mocht aannemen, als hij een eerlijk man was.
Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan;
zijn aanleg en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner
emoties vatbaar gemaakt dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu eenmaal
niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut
niet wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij
doen ging door zich met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker
voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie in haar leefde, dat hij niet
waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op te wellen, dat
langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder
bewustzijn.
Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit
meisje hem in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij
was, en wie hij geweest was. Hij wist dat hij door veel te veel dingen
was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke Liefde te kunnen voelen,
die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig voor zijn
begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte,
hij eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen
gezien had, dat hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als
toen met de anderen, zijn groote, ruwe handen zou slaan om haar teêr,
maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen met dezelfde kussen,
die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. En hij
voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een
misdaad zou zijn.
Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat
hij enkel maar vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten
zijn sfeer, daar was hij toch geen man meer voor, dát wist hij zeker.
Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij te veel meêgemaakt.
Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig
naar haar verlangde, naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat
hij het toch op den duur niet zou uithouden, die onthouding, die hij
zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had zich goedgehouden, en
zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij toch
bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou
het dan voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest
kussen, na een nacht van wilden hartstocht met eene andere?
Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in
hem liefhad, was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en
met al de dingen van zijn verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens
voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet liefhebben. En hij begon
zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, en
die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast
haar zonder iets te zeggen, met het groote berouw opwellend in zijn
hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar eerlijk alles
te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal
Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het
engagement verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die
mooie reine liefde, die Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en
grooter zag worden. Als hij haar een arm gaf, deed hij het licht en
voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor hem was, en
als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat
zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild
beest, en bang, haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine
lippen. En ook in hém trilde een bevende ongerustheid, een onbestemde
vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar dit heen zou moeten op
den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als geluk, van
een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die
groote teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld.
Voor ’t eerst in zijn leven vermoedde hij het heilig mysterie van het
Meisje en voelde hij met een vaag berouw, dat hij in zijn wilde leven
van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk was van wezen.
Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar
reinen invloed werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was
juist het bewustzijn in hem gekomen, dat hij niet mocht aannemen, waar
hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde hem elken dag met
grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf te
redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven.
Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid
en zwijgen aan voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor,
dat hij zoo heel voorzichtig met haar deed, want, al verlangde zij er
heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd wat bang, als hij dicht
bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen op haar
zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een
gloeiing, bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch
verschrikkelijk, en zij had kunnen lachen van geluk en tegelijk weenen
van verdriet er over. Er was iets in haar, dat met onweerstaanbaren
aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, en
wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en
huiverend wegkroop als het den gloed voelde van zijn schitterende,
donkere oogen.
Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er
in beiden een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar
verborgen, hij bang voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard
was, en angstig dat hij ooit voor haar zou durven voelen als voor
andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem te zijn, om meer
kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn
handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets,
wat heel teêr en broos was, in haar zou breken.
En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille
bosch, bladeren vielen ritselend in langzamen val, en overal was de
vage en vreemde weemoed van het mooie, dat de verre nadering voelt van
den dood.....