Je liefhebbende zusje

Ellie.

Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de

letters, en wist wel de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog

niet heelemaal in hem doordringen. Nog eens goed overlezen.... Nu nog

eens... hárd op, heel duidelijk....

Maar dat kan toch niet.... welneen, verbééld je nu eens, dat is toch

immers onmogelijk.... het is te dol.... Ellie geëngageerd.... Ellie,

zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, zijn fijne, broze,

blanke vlindertje.... geëngageerd.... trouwen.... trouwen met een

man.... hoor je, met een man.... met een man trouwen.... met een

man.... een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich

alleen, héél haar leliewitte, mysterieus reine maagde-lijfje.... een

mán....

En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit

de innigste, heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was,

stuipte het in hem op, en uitte zich in een hoogen gil van angst en

vreugde:

Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.... want zij is van mij, van mij,

en niemand anders.... ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel

die groote, groote wereld.... en zonder haar is er niets meer....

En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de

stem van een ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde,

verschrikkelijke tijding:

„Maar ik heb haar zelf lief!.... Ik heb haar lief, mijn God!....”

En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde

nieuws, dat uit die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo

plotseling omhoog was gerezen, hel en onverwacht, als een opgebliksemde

vuurpijl in den nacht.

Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten

hebben, als daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was

gekomen, en gegrepen had naar het allerlichtste en liefste van zijn

ziel.

Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo

van-zelf-sprekend, zoo altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er

het eindelooze en zéér bizondere geluk niet eens geheel van beseft had.

Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk met zijn gansche

leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die zich

zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel

als de lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne

oogen, dat hij opnam, zonder te weten, van-zelve, in de onbewustheid

van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, dat zij ooit uit zijn

leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen zijn,

en het daglicht niet meer zien.

Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd

zijn, en geëngageerd raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het

zelf te gelooven, en nooit er ernstig over denkende, dat het nog eens

werkelijk zou kunnen gebeuren.

En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend

voor zijn verbaasde oogen. Hier stond het, in sombere, zwarte letters,

door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare realiteit,

plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven.

En hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in

zijn ziel:

„Ze gaat van je weg.... Ellie gaat van je weg, naar een ánder....”

Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart.

„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van

mij geweest. Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke,

gouden, blonde haar, en haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine

kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar ze zijn toch van mij, van mij

alléén.... ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er toch altijd meê

geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel....

hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.... het is

toch een deel van mijn eigen wézen.... neen, het kán niet, het kán

niet.... dat gáát toch maar zoo niet....”

En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing

over de allergewichtigste ontdekking, die nú eerst geopenbaard:

„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.... maar dan is ze ook

niet alleen maar mijn zuster geweest.... en dat kon ook niet.... want

als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook in ’t gehéél geen

zuster van me.... ze had een ánderen vader, een andere moeder.... o

God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik

haar lief, heb ik haar lief, heb ik haar lief!....”

Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren

angst, dat hij haar verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde,

toen hij opeens den rijkdom zag van zijn ziel.

Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te

weten? Had hij dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor

Ellie met zich rondgedragen als een kostbaren schat, dien niemand, ook

hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan rijk geweest, wat was hij dan

vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot en volheerlijk

van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls

klein en nietig dacht!....

Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van

zijn ziel, toch had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht,

waarvan hij zooveel in boeken las, toch had hij nooit gebeefd en zijn

hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds kuste, en had hij nooit

de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.... En in het even denken

hieraan voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet

met een profane gedachte.

Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het

láátst?

Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een

vrouw te voelen, was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den

fellen gloed, waarin passie uitslaat, en was zijn ziel te schuchter en

te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht is?

Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was

opgebloeid uit louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide

aan hare voeten, van kuische witte bloemen, waar géén winde-adem zucht?

Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle aanbidding het opwellen

van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt?

Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets

anders voor Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme

vriendschap.

Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig

man, en het denkbeeld flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon

begeeren en de zware handen leggen op haar lief, blank lijf van meisje,

nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn hoofd, en een

felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden.

Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren

gezien had, hij dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen

half-open, als vragend om een kus, en alles van haar, de vage welving

van haar borst, het blanke, zachte vleesch van haar hals, het lichtte

opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht.

„Maar dat is van mij, van mij,... van mij,” riep hij angstig in de

stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in hem op, de tranen

stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als van

koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen

sluimer eindelijk gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een

duizeling van al zijn bloed het groot menschen-verlangen in hem

opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles om hem

heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge

armen uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het

liefelijk, eindelijk begeerlijk geworden beeld te omvatten van zijn

Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem was geopenbaard....

Vlindertje: een Haagsche roman · 第 15 / 21 题