HOOFDSTUK XIV.

Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den

laatsten avondtrein, vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe

kende hij de kleine, roze envelopjes, waar haar lievelingsparfum hem

uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van Violettes de Parme!

Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor

morgen.

Beste Pim!

Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het

publiek te maken. Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult

het niet kunnen gelooven. Hij, de held van Atjeh, de groote, sterke

held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En toch is het heusch

waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig zijn

met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15en, is er een klein

dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom

je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent?

Vlindertje: een Haagsche roman · 第 14 / 21 题