HOOFDSTUK X.

Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen

Wies haar boudoir binnenstoof.

„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om

elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal

veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en

breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de

mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....”

Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of

ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een

paar maal van vreugde door de kamer.

„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten,

dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk

tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar

van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als

een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al

gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling

staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu

mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief,

hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met

hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem

een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze

kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het

ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier

moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie

maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen

we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom

vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan

laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die

moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van

je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je

raar, je vindt het toch wel goed?.....”

„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de

puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere

broer, zoo’n held....”

Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge

aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote,

mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had

ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu

hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks

plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té

overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een

onbestemd gevaar.

En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe

meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een

vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar

zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er

was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere

man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij

voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de

zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou

onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt

voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.....

Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet

verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en

hartelijk had voorbereid.

Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder

stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n

beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.

„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist

bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben

begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog

een week of vier blijven.”

„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies.

„Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de

grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè,

Pim of Maurice!”

Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar

intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in

een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in

stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd

al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim

er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets

gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch

kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat

haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen,

van zoo héél verre, uit den droom....

Daar werd gescheld.

„Zou hij het al zijn?” riep Wies.

En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie.

En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt

altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”

Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van

Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had

gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma

Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw

hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus,

en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de

volgende Clingendaalraces.

Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice,

die ieder oogenblik kon komen.

Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op,

alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns

tegen Wies:

„Daar is hij!”

Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur,

en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de

trap op, en nader, en naderbij....

De deur ging open.

En daar stond hij.

Groot, donker, en zwaar.

Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte,

luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.

Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart

in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.

Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag

zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn

donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere,

magnetische sterren, die haar tégenstraalden.

En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water,

en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof

wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in

den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens

drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar

maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar...

Vlindertje: een Haagsche roman · 第 10 / 21 题