Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen
Wies haar boudoir binnenstoof.
„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om
elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal
veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en
breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de
mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....”
Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of
ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een
paar maal van vreugde door de kamer.
„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten,
dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk
tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar
van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als
een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al
gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling
staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu
mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief,
hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met
hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem
een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze
kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het
ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier
moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie
maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen
we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom
vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan
laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die
moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van
je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je
raar, je vindt het toch wel goed?.....”
„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de
puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere
broer, zoo’n held....”
Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge
aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote,
mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had
ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu
hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks
plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té
overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een
onbestemd gevaar.
En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe
meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een
vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar
zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er
was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere
man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij
voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de
zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou
onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt
voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.....
Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet
verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en
hartelijk had voorbereid.
Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder
stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n
beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.
„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist
bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben
begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog
een week of vier blijven.”
„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies.
„Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de
grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè,
Pim of Maurice!”
Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar
intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in
een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in
stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd
al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim
er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets
gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch
kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat
haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen,
van zoo héél verre, uit den droom....
Daar werd gescheld.
„Zou hij het al zijn?” riep Wies.
En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie.
En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt
altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”
Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van
Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had
gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma
Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw
hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus,
en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de
volgende Clingendaalraces.
Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice,
die ieder oogenblik kon komen.
Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op,
alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns
tegen Wies:
„Daar is hij!”
Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur,
en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de
trap op, en nader, en naderbij....
De deur ging open.
En daar stond hij.
Groot, donker, en zwaar.
Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte,
luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.
Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart
in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.
Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag
zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn
donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere,
magnetische sterren, die haar tégenstraalden.
En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water,
en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof
wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in
den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens
drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar
maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar...