Dien verderen avond bleef Pim bij Frederik theedrinken. Hij bladerde
wat in de nieuwe boeken, die bij hem op de schrijftafel lagen, keek
hier en daar een bladzijde in, las even een klein gedicht. Hij had in
den laatsten tijd weinig gelezen. Al die mooie dingen, waarvan hij las,
maakten hem toch altijd droef. Hij voelde ze zoo onvereenigbaar met het
leven dat hij leidde, in zijn mondain Haagsch milieutje. Hij wist, dat
al dat mooie toch te groot voor hem was en dat, als hij er zich
heelemaal aan overgaf, er een revolutie in zijn leven van nu moest
komen, die het voor goed zou doen uiteenvallen.
Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging
te beseffen, dat het leger eer het onrecht dan het recht moest
beschermen, en dat het militairisme de ontwikkeling van den
waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak en te
lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk
zou veranderen.
Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het
verboden mooi, als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet
zich door hem vertellen van de groote beweging, die op handen was, van
de ontzachelijke wereld-dingen, die te gebeuren stonden, en waardoor de
oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin híj thuis hoorde,
door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd
gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van
Willem Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde
ontroering, of er in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een
ongekend licht van groote goedheid was opgeschenen. Als een kind zat
hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, die nog zoo heelemaal
vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien sterken,
energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger
eens zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en
eenzaam-trotsch boven conventie en traditie stond, levende zooals híj
goed vond, vreezeloos en wèl-bewust.
Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag
hij onrustig te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had
hoofdpijn en voelde een angstige, zware beklemming. Eindelijk viel hij
in een doffen slaap.
Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de
oude van vroeger. Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij
maakte een rit door het Bosch.
Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had.
Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde,
voelde hij zich weer de echte officier, die dienst heeft. Hij hield
even een praatje, met van den Bergh en Waalen, en reed toen naar zijn
manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht en zonneschijn en
vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s
„toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze
beneden zou komen, vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even
kwam ze voor de deur, zijn paard streelend langs den fijnen kop.
Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat
vroolijke, weldadige lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver
geluk in zoo’n lief wezentje, dat in een licht japonnetje daar ineens
voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! Waar was nu het donker
van gisteren, en al de duistere gedachten?...
„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit
déjeuneeren, en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen
pas terug... en Wies is waarachtig ook al niet thuis. Nu zit ik me heel
alleen te vervelen.... Zeg, als we nu eens naar Scheveningen gingen
lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.... ze hebben daar zulke
lekkere plats du jour.... Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of
kan je weer niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo
iets....”
Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend
idee. Liet ze maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard
even terug naar de kazerne, en liet zich wat afstoffen. En voort
galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, en gerinkel van zijn
sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, kleine
officiertje op het groote, zwarte paard.
Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar
Scheveningen, een keurig, Haagsch paartje, hij in zijn nette
huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, zij een exquis
dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht
en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder
materie, van louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram
dachten dat zij verloofden waren, zoo intiem babbelden zij samen, en
lachten wat tegen elkander over het elegante, Haagsche paartje.
Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was
roerloos-rustig, van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van
een zacht-transparant parelmoer, in liefdevolle mengeling van
harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend lagen de blonde
duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en
vreugde-om-te-leven. Menschen in lichte pakken wandelden vroolijk heen
en weer, en helder lachen van kinderen klonk in de lucht.
Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan
een plaatsje zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten
wèlgekleede, vroolijk-kijkende menschen aan tafeltjes gezellig te eten,
en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár was een goed plaatsje, net
een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, wat er alzoo
was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al
goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een
fleschje Haut-Sauternes, met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet
knus?
Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was
nu net iets voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En
dat typische ronde middenzaaltje. Hoe leuk vond ze in ’t midden dien
bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes er boven. En
wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout!
Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél
vroolijk geluid van stemmen om zich heen.
Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie,
groenrieten stoeltjes. En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half
drie werd het tijd om even naar het strand te gaan, in het tentje. Er
waren een boel kennissen. Wies kwam met Jo van Herencate, bij wie ze
geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje van Westen. En wat
was het vol! Alle badstoelen waren bezet.
Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met
al de kennissen, en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in
vroolijke, lichte pakken, en het zonlicht blonk zoo heerlijk over de
stille, parele zee, en alles glansde van geluk in de algemeene
vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij
ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het
leven wàs niet leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het
was een droeve, booze droom geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd
had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. Hij wilde niets weten, hij
wilde niet, niet weten meer en niet denken!
O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele
zeelucht rondom! Het was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en
niet te weten. En hij was nog zoo jong, hij was blij met het leven, en
het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, genieten van al het
blijde en lichte rondom....
Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn
kamer om zich te verkleeden. Hij dronk zijn glaasje port in haar
boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. En na het eten
chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus.
Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had
een japon van mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant,
op den rug, op den rok en op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje
uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden kraag! Het corsage was
hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, en
daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem
op den rechten stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen,
naar beneden toe verwijdend, gracieus van lijn als de klok van een
campanula.
En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop
een witte aigrette soms even veerend trilde!
Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij
mede, omdat hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren
boa dragen, héél voorzichtig, dat er niets aan al die als
materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte hadden, en zóó
zouden wegwaaien in den wind.
Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden een prachtig
programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en
gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit
de D-dur Suite van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als
stemmen van lichte engelen droomend boven de menschenscharen, en hier
en daar bewoog een licht meisjeshoofd, onbewust medewiegend op den adem
van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte zweving van
tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen
in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door
dien droom voelde hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage
essence van Violettes de Parme, die zij altijd bij zich droeg, subtiel
of het de geur was van haar maagdelijke ziel van meisje....
In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar
wilde. Ze wou absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup
probeeren. En ze won, haar bal bleef liggen in het vakje van haar
kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En ze schaterde het
uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar de
leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus
daar binnenkomen, heel stil, want je moogt er niet praten, met je
voeten zacht over het dikke rood-bruine kleed. En dan even aan de
eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, met den
wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten
lezen, in den schijn van dat uitstralende licht....
Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die
Donauwellen, bijna onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch
wilde Ellie niet zelf dansen, want er waren te veel menschen. Daarvoor
moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo na de pauze, als ze een
erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. Dan
zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een
wals vragen, dát is je ware....
Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras.
En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer,
waarmede hij den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het
leek alles zoo vertrouwd en reëel om hem heen! Het was zoo echt de
omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin hij nu eenmaal behoorde,
en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde der dingen,
en onvermijdelijk.