Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van
den Haag geweest. Tien jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter
was, studeerde Louise’s groote broer te Leiden in de rechten. Hij was
toen een van de meest getapte studenten, lid van de grootste
aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui
door zijn maîtresses en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets,
en toen Leiden hem begon te vervelen, ging hij in den Haag op kamers
wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder
er doorgebracht, en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen
zijn crediteuren ongeduldig werden, en met een groot schandaal
dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil bij, om den naam
van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice
tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw
Mombreuil en zijn zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als
een jongen god, deden alles om den minister te vermurwen, maar er hielp
niets aan, en den gevierden student bleef niets over dan zich te
vernederen en als koloniaal te teekenen.
Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden
Mombreuil. Want Maurice, wélke verhalen er ook over hem rondgingen in
den Haag, was nu eenmaal „l’enfant chéri des dames”, die álles kon
doen. Hij was „le beau Maurice”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde.
O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, géén meisje was er tegen
bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn zwart,
coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn
kersroode mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van
den Haag, zeide men—, die mond, zoo lief-zinnelijk tot kussen geplooid,
zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was niet verliefd op den
mooien mond van Maurice!
En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar
Indië. Er werd schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als
hij was, had Maurice toch best kunnen helpen om door te studeeren. Hij
was weduwnaar, zonder kinderen, en het zou hem toch gemakkelijk zijn
gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die arme, mooie
Maurice, verbeeld je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel
in Nederland, als gewoon koloniaal naar Harderwijk. Was het geen crime?
Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn
schoonzuster verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken
was dat uiterst louche bleek te zijn, een geschiedenis van een valsche
promesse, niet dan met de grootste moeite uit de handen van den
Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. En hij liet
zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn
schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en
Maurice alleen wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd
hebben, het blazoen van de Mombreuils bijna bezoedeld had.
Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt voor zijn
grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem
de hand geweigerd.
„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een
gentleman bent geworden,” had hij gezegd.
Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij
zichzelf een duren eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou
komen, vóór de minister hem er zelf bij de hand zou binnenleiden als
een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn.
En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te
gelooven.
Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over
Maurice gekomen. Hij had zich onderscheiden, had een eervolle
vermelding gekregen, was korporaal, daarna spoedig sergeant geworden,
en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen van een
benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend,
maar tevens—een unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot
tweeden luitenant was bevorderd. Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit
nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. Mombreuil geweest was,
en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den minister
van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in
geheel Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct
getelegrafeerd: „Ik ben blij je de hand te kunnen reiken.”
Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad
bij de kampong Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een
der voornaamste vijandelijke panglima’s met eigen hand gevangen genomen
had, en later, bij een nachtelijken overval, zijn bataljonscommandant
het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal had
gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder
derde klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter
tegelijkertijd zijn carrière gebroken, want een klewang-houw over den
linkerarm had hem verder onbruikbaar gemaakt voor den dienst.
De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep
met de verhalen over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn
eigen zoon was geweest, die ze bedreven had. Dát was nu pas een
verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd had! Trouwens, van
een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! Bon sang ne
peut mentir. Ridder van de Militaire Willemsorde derde klasse, door H.
M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél nobeler en
kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was.
Zeker, hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een
echte chevalier had hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden
zijner vorstin, en het blazoen van de Mombreuils had hij verheerlijkt
met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het geheele verleden dan
ook weg en er zou niet meer over gesproken worden.
Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice!
Die heerlijke, beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel
gezegd! En nu zág je het zelf! Hij was ridder geworden, net als vroeger
in de oude tijden, ridder door de kracht van zijn zwaard! Ze waren
trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. Het
oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van
Godfried van Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En
in de verblinding van hun adellijke ideeën, nog opgezweept door den
militairistischen waanzin van den minister, zagen zij nú in den
geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn
dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel,
hij was rechtvaardig, hij was wijs. Hij was het toonbeeld van grootheid
en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu vergloried door den
glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen
menschelijke grootheid of zij straalde van hem uit.
Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had
den „grooten broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker
zien worden en zij vertelde opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn
heldendaden. Zij liet hun zijn portret zien, in vol uniform, met de
gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. En zóó was
Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een
sprookje, een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere
heldendaden.
„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien,
„wat een flinke, mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien
knevel! En dien mond! je mag blij zijn met zoo’n broer, hoor!”
En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden.
Allemaal moesten ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en
de dapperste, en de knapste jongen van de wereld?
Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar
zou wezen. Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd,
gedecoreerd, die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar
meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, toch mocht hij de uniform
blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij die altijd
aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t
Indische leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala,
die eeresabel, met dat blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél
meer uit kunnen gaan dan vroeger, want als mama geen lust had, of te
moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk op Maurice
rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was
toch op den duur vervelend.
Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen,
geridderden broer!
Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets
losgelaten, van dat hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te
zoeken. Maar ze moest hem éérst een flinken tijd voor háár houden; níet
hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, dát ging niet aan.
Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later wel eens
voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten
ganschelijk om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en
huwelijken, besloot ze, dat zij dat zaakje wel zou opknappen, en een
uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst
héélemaal goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er
niets aan.