Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule
Louise Mombreuil.
Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin
kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan
een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken.
Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van
romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in
den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk
verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de
afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust
en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar
romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó
maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon
Roméo bien aimé” er boven.
Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken,
maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de
famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van
bakvischjes te lezen.
Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude
dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening,
die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en
allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en
cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de
bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij
wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er
een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het
hem embêteerde.
Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven
wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te
vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur
Lamarty.
Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar
een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij
Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een
chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet
romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op
zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte
doeken te leggen om zijn keel.
Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de
oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis
uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo.
Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische
liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet
begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep
ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet
bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die
ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen.
En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met
iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer,
en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns.
Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat
het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was
haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer
Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een
held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe
edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de
ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten
werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát
gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen
levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor
onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk
zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een
mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr
over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van
Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende,
en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen
Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders
was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart
of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die,
zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans.
En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi,
en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand,
ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap,
alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze
wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze
geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had
geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met
enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een
droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel
vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel
eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige
bewondering.
Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof,
haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het
uitschreeuwde van vreugde:
„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij
komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o
Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....”
En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar
helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu
inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom....