HOOFDSTUK VI.

Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule

Louise Mombreuil.

Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin

kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan

een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken.

Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van

romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in

den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk

verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de

afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust

en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar

romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó

maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon

Roméo bien aimé” er boven.

Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken,

maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de

famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van

bakvischjes te lezen.

Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude

dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening,

die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en

allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en

cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de

bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij

wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er

een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het

hem embêteerde.

Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven

wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te

vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur

Lamarty.

Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar

een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij

Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een

chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet

romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op

zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte

doeken te leggen om zijn keel.

Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de

oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis

uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo.

Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische

liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet

begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep

ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet

bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die

ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen.

En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met

iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer,

en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns.

Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat

het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was

haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer

Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een

held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe

edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de

ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten

werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát

gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen

levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor

onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk

zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een

mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr

over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van

Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende,

en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen

Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders

was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart

of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die,

zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans.

En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi,

en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand,

ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap,

alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze

wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze

geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had

geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met

enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een

droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel

vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel

eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige

bewondering.

Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof,

haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het

uitschreeuwde van vreugde:

„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij

komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o

Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....”

En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar

helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu

inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom....

Vlindertje: een Haagsche roman · 第 6 / 21 题