"Volgens den dokter _niet_, generaal. Hij heeft ontzettend geleden."
"Wij weten dat alles kapitein;" valt Jacoba zeer haastig in, en even
snel vervolgt ze: "Is de familie van Helmond óók bij hem? Ik meen
zijn broer en zuster?" en terwijl zij dat vraagt, wenkt zij den man
dat hij ontkennend zal antwoorden. Maar de goede Armelo is de jaren
van mimiek en taal der oogen voorbij. Hij heeft het niet begrepen.
"Jawel juffrouw, tenminste nog voor weinig minuten waren ze er
allebei.--O generaal, uw komst is een waarachtige zegen van God. Wat
heeft die arme Helmond om u geroepen en naar u verlangd." Armelo werd
stouter: "'t Is braaf, 't is edel generaal, dat u gekomen bent. Ik
zal ze boven met uw komst gaan bekend maken."
"Kapitein!" roept Van Barneveld hem na. Maar, of de oudedag Armelo
soms al wat hardhoorig maakte, althans hij keert niet terug.
't Was een vreemde verschijning voor den generaal en zijn dochter,
toen ze inplaats van Armelo, daar eensklaps Thomas Van Hake, zoo rood
als scharlaken zagen binnenkomen.
Thom heeft in één adem gezegd wat hij op 't hart had: Dezen morgen,
juist tien minuten voor 't vertrek van den sneltrein, heeft hij
dezen grooten verzegelden brief aan 't adres van zijn goeden meester
ontvangen. In verband met courantenberichten, en een paar woorden
die de dokter zich in den laatsten tijd, zeer in vertrouwen, heeft
laten ontvallen--als zou men hem namelijk over iets zeer gewichtige
gepolst hebben,--in verband met dit alles heeft het aanstonds bij
hem vastgestaan dat deze brief dokters benoeming tot professor
bevatte. Terstond heeft hij Bus verzocht om voor dezen enkelen dag
het huis te bewaren, en is hij zelf, zonder oponthoud naar het station
gevlogen, waar de sneltrein juist het sein tot vertrekken gaf, toen hij
bijna ademloos in een derde-klasse-waggon is neergevallen. Bij aankomst
te Amsterdam heeft men hem eerst naar een geheel verkeerden Buitenkant
gezonden; maar nu, hier zijnde, nu dankte hij den goeden God, dat
hij--zooals de kapitein hem reeds in de gang heeft gezegd--zijn lieven
meester nog in leven vindt om hem _zelf_ dit schrift te kunnen geven,
en, nog eens de hand te mogen drukken van den vriend, die zich zoo
liefderijk over een arme weduwe en haar kind had ontfermd.
Van Barneveld scheen zeer getroffen.--Hij aarzelde een oogenblik,
en sprak toen schijnbaar kalm:
"Je ijver prijs ik jongmensch; maar wat je doen wilt, keur ik af. Zulk
een stuk moet den man niet meer onder de oogen komen, die binnenkort
voor den rechterstoel van God zal verschijnen. Geef mij dien brief
menheer Van Hake, en spreek er niet van."
"Maar generaal, maar...." stottert Thomas onthutst.
"Ik verzoek dat je mij dat stuk geeft menheer Van Hake!"
"Nee generaal, nee! Neem mij niet kwalijk, maar dat, _dat is_ te
erg. Om mijn besten dokter die laatste eer.... die...." Thomas ziet
eensklaps Jacoba's angstig smeekenden blik. Hij weet niet wat het haar
heeft gekost om den vader tot deze reis, en vooral tot het bezoeken
van den stervende _in de woning van Philip Helmond_ te bewegen; neen,
Thomas weet het niet; maar die blik van Jacoba doet hem plotseling de
waarheid vermoeden; en.... zou hij haar smeekend vragen weerstaan? Mag
hij dien al te gestrengen man, hier--nog eer hij den dorpel van dat
ziekenvertrek overschrijdt--door een vermetele tegenspraak ontstemmen,
en daardoor misschien veel meer bederven dan honderd zulke stukken
kunnen goedmaken?
"O vergeef mij generaal" valt hij nu zich zelven in de rede: "ik wil
mij aan uw wijzer oordeel onderwerpen. Ik dacht maar dat het iemands
sterven verlichten kon, wanneer hij _de zorg aan zijn jeugd besteed_,
nog in 't laatst zoo krachtig gewaardeerd zag."
Een half uur later zat de oude generaal aan het sterfbed van zijn
pleegzoon.
Mevrouw Van Hake heeft het reeds gezegd: 't kon iemand soms te machtig
worden. Ook dien grijsaard werd het te machtig toen het reeds mat
geworden oog hem voor 't laatst zoo smeekend aanzag, en zijn woorden
nog bijna onhoorbaar klonken:
"Dank vader! Uw vloek.... gold de zonde! Uw gestrengheid was
liefde.... _Onnut_ en _zwak_.... mijn leven.... _Verzoening_ mijn
_sterven_.... O, voor allen vergiffenis vader?"
En de oude generaal? Er gleden dikke tranen langs zijn grijzen knevel
neer; en hij drukte de magere hand van dien.... ja, van dien geliefden,
dien meest geliefden pleegzoon; en, hij wilde nog spreken, maar neen,
neen, die hand kan hij nog drukken, maar spreken, o God der genade,
spreken, dat kon hij niet.
Maar hoor, daar klonk al schreiend en bevend toch een welluidende
stem. 't Was die van Jacoba:
"Nee mijn goede August: _onnut_ was je leven niet, nee! Dat mijn beste
vader nog hier kon wezen, hij dankt het, naast God, aan de hulp van
mijn lieven broeder!"
Thom kan niet zwijgen in dezen stond. Neen, goede God, hij _kon_ het
niet!--Als een doode zoo wit, grijpt hij de hand van zijn vriend, en
zie zie,--er zweeft voor 't laatst een glimlach over Helmonds gelaat.
Heeft hij 't verstaan, heeft hij 't begrepen dat men hém, "den ellendig
_zwakken_, den verder voor _dit_ leven _onmogelijken_ mensch"--zooals
hij straks zich zelf had genoemd--nog den schoonsten en hoogsten
titel als man der wetenschap heeft waardig gekeurd?
Sinds de generaal en Jacoba waren binnengekomen, heeft Eva zich met
alle kracht beheerscht.
Bijna onveranderlijk is zij in dezelfde houding gebleven; met den
arm om het hoofd van haar dierbaren man geslagen, want o, dát was
hem zoo _goed_, heeft hij gefluisterd--en, ofschoon zij nog altijd op
herstelling en leven hoopte, ach! als het dan anders wezen _moest_,
neen, dan zou ze hem die ure toch niet bang maken, maar voor 't laatst
nog toonen dat ze hem wel innig en waarachtig liefheeft.
--Maar--o God, wat is dat! Met een kreet van ontzetting vliegt ze
eensklaps overeind:
"Eva!" heeft hij nog eens al stervend gefluisterd. En toen, toen
is zijn laatste adem gevloden.--Helmond, haar dierbare, haar eenige
Helmond; hij was niet meer.
Aan den avond van den volgenden dag kwam er van den kant der
Nieuwe-Stadsherberg een trekschuit langzaam aangevaren.
Juist tegenover het huis nº. 103 aan den Buitenkant, zag men het
vaartuig aan wal komen, en de schipper met zijn knecht wachtte er
totdat de avond geheel was gevallen en de torenklok van de Oude Kerk
zes had geslagen.
Weinige minuten later heerschte er een buitengewoon gestommel in het
kleine voorkamertje der genoemde woning. Een agent van politie stond
buiten, en hield een nieuwsgierige menigte terzij, die al spoedig
een langwerpig voorwerp met een zwart laken overdekt door een achttal
mannen ter deure uit en dwars over de straat zag dragen, terwijl het
daarna met alle behoedzaamheid in het ruim der schuit geborgen werd.
Toen het vaartuig eenige minuten later van den wal was losgemaakt,
gleed het weer langzaam heen.
In den stuurstoel stond, met het hoofd voorover, een reeds bejaarde
man in eenvoudige livrei. Men kon het hem duidelijk aanzien dat hij
een oud-gediende was.
Bij het wegvaren sloeg de oude nog eens de oogen op dat smalle hooge
Amsterdamsche huis.
--In die woning was dan de brave pleegzoon van zijn meester, zoo jong,
nog zoo bitter jong, gestorven!
De gaslantaarn, die juist was opgestoken, verlichtte inzonderheid het
nummer der kleine woning. De oude Willem gaf er zich geen rekenschap
van hoe hem nu eensklaps de woorden vol droeve waarheid zoo levendig
voor den geest kwamen:
"Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem die, op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer.
Wanneer de wind zich over 't land laat hooren,
Dan...."
"Ach, zoo jong, zoo in de kracht van 't leven!" herhaalt de oude
nog eens; en, het oogenblik kwam hem weer levendig voor den geest,
toen hij--nog zoo kort geleden, dien goeden dokter als bruigom, met
bloemen en linten aan 't tuig, mocht rijden, en hem benijdde omdat
hij al spoedig het graf zou zien van den grooten Keizer die de heele
wereld verwon....
Willem de grijze koetsier weet niet hoe het komt, maar 'tgeen hij nú
gevoelde, dat heeft hij nog nooit gevoeld.--Hij zou niet weten wát te
antwoorden indien men hem vroeg of hij nóg gaarne zou meegaan om het
graf van dien grooten Keizer te zien. 't Zou hem nu zijn alsof....--De
oude schudde het hoofd, en staarde vóór zich in het zwarte water,
en streek den traan weg, die hem in den grijzen knevel gebiggeld was.
Thomas Van Hake is reeds in den morgen met Armelo naar Romphuizen
vertrokken, om er den kapitein, met hetgeen er voor de begrafenis te
regelen viel, behulpzaam te zijn.
De generaal die gisteren, na zooveel aandoening, weer minder wel was
geworden, zal eerst morgen naar Romphuizen terugkeeren.
Op dit oogenblik, terwijl de pendule in de ruime hotelkamer halfzeven
wijst, zegt hij tot Jacoba die juist weer een der poeders, waarop ze
zooveel vertrouwen heeft, voor hem gereedmaakte:
"De schuit kan al twintig minuten weg zijn. 't Verwondert me dat ze
nog niet komen."
"Misschien gaan de klokken hier niet zoo goed als op _De Zonsberg_
lieve papa;" antwoordt Jacoba en geeft hem de medicijn.
De vader gebruikt die stilzwijgend, en zijn oog rust weder op
het schrift, waaronder August met reeds stervende hand zijn naam
had geschreven, en waarvan de inhoud hem telkens herinnert aan
die smeekende woorden van den gestorven pleegzoon: "Verzoening,
vergiffenis."
Van Barneveld weet niet dat er, op Philips uitdrukkelijk verlangen,
een paar regels uit dien laatsten brief zijn weggebleven.
Maar, evenmin weet hij dat Jacoba's hart, bij al de droefheid
en zorg--waarin ze schier wonderdadig tot de vervulling van haar
moeielijke kindertaak werd gesterkt--nog onrustiger klopt dewijl het
aanstonds zal uitkomen, dat zij zich alweder, uit waarachtige liefde,
aan een klein bedrog heeft schuldig gemaakt. Van Barneveld weet het
niet dat Jacoba een paar woorden heeft gevoegd bij de weinige regels,
die de vader haar verzocht heeft aan Eva te schrijven, en die toen
aanstonds naar het huis aan den Buitenkant zijn gezonden.
Alvorens Amsterdam te verlaten, heeft de oude generaal zijn jongsten
pleegzoon doen weten: dat hij hem ter wille van dien afgestorven
broeder, vergiffenis wilde schenken, wanneer hij waarachtig berouw
gevoelde over de vreeselijke woorden, die hij vroeger gesproken had.
Jacoba heeft moeten schrijven:
"Indien Philip alzoo gezind is Eva, laat hij dan met u meekomen." En,
Jacoba heeft er uit zich zelve bijgevoegd: "Natuurlijk, Philip _èn
Virginie, zijne vrouw_."
Jacoba wordt eensklaps nog bleeker dan zij gewoonlijk is. Op dit
oogenblik heeft er een rijtuig voor de Keizerskroon stilgehouden.
Was het een wreedaardig spel van het lot, dat die jonge moegeschreide
weduwe in dezen stond den drempel van hetzelfde hotel moest betreden,
waar ze aan de zij van haar geliefden vriend, den avond van haar
eersten huwelijksdag was binnengegaan!
Zij wankelde op dien drempel.
--Maar Goddank, nog altijd was de trouwe vriendin haar terzij,
die haar telkens dat woord van den eenige herhaalde: "Wees sterk,
en leef voor ons kind lieve vrouw."
Van Barneveld zag bij het zwakke licht der beide bougies niet aanstonds
dat er vier personen waren binnengekomen.
Jacoba beefde.
De grijsaard is opgestaan. Zijn oogen waren vochtig.
--Goddank! juicht het tengere meisje in stilte: Hij is zeer bewogen.
"God plaagt niet uit lust tot plagen!" zegt Van Barneveld terwijl
hij Eva's hand vat: "Wij hebben veel verloren, maar het _betere_
zeker gewonnen Eva."
Ach, hoe kon zij dit toestemmen in dezen stond!
Eva schreide bitter.
"Wij hebben hem beiden liefgehad," herneemt Van Barneveld: "maar ieder
op een andere wijze. Voortaan--zoolang als God mij het leven schenkt,
zullen wij elkander liefhebben Eva, als vader en dochter.--Je hebt
nu geleerd dat het geluk niet uit weelde en overdaad wordt geboren,
terwijl de handen er werkeloos bij neerhangen."
--O God, wat klinken die woorden hard, vreeselijk hard in zulke uren
van bitteren rouw!
"Maar ik spreek geen verwijt;" herneemt de generaal: "Ik heb mijn
ongelukkig pleegkind beloofd dat ik voor je zou waken en zorgen. Berust
in den wil van God. Leer met weinig tevreden zijn, en geloof dat ook
_ik_ aan 't eind van mijn leven zwaar ben geslagen, want ik had hem
lief Eva, zeer _zeer_ lief!"
Terwijl zijn handen beven, en de tranen hem over de wangen rollen,
geeft hij Eva een zoen.--En zij....?
Ze wil spreken; doch, zij kan het niet. Een oogenblik nog, en dan,--dan
ziet ze hem aan en zegt op vasten toon:
"Ik wil u liefhebben oom, want mijn August had u lief. Uw raad wil ik
hooren, en uw lessen opvolgen, maar," en nu trilt hare stem "_Ik zal
voor mij zelve zorgen, want_...." In een hevig snikken barst zij uit,
en de woorden er bijvoegen kon ze niet: Want van úw weldaden te leven,
dat zou mij _onmogelijk_ zijn.
O Goddank, dat zij die laatste woorden terug heeft gehouden. Die
eersten, ze hebben den grijsaard zoo innig goedgedaan, ja gegrepen in
't hart.--Weet die oude man, dat men hem soms van bekrompenheid of
zelfs van gierigheid beschuldigt? Weet hij dat zijn gestrengheid
en zijn strijden voor wat hij recht en goed acht, inderdaad wel
eens hardheid wordt?--Maar nu, o, nú wordt zijn hart zoo warm als
een zomer-zonnestraal, en die gloed blonk hem uit de oogen; en zijn
beide armen naar Eva uitstrekkend, zegt hij op onbeschrijfelijk en
roerenden toon:
"Goed zoo kind! lieve kind! goed zóó!--Ach God, wáárom is nú mijn
arme jongen er niet!"
"Oom, is er dan nog geen jongen die u wil liefhebben?" zegt Philip,
eensklaps naderbij komend, en vat de hand van den trillenden grijsaard
die Eva nu vast aan het hart hield gedrukt: "Oom, de arme August heeft
verzoening gewild; en, ú hebt ons de hand toegereikt. Nú, weldoener
van mijn jeugd, is het aan mij om u vergiffenis te vragen voor dat
onzinnige woord in blinde drift gesproken. Ik moest het toen geweten
hebben dat uw toorn alleen mijn stap van onbedachtzaamheid gold: uw
rein gevoel, uw _diep gevoel van eer_ kon immers nooit op den duur
het lieve meegesleepte kind verstooten, aan wie uw wilde jongen zijn
woord van trouw had gegeven."
Door Jacoba onmerkbaar vooruitgestuwd, is Virginie Helmond nu mede,
ofschoon schoorvoetend en met neergeslagen blik, den grijzen generaal
genaderd. Philip grijpt haar hand en vervolgt:
"Oom, hier staan we nu beiden. U hebt ons geroepen. U wilt vergeven;
en wij, wij zullen u eeren en liefhebben. Ja, door duizend vuren zou
ik voor u vliegen omdat u haar, mijn _alles_, hebt erkend; en zij, mijn
schat, ze vloog met me mee, want, oom, we zijn één, in alles _één_!"
Verrassing en verbazing hebben eensklaps Van Barnevelds gelaat
geteekend, toen hij Philips vrouw, zoo geheel onverwacht, heeft voor
zich gezien.--Wat moest dat beduiden!--Heeft hij, _hij zelf_ haar
geroepen, _hij_! Is het dan noodig dat men ook _die vrouw_....? Maar
hoor:
"O, wij zijn al vriendinnen, niewaar lieve zuster!" roept Jacoba;
en inwendig bevend slaat ze den arm om Virginie's hals, en geeft haar
voor 't oog van den vader, een teederen zoen.
En de oude generaal?
O, indien men de sterkste vesting wel veroveren kan, hoeveel te eer
zal men dan het hart overrompelen van een bewogen grijsaard, aan den
eindpaal van het leven.
"Virginie!" zegt de oude man; en ofschoon hij de hand op dat
overrompelde hart moet drukken, hij voldoet toch geheel aan dokter
Helmonds uitersten wil, en geeft ook een zoen aan de schoone maar
tevens goedaardige vrouw van zijn jongsten pleegzoon.
En de najaarsstormen hebben gewoed; en de winter heeft ijsbloemen
op de vensterglazen geteekend, schoone maar koude bloemen.--En de
eerste groene scheutjes en blaadjes en veldbloempjes zijn toen te
voorschijn gekomen, en, evenals zij, ook de vogels met hun luid
getjilp en gefluit vooral 's-morgens vroeg op de daken.
't Was in die zeer koude dagen, toen de ijsbloemen niet van de glazen
wilden wijken, dat Eva Helmond aan een vaderloos jongske het leven
schonk.
Maar met de eerste bloemen en zangen der lente, toen ook de eerste
kraaiende lachjes van het onschuldige wicht die arme moeder hebben
verkwikt, toen was het haar mede alsof ze tot een nieuw leven ontwaakt
was. 't Moest een leven worden ten nutte van dat lieve kind, en een
leven ten nutte van anderen bovendien.
De generaal Van Barneveld heeft er voor gezorgd.
Het groote huis op de markt, 'twelk hij van mevrouw de weduwe Helmond
ondershands heeft gekocht, en betaald met een som waardoor alle
schuld kon vereffend worden, het groote voormalige burgemeesters-
en doktershuis is--het _doktershuis_ gebleven. Zie, die steen in den
gevel moet het aanduiden; daarop staat gegriffeld: HELMONDS-STICHTING.
Ofschoon van alle meubelsieraad ontdaan, is het gebouw in- noch
uitwendig belangrijk veranderd.
't Was een kostbaar geschenk, 'twelk de stad Romphuizen, met deze
langgewenschte stichting, van den generaal had ontvangen. En, _wie_
zou men nu eerder tot beschermvrouw van dat prachtige _Weeshuis_ hebben
gekozen, dan de weduwe van den man wiens naam de stichting droeg,
en die voorzeker zooveel ze kon, haar kracht eraan zou willen wijden!
Maar nog een ander monument mocht de stad Romphuizen in datzelfde
voorjaar ontvangen.
't Was het monument op Donerie's graf.
Aan den avond van den dag toen de plechtige onthulling ervan heeft
plaats gehad, en de cantate nogmaals was gezongen en besloten met
dat roerend:
"Slaap zacht, tot den morgen die u wacht!"
aan den avond van dien dag hield er een rijtuig voor het kerkhof
stil. Twee jonge vrouwen in rouwgewaad stapten eruit. Ze werden
geholpen door den tuinman van _De Zonsberg_, die naast den ouden
Willem op den bok heeft gezeten.
"Hierheen Eva!" fluistert Jacoba, en gaat haar voor op een welbekend
pad.
En ja, aan 't eind van den doodenhof, waar het kleine doch smaakvolle
gedenkteeken verrees, daar moesten ze zijn.
Jacoba's oogen glinsterden terwijl ze er beiden nu sprakeloos stonden.
"En die steen.... dat is....?" zuchtte Eva.
"Ja dat is ons nieuwe graf;" bevestigde Coba: "Daar rust nu die goede
August, in de schaduw van Donerie's monument."
Eva sprak niet.--O, dat woord moest haar ziel wel treffen: "_In de
schaduw van Donerie's monument!_"
Jacoba zweeg mede.--Zij had haar doel bereikt. Op die stille plek
naast het gedenkteeken, heeft haar vader den nieuwen grafkelder moeten
koopen. Jacoba had het zoo besloten: _zijzelve_ wilde er eenmaal
rusten, naast de groeve van den eenige, dien ze zoo diep in haar ziel
heeft liefgehad.
En Eva en Jacoba ze bleven daar sprakeloos nog een geruimen tijd
staan. Beider oog was nu voor 'tmeerendeel op den tuinman gevestigd,
die aan 't boveneind van de nieuwe blauwe zerk zijn arbeid verrichtte.
Wat hij er doet?--Hij plant er het takje van den meidoorn, 'twelk Eva,
op den laatsten middag van haar zaligen bruidstijd, aan den geliefden
bruigom heeft gegeven.
Pas kort geleden heeft Eva vernomen wat er met dat takje gebeurd is:
Met een schoonere bloem voor oogen, die hij den volgenden dag de zijne
zou noemen, had August het reeds verflensende meidoornbloempje dien
avond op _De Zonsberg_ achtergelaten. En de oom die het takje vond,
had er bloem en blaadjes en de kleine zijtakjes afgedaan, en--om
eens te zien wat er nog van komen kon, heeft hij het binnen de serre
in een pot met aarde gestoken. Zóó was het takje, wèl verzorgd, aan
't botten gegaan, totdat.... totdat op een lateren droeven morgen de
tuinbaas het "wegwerpen zou".
Maar de tuinman heeft dat niet gedaan. Hij heeft den pot met het
takje erin, bewaard. Immers Willem de oude koetsier wist heel zeker
dat dokter Helmond op dien middag een takje rooden meidoorn in het
knoopsgat heeft gedragen, en--'t was toch aardig, ja, en nú aandoenlijk
erbij--dat de oude generaal het _zelf_ gepoot en _zelf_ gekweekt had.
En zie, nu staat het daar; en 't zal mettertijd een struik worden,
een boom misschien, en de roode meidoornbloempjes zullen vallen op
Helmonds graf, dat ook eenmaal Eva's graf zal zijn.