Armelo."

Het telegram werd verzonden.

En--er volgde een lange en droevige nacht.

Des anderendaags tegen den namiddag, bevonden zich onder de aangekomen

reizigers met den sneltrein uit Utrecht, een deftig oud heer benevens

een tengere jonge dame. Een oude knecht in eenvoudige livrei, met

een valies in de hand, is hen reeds vooruitgegaan, en helpt straks

met de meeste zorgvuldigheid den grijsaard en diens bleeke dochter

in de vigilante, welke hij spoedig als de beste heeft uitgezocht.

"Naar de Keizerskroon Willem;" beveelt de oude heer.

"Best generaal;" zegt Willem, en slaat even aan, alvorens hij zich

naast den huurkoetsier op den bok zet.

"Niet zoo hard rijden;" zegt Willem tot den voerman: "De generaal

is niet al te wel, en hard rijden op de steenen zou hem kwaad kunnen

doen."

"Zoo, is dat een generaal?" zegt de aangesprokene: "Ik dacht wel dat

het een hooge van 't volk was. Nou hier in Amsterdam malen we daar

weinig om."

Willem zweeg, maar op gevaar af van een "standje" met dien huurkoetsier

te krijgen, greep hij als man van 't vak, naar de leidsels, want,

dat vreeselijk gehots op die keien 't moest den generaal zeer zeker

hinderen.

Ja, Van Barneveld was inderdaad zeer vermoeid toen hij aankwam. 't

Was volstrekt noodzakelijk dat hij eerst in 't logement een half

uurtje uitrustte.

De eerste vraag van Jacoba aan den opperschenker in het logement,

was, om haar aanstonds een kopje en wat melk te bezorgen. Nog

met haar handschoenen aan, maakte ze voor den lieven vader weer

een van de poeders klaar die den zieke zoo heilzaam zijn geweest;

en--in geen geval zou ze het anders doen dan dokter August Helmond

had voorgeschreven.

"Over een half uur de vigilante;" beval Van Barneveld: "Buitenkant,

nummer honderddrie."

Aan dien Buitenkant Nº. 103 stond het dokterskoetsje voor de deur. De

dokter sprak in een der benedenkamertjes nog even met mevrouw van

Hake. 't Was heel goed dat mevrouw Helmond nu maar boven bij hem

was. Neen, kwaad kon het volstrekt niet; och nee.--Over een paar uren

hoopte hij nog even aan te rijden, want.....

Mevrouw Van Hake vernam verder de laatste woorden in de gang, en zag

daarna het koetsje wegrijden.

O welk een onbeschrijfelijk zalig oogenblik is het geweest, toen die

schrikkelijke nacht was voorbijgegaan en de afgetobde lijder, na eenige

uren van rust, de oogen heeft geopend, en kalm en zacht heeft gevraagd;

"Is Eva niet hier?"

--Ach, wáár zou ze nu anders wezen! Ja ja, hier was ze:

"August! eeuwig dierbare, lieve August! Och je kent me dan weer?"

"Ja, ja juist, ik wist wel dat je komen zoudt."--Hij ziet haar aan:

"Goddank dat je er bent mijn lieve.--Ik ben erg ziek Eva; heel ziek."

"Ja mijn beste, maar nu ben je beter."

"Beter?--Toch niet _heelemaal_ beter Eva. Ik voel.... Luister

eens.... Hier.... Geef me die hand.... Zoo.... Wacht even.... 'k Ben

moe.... heel moe...."

"Lieve beste August, als het je vermoeit, spreek dan niet; word dan

eerst weer sterk en gezond."

"Ja, maar dan zou het te laat kunnen zijn;" zegt Helmond weder na een

korte pauze en nu op zeer duidelijken toon: "Zoo, ja met die lieve

hand op mijn hoofd dat is goed.--Eva, zeg, zijn wij alleen? Is daar

nog iemand?"

"Ja beste, hier is papa; en Philip is daar ook. Je trouwe brave Philip

die je in zijn woning verzorgt."

"Ik weet het; ik heb dat alles gehoord.--Goeje

jongen! Onverdiend!"--Hij roept luider: "Philip!"

De jongere Helmond staat nu bij het ledikant. 't Is hem onmogelijk

om een woord te spreken, nu hij de trillende broederhand vat die

hem werd toegestoken, terwijl die afgetobde blauwe oogen hem zoo

onverklaarbaar gevoelvol aanstaren.

"Papa ook;" herneemt August: "Brave man! Hier blijven allebei Mevrouw

Van Hake....--_Virginie_!" zegt hij weer luider.

"Och Philip, roep je vrouw; hij wil haar zien;" zegt Eva snel:--O

hoe helder spreekt hij nu. "Lieve eenige August!--Goddank, Goddank

dat alles voorbij is!"

Een oogenblik bleef het stil.

"Ja, alles is voorbij...." herneemt Helmond, en vervolgt, somtijds

zwakker doch ook telkens weer met heldere stem: "Voorbij!.....'t

Was een korte dag. De morgen was wel schoon, maar de avond is vroeg

gevallen; een leelijke mist had den dag verdonkerd...."

"Het ijlen begint weer;" fluistert Armelo bijna onhoorbaar tot mevrouw

Van Hake; "Dan moet Eva weg. Volstrekt!"

"Ja Eva, ja, mijn zwakheid heeft dien korten dag in een mist

gehuld...."

"August, mijn lieve August, spreek daar niet van."

Helmond slaat vluchtig de oogen tot haar op:

"Ik heb vreeselijke droomen gehad Eva."

"Och, die zijn nu voorbij," zegt Eva weder, en zoent hem op de

ingevallen wang.

"Zóó, dat wilde ik juist vragen," herneemt de zieke zeer luid: "een

_zoen_! Ik wist wel dat je hem geven zoudt, mijn _mooi lief kind_,

mijn _nachtegaal_!"

Eva blijft hem zoenen met vuur, totdat de stem eener zorgvolle,

vriendin haar in 't oor fluistert:

"Spaar hem. 't Is niet goed lieve Eva!"

"Laat haar, brave vrouw;" zegt Helmond weder, en heeft nu de oogen

der doktersweduwe ontmoet: "Zij wil het doen voor u allen: mij mijn

schuld vergeven." En dan nog luider: "Ja, _mijn schuld mij vergeven,

mijn zondige zwakheid, mijn ellendige zwakheid_!"

Het moede hoofd viel terzij. Zóó kon hij niet voortgaan, maar toch

vernam men nog met bijna onhoorbare klanken: "Als een kind grijpt

naar de vlam eener kaars, dan.... weerhoudt men dat kind...."

't Gaf Eva na de oogenblikken van stille blijdschap over die merkbare

beterschap--waardoor ze als 't ware in den zoeten dommel van 't

verleden was teruggevoerd--een vreeselijken schok toen Helmonds

laatste, misschien alleen voor haar verstaanbare woorden, haar zoo

ontzettend diep in de ziel zijn gedrongen.

--Nu weet zij het weer; ja, alles ineens:

--Door háár, door háár alleen, is die brave goede man al dieper en

dieper gezonken.

--Door hare schuld, o God, was er in zijn reine ziel waarschijnlijk

voor een oogenblik--een _ondeelbaar_ oogenblik--de _gedachte_

opgerezen dat het geneesmiddel voor den grijzen pleegvader in een

grooter hoeveelheid toegediend, het middel ter uitredding in den

nijpenden geldnood zou kunnen worden.--Ja, Eva weet het nu alles: Wat

zij niet zelve heeft begrepen, dat heeft die trouwe vriendin haar op

't zachtst en 't liefderijkst doen gevoelen.

"Och August!" barst Eva nu bitter schreiende los: "Moet ik, _ik_

vergeven, ik, ongevoelig ijdel schepsel, _ik_!" Zij verbergt haar

schoon gelaat in de beide handen, en dan, voorover vallend op zijn

kussen, schreit ze nokkend voort: "_Ik_ ben schuldig, _ik_ heel

alleen. O wát geef ik om _alle_ schatten ter wereld als _hij_ maar

leeft. Och goede God!"

De oudere Helmond heeft het hoofd weer naar Eva's zij gewend: hij

doet een poging om zijn hand op haar hoofd te leggen.

Mevrouw Van Hake ziet het, en is hem behulpzaam. Hij dankt haar met

dat moede goedaardige oog. De weduwe verwijdert zich van het ledikant,

't Kon iemand te machtig worden. Helaas! zij weet dat er maar zeer

weinig hoop op beterschap is.

"Eva niet schreien;" herneemt nu Helmond. En na een oogenblik

stilte: "Wij hebben elkander te zwak.... maar toch zeer liefgehad,

Eva.... _zeer_! En, nu zullen wij scheiden lieve kind."

't Was dokter Helmond aan te zien dat hij zich nog in deze laatste ure

beheerschen kon. Hij heeft Eva de naderende scheiding zelf willen

aankondigen. Hij had zich voorbereid op de uitwerking van dien

vreeselijken schok. Het moest zoo wezen, in aller belang.

En, na een akeligen wanhoopskreet van Eva, en een uitbarsting van

haar hevig beangst gemoed, terwijl ze schier in vertwijfeling God

en menschen om redding smeekt voor hem die haar zoo lief is, slaat

Helmond met alle krachtsinspanning den arm om haar hals, en zegt met

heldere stem:

"Toon dan nog eens Eva, dat je mij waarlijk liefhebt, en schrei niet

zoo hevig lieve; dat schreien maakt mij het sterven _bang_!"

Zie, die woorden wekken haar op. Ja zij vermant zich.--Moet zij hem

dan ook het sterven nog bang maken. _Zij_!

"O, maar God zal het niet gedoogen! Nee August! Nee, nee, _niet_

sterven, mijn lieve _lieve_ man! In een hut wil ik wonen als je maar

bij mij blijft; met brood en water zal ik tevreden zijn. O, voor wie,

_voor wie_ zou ik leven, als jij, mijn eenige, me ontvallen moest!"

En Helmond fluistert met trillende stem:

"Voor ons kindje Eva. Als God wil dan zie je mij in ons kindje

weer.... Wees sterk, en leef voor hem lieve vrouw...." En dan bijna

onhoorbaar: _Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars_...."

"Mijn engel, mijn eenige!" nokt Eva aan zijn oor: "Zoo waar als God

leeft, ik zal sterk zijn en goed. Maar jij zult bij mij blijven;

jij zult _hem_ leeren, en mij steunen; ja August, ja!"

"Ik heb het wel vurig gewenscht.... lieve vrouw. Ik zou hem zoo

graag.... op den arm hebben gedragen.... en gekust op dat lieve kopje,

maar, dat zal niet zoo zijn." En zich afwendend, onhoorbaar: "Nee,

niet zoo zijn. Ik heb het niet verdiend!"

In het uur dat volgde kwam de dokter weder. Hij schudde het hoofd. Maar

gelukkig, de zieke was nu zeer kalm; en de liefde van allen die hem

omringden spreidde zijn peluw zacht.

Daareven was het een treffend oogenblik geweest. Met de vervlogen hoop

om ooit het kindje te zullen zien waarnaar hij zoo vurig verlangde,

heeft hij, waarschijnlijk teneinde zich nog even in de aanschouwing

van een kleinen Helmond te verheugen, de namen van Virginie en Fritsje

genoemd. En, ijlings is toen de moeder heengesneld en met haar jongske

teruggekomen. Ja, ofschoon August onmiddellijk na het roepen van

die namen heeft gestameld, dat men hem het kindje toch liever niet

brengen moest--immers de vrienden Woudberg waren misschien met eenig

recht bezorgd voor hun kroost geweest,--die moeder, die ouders _hier_,

ze hebben geen oogenblik berekend.

Ach zie, met Fritsjes kleine warme handje, streelt nu die moeder

nog zijn kille wang.--O God, dat deed hem zoo onbeschrijfelijk goed,

en hij heeft gestameld:

"Philip, Virginie.... Eva, lieve vrouw, onze kinderen zullen, als

God wil.... vrienden zijn, _trouwe brave vrienden_!"

Slechts twee wenschen, die de lijder een paar malen heeft geuit,

schenen niet vervuld te zullen worden. De generaal Van Barneveld was

nog niet gekomen, ofschoon hij desnoods reeds in den voormiddag te

Amsterdam had kunnen zijn.--Mevrouw Van Hake bedroefde dit, misschien

het allermeest in _Eva's belang_. Maar, innig deed het haar tevens

goed, dat Helmonds tweede wensch--ofschoon die bezwaarlijk zou kunnen

vervuld worden--haar besten Thomas gold. Helaas, het zou zeker te laat

zijn al wilde men hem nú nog ontbieden, maar--Thom zou het weten,

en levenslang zal hij den geliefden dokter er voor zegenen, dat hij

nog in zijn laatste uren tot driemaal toe naar zijn "braven Thom"

heeft gevraagd.

Een weldadig gevoel mocht mede de goede vrouw vervullen, toen zij

weinige oogenblikken later het papier kon toevouwen, 'twelk een zeer

kort afscheidswoord van dokter Helmond aan zijn pleegvader bevatte,

een vaarwel, 'twelk hij haar met zwakke stem gedicteerd had, en daarna,

ofschoon met onvaste hand toch zeer goed leesbaar, met zijn voornaam

heeft onderteekend.--Dat afscheid luidde:

"Oprecht geliefde pleegvader!

"Heb dank voor alles. Laat mijn sterven de zoen zijn voor het

leed, dat wij u hebben aangedaan.--Ik beveel u de vrouw aan,

die ik te zwak heb bemind, en het kindje waarvoor zij leven

wil. Mijn vertrouwen staat vast dat mijn weldoener grootmoedig

mijn schuldeischers voldoen, en mij bovenal de schuld mijner

zwakheid zal vergeven. Groet mijn zusje met een kus. Vaarwel!

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 80 / 85 题