Op haar verjaardag."

Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige

oogenblikken dwaalt hij in den tuin--die straks door den Utrechtschen

bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden--en

begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.

Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het

doktershuis gescheld.

Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en

vraagt:

"Van wie kumt dat, manneke?"

"Ja dat mocht ik niet zeggen. 'k Gleuf van _De Zonsberg_."

"Zoo! bestig!"

In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met een groote

maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij

heeft haar doen weten dat alles gereed was.

En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat,

de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden

echtvriend tegemoet:

"O _lieve beste_ August!" roept ze, nog voordat hij spreken kan,

bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort:

"Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man,

wat ben je toch goed! 't Is meer dan ik had durven denken!"

"Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel

tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen

tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher

harte...." Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe

was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij

zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan

sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan 't hart alsof.... Neen

't was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond

en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch

die bruine beuk daar in 't pad, staat somber, ja die beuk geeft een

te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist

die bruine beuk?--Maar August dacht dit; hij sprak er niet van,

hij kon niet spreken.

Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.

"'t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!" zegt Eva weder.

"We zijn ook al vroeg aan 't werk geweest mijn jarig wijfje; maar je

hadt eigenlijk nog niets mogen zien."

"Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar

manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m'n woord!" Met klimmende

en innige verrukking: "Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm

lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me

gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van 'en man,

't garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van

Leeuwen: _Oneindig_! 'k zag het dadelijk. Die groote brillanten...."

"Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven

wou; ziehier: 't is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva,

met mijn portret."

Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.

"Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van

dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er

in. Dankje schat van 'en man. Maar dit...." en zij haalt het étui uit

haar zak te voorschijn: "dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja

zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus...."

"Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij."

"Watbliefje.... niet van....?"

"Nee nee kind, da's een abuis."

"Abuis! August wát zeg je? Zou 't bij abuis.... op bezien....?"

Helmond zag Eva bleek worden.

"Nee, zóó meen ik het niet. 't Zal je zeker wel door iemand gegeven

zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het

gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op

haar verjaardag."--Eva haalde weer adem.

"Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker."

"Geen wonder August; 'k vergis me niet: ik hou die hand op 't oogenblik

in de mijne."

"Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt."

"Ja lieverdje, dan bedrieg je me _zeker_, maar uit liefde en met de

voortreffelijkste bedoeling. Het beste _arme_ doktertje kan zóó iets

niet geven...."

Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:

"Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijn _alles_! Dank August

hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!"

"Eva, maar waarlijk, dat present zou _ik_ je niet gegeven hebben;

het moet van iemand anders komen. Het is...."

"Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen

komen! Ik bid je van wien!"

"Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed

bezie.... Ja, mij dunkt, 't is zoo goed als zeker, dan...."

"Dan....?"

"Zeer mogelijk, _zeer_ mogelijk!" herhaalt Helmond terwijl hij

schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: "Dat moet van

hèm zijn; van _De Zonsberg_. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een

verrassing van oom."

"O goeje hemel August! Schei uit!" roept Eva, terwijl ze eensklaps in

een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en

ineenslaat: "O hemel August.... dat idee!.... 't is om te stikken. Van

oom, van dien schrielen com.... p....peer!" en nogmaals en telkens

weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: "Een verrassing

van oom! Groote hemel August, hoe kon je 't verzinnen!"

Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet

meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij

niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.--Wat moet hij

doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij

die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door

de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?--Ja,

dit alles--helaas ook het laatste--hij beproeft het, maar tevergeefs.

't Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk

een oogenblik "vast te knoopen aan het _telwoord Van Barneveld_".--Nee,

August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol-

en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den

eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het

haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al

die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechts

_tobberijen_ waren, want tot schriele handelingen was haar lieve

trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.

--Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het

schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet

hij althans van dien somberen _Zonsberg_ zwijgen; hij moet....

"Maar Eva," zegt Helmond terwijl zijn hoop--op dien valschen grond

gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: "_gesteld_ dan eens dat het van

oom was, zeg, zou je dán niet....?"

"Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet,

ik zond ze terug!"

Helmond verkeert in de grootste spanning:

"Eva, ik moet openhartig met je spreken.--Oom heeft.... ja hij

heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik,

waarachtig _ik_ kon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat

mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naar _De Zonsberg_;

geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het

feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat

ik wensch.... mijn Eva?"

De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:

"Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik

zeg _weekhartig_ August, met een anderen naam wil ik het niet

bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou

jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da's heel mooi in theorie,

maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaag _gelukkig_ evenals

ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken,

ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.--Stil, _ik_

ben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken

lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je

van zoo'n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de

force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht,

je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan

't ombertje gaan zitten; maar ik--dankje; onmogelijk! Ik zou z'n

excellentie--brave beste man, ik weet het, garde d'honneur geweest--'k

zou 'em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe

heer. Ga jij daar eens zitten: "_Wijven_ en _onbeschaamde feeksen_"

wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een

paar malen met den rang van professor doodverfde; die--zooals ik pas

onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie

schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de

heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen...."

"Eva waartoe dit alles?"

Eva vervolgt: "Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve,

en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten;

maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,"--zij nadert Helmond

snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals--"als een kind,

als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals

men 't nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.--Zulk een

brief bewijst in _mijn_ oog dat de schrijver...."

"Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar

toch...." Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden

achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:

"0 ondeugd, ondeugd! 'k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een

professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief,

dat potsierlijk geschrift kwam _óók_ van _De Zonsberg_; jawel,

precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als

je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten

denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje,

stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd van _jou_!"

Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige

huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en

ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden

om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.

--Hij _zelf_, _hij_ Helmond, zou dien brief geschreven hebben!--O God,

waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar

dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten

wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....

"Is mevrouw niet hier Antje?" vraagt hij eenige oogenblikken later,

bij 't binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende

oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.--Mevrouw was er

niet. In gepeins blijft Helmond staan.--Maar wat zal het baten, zoo

denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juist _hier_ ooren hebben

voor zijn--straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal

ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wil _bezweren_ dat hij

zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is

dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?

--Ha! wanneer hij haar met dien eed _vermoorden_ wil op dezen

dag!--Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen

getrokken, die reeds ginder op 't buffet gereedstaan. Nee 't is niet

goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets

noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met

die onrust in 't hart en op 't gelaat, te midden van groen en bloemen,

aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij toch _heden_ zeer zeker

sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas

port zal zijn stemming wat op helderen. Misschien is hij inderdaad

ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er

om lachen zouden indien ze 't wisten.... Ja, ja, die zijn er _zeker_.

Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt

het, strak voor zich heen ziende, in één teug.

--'t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar

te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien

hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande

moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.--_Zijn

kind_! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in;

doch,--halt! dat ging zonder nadenken.--Maar ja, waarom niet, dit

halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en--vroolijk moet

hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat,

dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!

--Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig,

je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper

soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij

twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?--Wees geen

kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een

ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... 't Lijkt

er niet naar.... ik zeg, enfin _al was 't_ een kwart ton, dan zijn er

tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O,

als 't dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.--Nee nee, dat

niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend

middelen zijn er..... voor den professor!

Daar kwam Eva.

"Ha--haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel,

zeg jij me nu eens of je 't hier niet een hemel vindt, een hemel vol

bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 63 / 85 题