848. ZANDTAART (ZACHTE).

Twee en een half ons boter, evenveel meel, evenveel suiker, 4 heele

eieren en 2 eierdooiers, de geraspte schil van een djeroek-nipis,

en, naar verkiezing, een ons krenten, 1 à 2 lepels legèn, fijne

poedersuiker.

Bereiding:

De boter wordt even, door verwarming, zacht gemaakt, met de suiker

wit geslagen, vervolgens, stuk voor stuk, vier heele eieren en twee

dooiers er, al roerende, met de geraspte djeroek-schil bij gedaan. Men

roert dit, ongeveer tien minuten, goed samen op. Men zeeft het meel

en doet dit er daarna, lepel voor lepel bij, terwijl men door blijft

roeren. Is dit beslag gereed, dan voegt men er de legèn bij, stort

het daarna in een met boter en beschuitkruim bestreken vorm, laat

het nog eenigen tijd rijzen en bakt het, met onder en boven vuur,

of in een matig verwarmden oven, ongeveer 3/4 à één uur, gaar. Laat

daarna het gebak bekoelen, neem het daarna uit den vorm en bestrooi

het met fijne poedersuiker. Als men wil, kan men een ons gewasschen

krenten onder het beslag mengen.

Op dezelfde wijze kan men ook kleine zandtaartjes, als hiervoren,

maken.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 906 / 1109 题