Twee en een half ons boter, evenveel meel, evenveel suiker, 4 heele
eieren en 2 eierdooiers, de geraspte schil van een djeroek-nipis,
en, naar verkiezing, een ons krenten, 1 à 2 lepels legèn, fijne
poedersuiker.
Bereiding:
De boter wordt even, door verwarming, zacht gemaakt, met de suiker
wit geslagen, vervolgens, stuk voor stuk, vier heele eieren en twee
dooiers er, al roerende, met de geraspte djeroek-schil bij gedaan. Men
roert dit, ongeveer tien minuten, goed samen op. Men zeeft het meel
en doet dit er daarna, lepel voor lepel bij, terwijl men door blijft
roeren. Is dit beslag gereed, dan voegt men er de legèn bij, stort
het daarna in een met boter en beschuitkruim bestreken vorm, laat
het nog eenigen tijd rijzen en bakt het, met onder en boven vuur,
of in een matig verwarmden oven, ongeveer 3/4 à één uur, gaar. Laat
daarna het gebak bekoelen, neem het daarna uit den vorm en bestrooi
het met fijne poedersuiker. Als men wil, kan men een ons gewasschen
krenten onder het beslag mengen.
Op dezelfde wijze kan men ook kleine zandtaartjes, als hiervoren,
maken.