Twee kopjes meel, 2 kopjes honig, 1 kopje suiker, 8 eieren, 1 theelepel
fijngesneden seréh, 1 theelepel fijngestampte kruidnagels, 1/2 stokje
fijngestampte kaneel, 2 djeroek-poeroet bladeren, de geraspte schil
van 1 djeroek-nipis, wat sukade en snippers, zout, boter, melk.
Bereiding:
De acht eieren klutst men met de suiker, wit; daarna kookt men den
honig met de specerijen op, tot er een kopje van overblijft. Dit
zeeft men en roert het door de geslagen eieren. Meng hier het meel
door, met een weinig melk, zoo, dat men dit deeg kneden kan. Nu bakt
men er lagen van, op iedere laag wat snippers en sukade, en doet dan
de lagen op elkander. Men glaceert het met een of ander glazuur. De
bovenste laag versiert men met kandijgruis.