609. KWÉE POETOE.

Een pond rijstmeel, 2 flesschen jong klapperwater, 1/2 pond (of meer)

javaansche suiker, zout, geraspte klapper.

Bereiding:

Men legt een schoonen doek, of pisang-bladeren, in den koekoesan en

daarin het meel, dat men gaar stoomt. Stort dit daarna over op een

houten bord, doelang genaamd, en wrijf het aanhoudend met een houten

lepel heen en weêr, tot het koud en droog is. Besprenkel het meel

daarna, dat men in een tanggok heeft gedaan, met de twee flesschen

klapperwater--af en toe een kopje--en wrijf dat dan door de tanggok. Nu

doet men op een bordje, of op een pisang-blaadje, een laagje van dit

deeg, dat men er dun op uitrolt; daarop een laagje geraspte javaansche

suiker, dan weêr deeg, en eindelijk nog een laagje suiker. Besprenkel

dit dan met wat klapperwater, laat het in den wind wat opdrogen en

rol het dan op. Stoom de rolletjes daarna nog eens in den koekoesan

op. Men overdekt ze met pisang-bladeren. Als ze gaar zijn, worden ze

in geraspten klapper gerold en aldus voorgediend.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 654 / 1109 题