Men rekent per persoon op 3 koekjes mie; dus 15 koekjes mie, een
klein bordje vol fijngesneden, gebraden uien, 1 lepel fijngesneden,
gebraden bawang-poetih, 1 theelepel fijngestampte djahé, 1 bordje
vol gebraden kleine varkensfrikadelletjes, 3 ons ragoût- of kleine
varkenssaucijsjes, 1/2 pond overgeschoten, aan dobbelsteenen gesneden,
varkensvleesch, een bordje vol gekookte, gepelde garnalen, evenveel
fijngesneden ham, een bord vol halfgare tougé, jonge peultjes,
prij en selderie, (de prij en selderie fijngesneden) koetjaï, ook
gesneden, deze groenten halfgaar gekookt, peper en zout naar smaak,
boter. Een struif van vier eieren. Voor de saus: 2 à 3 lepels meel,
een kopje vol gekookte versche gepelde garnalen, 2 kopjes bouillon,
1 lepel taotjo, 1 theelepel zout, 3/4 theelepel peper, 1 lepel ketjap
Verder eenige schijfjes djeroek en ketjap.
Bereiding:
De mie wordt eerst geweekt, daarna even door kokend heet water gehaald
of wel in den koekoesan bijna gaar gestoomd.
Het fijngesneden vleesch wordt met ketjap en wat gebraden uien
opgebraden.
De ragoûtsaucijsjes kookt men even af in water, haalt ze er uit en
braadt ze bruin in boter. Den bouillon er van bewaart men voor de saus.
Heeft men nu alle ingrediënten gereed gemaakt voor dit gerecht, zooals
hierboven is aangegeven, dan rangeert men alles, laag-om-laag, met
peper en zout bestrooid op een schotel, schikt daaromheen wat van de
garnalen, gebraden uien, saucijsjes, frikadelletjes, enz. Hieroverheen
wordt de saus gegoten. Deze bereidt men op de volgende wijze: Het
meel wordt met den bouillon aangelengd, met peper en zout bestrooid
en tot een dikke saus gekookt, voegt er vervolgens de garnalen met
een lepel ketjap en de taotjo bij.
Op den aldus klaargemaakten schotel schikt men reepen eierstruif,
die dus zeer dun moet gebakken zijn.
Men kan, naar verkiezing, ook kreeften en oesters bij dit alles voegen.
Bij het voordienen van dit gerecht worden ketjap en schijfjes djeroek
gepresenteerd.