Een pond rundergehakt, 2 lepels boemboe kerrie (No. 72), 1/4 geraspte
klapper, 4 sioongs bawang-poetih, 1 lombok, 1 theelepel suiker,
1 theelepel trassie, een vingerlengte seréh, 1 theelepel zout, 1
eetlepel asem- of djeroek-water, 1 kop santen, boter of klapperolie,
één ei met en één ei zonder wit.
Bereiding:
Het vleesch wordt nog eens heel fijn overgehakt, vervolgens alle
kruiden bij elkander fijn gestampt en even in olie opgefruit, daarna
er uit geschept en op een zeef gedaan om uit te lekken; als ze droog
zijn, stampt men ze nog eens heel fijn over. Meng 3/4 gedeelte hiervan
door het vleesch met de eieren en het asem- of djeroek-water en maak
hiervan balletjes, die men aan pinnen steekt.
Vervolgens maakt men het 1/4 gedeelte der kruiden met de santen aan en
besprenkelt hiermede de balletjes, die men roostert, zooals hierboven
is aangegeven.