225. BÈBÈK OPOR.

Een eend, 5 kemiries, een kopje vol tjerimée, 1 theelepel gebrande

trassie, 5 schijfjes fijngesneden laos, 3 sioongs fijngesneden

bawang-poetih, 3 lepels fijngesneden uien, 1 lepel ketoembar, 1/2

lepel djienten, 1 fijngesneden lombok, de fijngesneden nier en hart

van de eend, 2 salam- en 1 djeroek-poeroet-blad; dikke santen van

een klapper, zout naar smaak, boter.

Bereiding:

Nadat de eend is schoongemaakt, vult men haar met de fijngestampte

kruiden, ook de tjerimée en de fijngesneden nieren en hart van den

eendvogel en naait dezen dicht. Kook de eend daarna in de dunne

santen van den klapper op, laat ze zoo even koken en doe er dan de

dikke santen bij met zout en met de opgegeven bladeren. Kook dit dan

zoolang, tot de jus dik wordt en de eend gaar is.

Nu wordt de eend uit de jus gehaald en met boter en een weinig van

de jus gebraden; als ze bruin is, voegt men er de verdere jus bij en

dient haar in haar geheel op.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 247 / 1109 题