Twee jonge haantjes, 2 lepels meel, 1/2 blikje champignons. 1/4
geraspte notemuskaat, een paar schijfjes djeroek-nipis, 2 eierdooiers,
1 theelepel zout, 1/2 kopje gestampte beschuit, 2 kopjes bouillon,
boter.
Bereiding:
De haantjes worden met boter sappig gebraden, daarna in twee helften
gesneden en op een vuurvaste schaal overgedaan.
In de overgebleven boter roert men het meel en den bouillon, daarna
de champignons, de notemuskaat en de schijfjes djeroek; kook dit even
samen op en bind het met de twee geklutste eierdooiers. Eindelijk
giet men deze saus over de gebraden haantjes, doet er de gestampte
beschuit overheen en laat alles ongeveer een kwartier in den bakoven,
met van boven vuur, gaar braden.