Een pond vleesch, aan dobbelsteentjes gesneden en aan bietings
gestoken, vier à vijf bij elkaar, 1 lepel ketoembar, 1/2 lepel
djienten, een halve vingerlengte gebrande koenjit, 1 of 2 lomboks,
5 uitgehaalde kemiries, 5 schijfjes laos, 2 lepels fijngesneden uien,
4 sioongs fijngesneden bawang-poetih, een greepje klabet (fenegriek),
1 theelepel peper, een kwart vingerlengte fijngesneden djahé, 4 à
5 poearlaka (kardemom), 1/4 geraspte klapper; van den 3/4 overigen
klapper maakt men santen, asam-water of djeroek-water, zout en boter.
Bereiding:
Al de kruiden worden met den geraspten klapper fijngestampt en met
boter opgebraden, daarna de bietings vleesch bij de gebraden kruiden
gedaan, nadat dit vleesch eerst met het asem-water (of djeroek-water)
is besprenkeld. Vervolgens doet men bij dit alles de santen en laat
het samen gaar koken.
N.B. Men kan ook eerst de kruiden met de santen opkoken, daarna het
bieting-vleesch roosteren en dit met de santen besprenkelen. Die rest
santen als jus te gebruiken.