32. SAJOR LEMENG.

Allerlei soort van groenten fijngesneden en gekookt, t. w. boontjes,

ketimoen, kool, katjang-pandjang, bloestroe, tempé, rauwe gepelde

garnalen, krèttjèk of versch gebraden kroepoek, reboeng.

Kruiden: 4 lepels fijngesneden uien, 3 fijngesneden sioongs

bawang-poetih, 10 [of minder] lomboks, 2 kleine stukjes laos, een

paar kleine stukjes kentjoor, 1 volle theelepel ketoembar, 5 gebrande

kemiries, een stukje gebrande trassie, 1/4 geraspte klapper, dikke

en aangelengde santen.

Bereiding:

De reboeng wordt aan schijfjes gesneden en in de aangelengde santen

gaar gekookt.

Hierna stampt men al de opgegeven kruiden fijn en braadt ze in

klapperolie gaar, waarna men er dikke santen bijvoegt en dit samen

opkookt, tot er olie uitkomt.

Dit wordt vervolgens met de gaar gekookte reboeng, de tempé, de

gekookte groenten en de rauwe garnalen bij elkaar gevoegd. Hierop

wordt nu de overige santen gedaan, tot alles onderstaat en dit

gezamenlijk opgekookt.

Zijn de garnalen en de tempé gaar, dan dient men dit gerecht op,

met de gebakken krèttjèk of kroepoek er over heen gearrangeerd.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 44 / 1109 题