Men weegt ongeveer 2 1/2 pond rijst af, wascht ze goed schoon, tot
er helder water van afkomt.
Daarna vult men een dandang half vol water en laat dit goed koken.
Als het water goed kookt, plaatst men den koekoesan in de dandang en
begiet hem met het kokende water. Men zorge dat de koekoesan met de
punt niet aan het kokende water komt. Vervolgens doet men er de rijst
in en begiet ook deze met twee gajoengs kokend water uit de dandang,
dek ze toe en laat ze aldus tien minuten stoomen.
Hierna zet men de rijst, half gaar, af en doet ze in een paso; roer
ze vervolgens om ("aron") en giet er ongeveer 2 1/2 gajoeng warm
water over, opdat dit in de rijst trekke. Dit intrekken of weeken met
't warme water wordt "sedoe" genoemd.
Daarna vult men de dandang met evenveel koud water aan, als er is
uitgehaald en laat dit wederom koken.
Als het water kookt, doet men de halfgare rijst in den koekoesan en
laat ze verder goed gaar worden.