Dan had hij gelukkig kunnen worden met de goede, lieve Miss Walton!—

Lord Lister zuchtte diep. Daarop echter stond hij op en schudde zijn

zwarte lokken.

„Wee u, valsche, misdadige oom, gij, die mijn vader en mij in het

ongeluk heb gestort. Op een andere wijze dan gij vermoedt, zal ik met u

afrekenen.

„Ik zal u daar treffen, waar gij het gevoeligst te raken zijt, in uw

vuilen hartstocht van hebzucht en gierigheid, die u tot misdadiger

heeft gemaakt.

„Ik heb nu geen medelijden meer met u, uit ontzag voor onzen

familienaam! Vóór alles wil ik nu met u afrekenen! Gij zelf verschaft

mij de bewijzen.

„Dat, wat gij het meest vreest, wat gij niet kun dragen, dat zal ik van

u maken—een bedelaar! Gij zult u ellendig en wanhopig gevoelen in uw

armoede en de liefde der menschen zal u niet troosten, zooals zij dat

mij doet!

„De armste daglooner zal u van zijn drempel verstooten, want uw

ondergeschikten zijn vervuld van haat jegens u!”

Groote vastberadenheid stond nu op het gelaat der prinses te lezen en

haar oogen fonkelden, alsof zij werkelijk den haat weerspiegelden eener

hartstochtelijke Oostersche vrouw. Lord Lister had zijn leed overwonnen

en nam het leven, zooals het was.

Kalm verving hij de afgebrande kaars door een nieuwe, daarna drukte hij

op den edelsteen, die in verbinding stond met het slot van het geheime

mechaniek. Voorzichtig liet hij het voorste gedeelte van het

Boeddhabeeld naar beneden glijden en de afgesloten vakken lagen voor

hem.

Zijn stalen sleutel van eigen vinding paste op de weinig ingewikkelde

sloten.

Het eerste vak, dat hij opende, bevatte de documenten, die de oude Lord

Lister hier had opgeborgen. Bij het licht der waskaars onderzocht hij

ze.

Bovenop lag de oorkonde betreffende de erfpacht van Mac Karthy; een oud

perkament, dat Patrik Mac Karthy, een der strijders onder den

toenmaligen Lord Lister wegens dapperheid aan de Bognerivier benoemde

als erfpachter voor alle tijden en dat voorzien was van de

handteekening van den Lordprotector Cromwell.

Behalve dit exemplaar, dat aan den Lord was toevertrouwd, bestond er

waarschijnlijk geen tweede, daar in die tijden hoogst zelden duplicaten

werden afgegeven.

En toch was de booswicht van plan, om den braven Mac Karthy met zijn

familie van de pachthoeve te verdrijven, hoewel hij wist, dat hij

daartoe het recht niet had.

En waarom? Wegens vertraging in de betaling der pacht?

Wat beteekende dat kleine bedrag voor den schatrijken grondbezitter?

Neen, omdat hij had vernomen, dat Mac Karthy op de hand van Lord Edward

was en dat hij zich om hulp tot den jongen Lord had gewend.

De woede daarover en de bedoeling om zijn neef van allen mogelijken

steun, hoe zwak dan ook, te berooven, had den liefdevollen oom tot zulk

een onmenschelijke handelwijze tegenover zijn erfpachter doen overgaan!

In hetzelfde vak lagen ook de oorkonden der tien andere pachters van de

Canaroon-hoeven, al stamden deze ook niet alle uit Cromwell’s tijd,

zooals die van Mac Karthy.

Lord Edward legde al deze documenten op het Oostersche rustbed.

Daarop opende hij de andere vakken en de verschillende portefeuilles.

Smaragden, robijnen, topazen en diamanten schitterden in prachtige

Indische goudwerken. Hij herkende onmiddellijk de familiejuweelen der

prinses.

Hij herinnerde zich zijn kinderjaren, toen zijn moeder, die jong

gestorven was, terwijl zijn vader op verre zeeën vertoefde, hem de

zeldzaam schoone Indische sieraden had laten bewonderen.

Toen de oude Lord gestorven was, had haar valsche, oneerlijke zwager

beweerd, dat de geheele schat spoorloos verdwenen was. De admiraal,

zijn broer, zou ze zich op heimelijke wijze hebben toegeëigend en te

gelde gemaakt, om speelschulden te betalen. En de doode had zich niet

kunnen verdedigen.

Men geloofde Lord Raynald, zooals men ook zijn andere leugens had

geloofd.

Ook voor den ouden Lord, Edwards grootvader, was de gedachte aan het

feit, dat zijn oudste zoon zich aan de familiejuweelen zou hebben

vergrepen, een hoofdoorzaak om den admiraal te onterven.

Met brandende oogen staarde Lord Edward naar de steenen. Daarop sloot

hij de étui’s waarin ze verborgen waren en legde alles bij de

documenten neer.

„Maar sprak de schurk niet van een testament? Van het herroepen der

onterving van mijn vader? Zeker, dat zei hij en tevens, dat het echte

testament nog aanwezig was. Wat beteekenen, daarbij vergeleken, de

juweelen en deze papieren!

„Mijn vader in zijn eer hersteld en ik de rechtmatige erfgenaam, niet

alleen van den naam, maar ook van de familiebezittingen der Listers! Ik

moet het hebben!

„Als Raffles ooit heeft getoond een meesterdief te zijn, ook nu zal hij

bewijzen, dat geen schuilplaats voor hem verborgen kan blijven!”

Met sidderende handen doorzocht hij nog eenmaal het inwendige van het

afgodsbeeld; tevergeefs echter, alles was leeg! Nergens was het

testament te vinden.

„IK had gedacht, dat hij ook dat hier bewaarde! Maar ik kan mij

vergissen! Misschien heeft hij het op een andere plek in het kasteel

verborgen, samen met zijn geldswaardige papieren.

„Deze juweelen van mijn moeder konden hem gevaarlijk worden, ingeval er

eens een gerechtelijk onderzoek plaats mocht vinden! Het testament

echter was gemakkelijk op een klein plekje te verbergen, waar niemand

het zou zoeken.

„Maar ik zal het vinden, ik moet het ontdekken! Mijn vader moet in zijn

eer hersteld worden en de schandelijke bedrieger zal zijn rechtvaardige

straf niet ontgaan!”

Zorgvuldig droeg de Indische prinses de verschillende etuis achter de

graftombe, waar zij er met den rok en de laarzen één pakje van maakte.

De verschillende documenten verborg Lord Lister in den wijden borstzak

van het Indische gewaad. Daarop ontstak hij een nieuwe kaars, bij welks

licht de Indische prinses, met een revolver in de rechterhand, door de

onderaardsche gang met onhoorbare schreden den weg naar het kasteel

insloeg.

Lord Lister No. 0010: De beeltenis der Indische · 第 12 / 20 题