HET PRAALGRAF VAN DEN ONDERKONING

Bij een kromming van het pad verhieven zich voor hem twee grillig

gevormde Indische zuilen, die echter bijna geheel verborgen waren onder

mos, klimop en reusachtige varenplanten. Tusschen deze zuilen bevond

zich een roestige ijzeren deur.

Lord Lister keek oplettend om zich heen. Maar het struikgewas en de

natuurlijke wildernis van dit parkgedeelte beschutte hem volkomen voor

ongewenschte blikken.

Hij haalde een prachtigen stalen breekbeitel uit zijn zak te voorschijn

en na weinig moeite reeds kraakte het verroeste slot. Lord Lister was

op alles voorbereid. Hij nam nu een oliespuitje uit een zijner zakken

en smeerde hiermede zoowel het oude slot als de hengsels.

De deur ging nu geruischloos open en diepe duisternis gaapte hem aan.

De Lord sloot de deur weer achter zich en stak een kaars aan. Daarop

daalde hij kalm de trap af, die voor hem lag.

Ongeveer twintig treden brachten hem in een phantastische Indische

zaal, waarin aan weerszijden in donkerroode steenen nissen een Indische

doodkist stond.

In het midden van de zaal bevond zich een rustbed, waarachter op een

marmeren zuil een glimlachend, welgedaan Boeddhabeeld was geplaatst.

Aan dezen grafkelder was in de familiekroniek der Listers een

geschiedenis verbonden, die bevestigd werd door de opschriften op de

doodkisten.

Een Lord Lister, die in Indië was geweest, om daar zaken te doen voor

de Oost-Indische Compagnie en daar den rang van vice-koning had

bekleed, was gehuwd met een ongehoord rijke Indische prinses, welke

hij, nadat hij zijn betrekking had neergelegd, had medegenomen naar

zijn kasteel in Engeland.

Toen hij korten tijd daarna tengevolge van de klimaatsverandering

stierf, was zijn echtgenoote ontroostbaar.

Zij liet, om steeds met haar man vereenigd te blijven, den

onderaardschen grafkelder bouwen in het park.

Een geheime gang leidde van uit haar vertrekken in het kasteel naar het

graf gewelf, zoodat zij, als zij het graf van haar echtgenoot wilde

bezoeken, haar weg niet door het park behoefde te nemen.

Men noemde dezen grafkelder algemeen in het kasteel en in de naaste

omgeving daarvan „Het praalgraf van den onderkoning.”

Lord Lister legde zijn pakje op het gouden rustbed en opende het.

„Mijn dappere voorvader zal het mij, denk ik, evenmin als de prinses,

kwalijk nemen, dat ik mij hier ga verkleeden.”

Hij ontstak een nieuwe kaars, nam een opvouwbaren spiegel uit het pak

en begon zijn gelaat met allerlei stiften te bewerken als de

volleerdste acteur.

Al spoedig had het een bruinachtige tint gekregen en tevens door het

aanbrengen van bijzondere schaduwen en donkere omranding der oogen een

vrouwelijke uitdrukking.

Uit het meegebrachte pakket nam hij verder een prachtig geborduurd,

zijden gewaad in schrille kleuren. Nadat hij zijn rok had uitgetrokken,

hulde hij zich in het zijden gewaad.

Hij bevestigde een breeden gouden armband om een zijner polsen en

schoof ringen met schitterende steenen aan zijn vingers.

Daarop nam hij een pruik van pikzwarte krullen, bevestigde die op zijn

hoofd en versierde de zwarte haren met een zijden band.

Nadat hij zijn laarzen had uitgetrokken, zijn broekspijpen omgeslagen

en gele zijden schoenen had aangedaan, stond de vorstelijke gestalte

der Indische prinses, waarschijnlijk iets grooter dan zij het in

werkelijkheid was geweest, in haar eigen grafgewelf.

Met een onderzoekenden blik in den vouwspiegel bekeek zij haar eigen

beeld en, het moest gezegd worden, de vermomming was uitstekend

geslaagd.

Het paste echter slecht bij de zijden japon, dat de Indische vorstin nu

twee blinkende revolvers uit het pakket nam, die zij aan weerszijden in

de zakken van het gewaad verborg.

Daarop pakte zij den mannenrok en de laarzen in het leeggeworden

papier, rolde alles zoo klein mogelijk op en verborg het pakje achter

haar eigen doodkist, in het donkerste hoekje van de nis.

Zij liep eenige oogenblikken heen en weer, ging in gedachten verdiept

op het rustbed zitten en mompelde eindelijk:

„Nu moet ik eerst een cigarette rooken!”

Terwijl Raffles, in de vermomming der Indische prinses, zijn cigarette

rookte, keek hij plotseling op.

Hij had een geluid gehoord.

Nu hoorde hij het nog eens.

Al was het nog op verren afstand, toch vernam hij duidelijk schreden.

Het geluid was in het gewelf duidelijk verneembaar.

Lord Lister had zijn cigarette uit den mond genomen, trapte haar uit,

opdat zij niet door zou smeulen en wierp haar achter het graf van den

onderkoning.

Hij blies de kaars uit, drukte de pit tusschen zijn vingers en

luisterde.

De schreden kwamen nader en hij onderscheidde een zuchten als van

iemand, die zwaar ademhaalt.

„Er komt iemand door de onderaardsche gang van het kasteel hierheen!”

fluisterde de Lord.

„Ik ben anders niet nieuwsgierig, maar wie zou nu hier komen en welken

zwaren last zou hij dragen, dat hij zoo zucht? Daar moet ik meer van

weten!”

Lord Lister haastte zich, om een schuilplaats te zoeken en vond die

achter de doodkist der prinses, waar nog voldoende ruimte in de nis

was.

In de gedaante der vorstin kon hij bovendien geen geschiktere

schuilplaats kiezen, vooral, als hij eens lust mocht krijgen om een

woordje met den bezoeker te spreken.

De verrijzing der Indische prinses uit haar graf zou ook den dapperste

schrik aanjagen.

Daar het praalgraf vrij hoog was, behoefde hij slechts op zijn knieën

te gaan zitten om niet gezien te worden, terwijl de marmeren omlijsting

hem een uitstekend steuntje voor zijn armen bood.

In gespannen verwachting keek hij in de duisternis om den hoek van het

praalgraf, vanwaar hij bij voldoende belichting de opening der gang

achter het Boeddhabeeld kon zien.

Luid en zwaar naderden de schreden.

Plotseling werd een zwakke lichtstraal in de gangopening zichtbaar en

de Lord hield zijn blik onafgewend op dezelfde plaats gericht.

Zijn geduld zou beloond worden.

De lichtstraal werd helderder en plotseling kwam een bejaard man

hijgend den grafkelder binnen.

Hij droeg blijkbaar een zware grijze kist op den schouder, terwijl hij

zichzelf bijlichtte door middel van een electrische zaklantaarn.

Hij plaatste zijn lantaarn op een uitstekende punt van het

Boeddhabeeld, nam de grijze kist voorzichtig van zijn schouder en zette

haar voor de zuil neer.

„Duivelsch!” bromde hij op ontevreden toon, „de slechte lucht in die

vervloekte gang en de zware kist, het is bijna te veel voor mij.” Hij

wankelde naar het rustbed en zuchtte.

Toen hij echter een hoog opgeslagen kraag weer neerdeed en den slappen

hoed, die zijn gelaat gedeeltelijk had verborgen, naast zich legde om

het zweet van zijn voorhoofd te vegen, had de schoone prinses, die in

de nis op haar knieën lag en haar oogen niet durfde gelooven, zich zelf

bijna vergeten en een kreet van verbazing geuit.

Maar met zijn gewone zelfbeheersching onderdrukte Lord Lister zijn

verbazing en dacht:

„Kijk eens aan, oom Raynald! Nu ben ik toch nieuwsgierig, wat die hier

te doen heeft, wat hij met die kist gaat doen en of hij het ding of den

inhoud er van hier wil verbergen.”

Lord Raynald was een beetje bekomen van zijn vermoeidheid.

Hij stond op en ging naar zijn kist.

„Een eigenaardige lucht in zoo’n grafkelder,” sprak hij hoofdschuddend.

„Als men niet beter wist, zou men denken, dat het hier naar cigaretten

en waskaarsen rook!

„Maar nu aan het werk!

„Hier zal niemand de papieren zoeken! Hier zijn zij het beste bewaard,

want ik wed, dat niemand behalve ik het geheim van Boeddha kent, dat ik

in mijn jeugd toevallig ontdekte.”

Lord Edward verloor geen syllabe van de woorden van zijn oom en wendde

geen oog van hem af. Maar hoe verbaasd was hij, toen de oude Lord op

het edelgesteente drukte, dat hij reeds zoo dikwijls op de borst van

het Boeddhabeeld had bewonderd. Maar nooit had hij er aan gedacht, dat

de diamant den sleutel vormde van een geheim, dat hem nu onthuld werd.

Zoodra namelijk de oude Lord op den steen had gedrukt, viel het voorste

gedeelte van het beeld tot aan de zuil neer. Lord Lister zag nu, dat de

houten Boeddha hol was en reeds lang tot geheime bergplaats had

gediend, want verschillende afgesloten vakjes werden zichtbaar.

De oude Lord opende met een sleutel een der vakken en ontsloot daarna

de kist, die op den bodem stond. Hieruit nam hij een pak papieren of

documenten, schoof ze in het geopende vak van het Boeddhabeeld en sloot

het weer.

Daarop nam hij verschillende kleinere portefeuilles uit de meegebrachte

kist en verdeelde ze in de andere vakken, die hij alle zorgvuldig weer

afsloot. Eindelijk lichtte hij het voorste stuk van het beeld weer op

en liet het op zijn gewone plaats weer dichtvallen.

Evenals tevoren glimlachte het Indische afgodsbeeld en ook het

scherpste oog had aan dit beeld van houtsnijwerk geen verraderlijke

voeg ontdekt.

„Ziezoo, nu kan mijn lieve neef komen en mij voor het gerecht dagen

terwille van die pachters. Ik zal bezweren, dat er geen papieren

bestaan en ten bewijze zal ik de jury mijn geheele archief ter

beschikking stellen. Dan wordt het tenminste ambtshalve afgestoft!

„En ook om de juweelen der Indische prinses en om zijn erfenis mag hij

komen! Hij kan mij niets bewijzen! En ook van het intrekken der

onterving van den dollen admiraal, zijn vader, weet ik niets!

„Waarom bewaar ik al die prullen eigenlijk? Ik had alles al lang moeten

verbranden! Maar ik weet niet, wat mij steeds ervan terug hield!

„Enfin, alles is goed opgeborgen; hij mag gerust komen en mij ter

verantwoording roepen! Mijn advocaat zal hem de nietigheid zijner

aanspraken bewijzen en zijn brutaliteit om als erfgenaam te willen

optreden en in mijn rechten te treden, zal hem afgeleerd worden!”

De liefdevolle oom lachte boosaardig en zette zijn vilten hoed weer op.

Hij sloot de grijze kist weer, zette haar op zijn schouder, nam het

licht weer op en verliet, zonder om zich heen te kijken, het

onderaardsche verblijf. Weldra was hij in de gang verdwenen en aan Lord

Edwards blikken onttrokken.

De Indische prinses kwam nu voorzichtig uit haar schuilhoek te

voorschijn. Zij snelde naar de opening der gang en luisterde.

De schreden waren bijna niet meer hoorbaar en na eenige oogenblikken

was alles weer doodstil.

Edward Lister stak zijn kaars aan, liep met haastige schreden naar het

Boeddhabeeld en bleef in diep nadenken eenigen tijd voor het

afgodsbeeld staan.

Onrustig liep hij tusschen het beeld en het rustbed heen en weer.

Eindelijk nam hij op het gouden Indische rustbed plaats en leunde met

zijn linkerarm op een der met goud bestikte zijden kussens.

Diepe droefheid om zijn verloren leven maakte zich van hem meester, en

deze oude schurk, dien hij zooeven beluisterd had, was oorzaak van dit

alles. Gloeiende haat laaide in hem op, haat tegen dezen oom, tegen de

maatschappij die slechts de rijken acht en vereert en de armen verstoot

en hun allerlei hinderpalen in den weg legt, die hun beletten, zich

weer op te werken.

En nu, nu hij met zijn vroegere leven had afgedaan, nu hij niet meer

terug kon, nu moest hij door louter toeval vernemen, dat hij toch

gelukkig had kunnen zijn!

Nu begreep hij, dat hij dezen schurk, die reeds zijn vader had bedrogen

en ongelukkig gemaakt, die ook hemzelf in het verderf had gestort, in

een afgrond, waaruit hij niet meer gered kon worden, nu begreep hij,

dat hij zijn oom had kunnen ontmaskeren en bestrijden, als hij slechts

het noodige geduld had gehad om af te wachten tot het juiste oogenblik

gekomen was.

En zijn gedachten verwijlden ook bij het liefelijke jonge meisje, dat

hij te laat op zijn levensweg had ontmoet.

Waarom was dit niet een jaar eerder gebeurd, evenals deze onthulling in

den grafkelder der Indische prinses, bij het praalgraf van den

vice-koning!

Lord Lister No. 0010: De beeltenis der Indische · 第 11 / 20 题