„DE VLOO” OP HET OORLOGSVELD.
De brave Fred was maar een matig kunstenaar in de vermommingskunst en
bovendien lang niet vlug genoeg om het, zooals hij dacht, tegen
detective Marholm te kunnen opnemen.
Lord Lister had het zaakje dadelijk niet vertrouwd, toen hij hoorde,
dat de geslepen Marholm, bijgenaamd „De Vloo”, zich op het oorlogsveld
bevond. Hij was echter op zijn hoede.
„Mij dunkt, neef Robert”, sprak hij, „dat ik iemand op het krakende
grint voor het huis hoor rondsluipen.
„Het zou mij verbazen, als dat niet de beroemde Vloo was! Laat eens
kijken, Robert, zie je er Amerikaansch genoeg uit om voor een detective
te verschijnen? O ja, dat zal wel gaan!”
Hij wierp zelf nog een onderzoekenden blik in den spiegel en
constateerde met genoegen, dat niemand in den reeds eenigszins
grijzenden heer van middelbaren leeftijd, met zijn vollen baard, die
door een vernuftig uitgevonden middel aan zijn gelaat was bevestigd,
den eleganten jongen Lord Lister zou herkennen.
Nogmaals wendde hij zich tot Charly Brand.
„Neef, vergeet niet, dat wij reeds een maand hier zijn, ten einde de
luchtscheepvaart te bestudeeren, zooals op onzen pas vermeld staat!”
„Wat!” riep Charly vol bewondering uit, „hebben wij ook een pas?”
„Natuurlijk!” antwoordde de Lord. „Ik zal wel oppassen om mij uit te
geven voor iets, wat ik niet bewijzen kan. Bovendien heb ik de beide
Amerikanen zoo getrouw mogelijk nagebootst. Zelfs de consul, die hen
toch kent, heeft niets van het bedrog gemerkt!”
„Maar denk je werkelijk, Edward— —”
„Ik verzoek je, aan onze familierelatie te denken; Oom Shaw heet ik!”
„Lieve oom, denkt ge werkelijk, dat Marholm daar buiten is?”
„Natuurlijk! Fred’s vermommingen zijn geen cent waard! Maar kom nu mee
om te dineeren! En laat ons een echte havana opsteken, dat is meer
Amerikaansch! Hier, waarde neef! Ik zal eenige bij mij steken! En nu,
vooruit!”
De beide heeren verlieten de kamer, die Lord Lister zorgvuldig afsloot
en waren door de vestibule naar buiten gegaan, toen van rechts en links
twee gestalten bliksemsnel te voorschijn kwamen, die hun een luid
„halt” toeriepen.
„Wat wilt gij?” riep Lord Lister met een zoo onvervalscht
Yankee-accent, dat Charly op zijn lippen moest bijten.
„Dat is een eigenaardige gewoonte in Engeland om de menschen lastig te
vallen! Als gij wilt bedelen, hier!”
De „oude Amerikaan” greep in zijn vestzak en hield kapitein Baxter met
voorname grootheid een shilling voor.
„Overigens sta ik het niet toe, dat men zich in mijn park ophoudt! Een
volgenden keer moet gij buiten aan het tuinhek wachten, als gij komt
bedelen. Nu, pak maar aan en maak dan dat gij wegkomt!”
Kapitein Baxter was zoo overbluft, dat hij eenige oogenblikken met open
mond bleef staan. Het scheelde niet veel, of hij had den shilling
aangenomen.
Maar ook Marholm, want dat was de andere, keek verbaasd.
Zou hij zich dan toch vergist hebben?
Maar toen hij naar Scotland Yard telephoneerde, liep de achtervolgde
kamerdienaar immers nog voor het huis heen en weer.
Kapitein Baxter was zijn verbazing meester geworden.
„Wij zijn beambten van Scotland Yard en komen niet om te bedelen!”
„Very striking indeed!” riep Lister op Yankee-toon uit.
„Drommels, Robert, wat zeg jij ervan? Van het groote Scotland-Yard, het
beroemdste politiebureau der wereld! En zijt gij werkelijk detectives
van Scotland-Yard?”
Kapitein Baxter gaf zijn collega een stoot in de ribben.
„Wat doe je eigenlijk, Marholm? Dit zijn de goeie niet! Dit zijn immers
Amerikanen! Ge haalt in den laatsten tijd allerlei domme streken uit!”
De Vloo antwoordde niet veel.
„Maar de bediende liep hier toch een heelen tijd op en neer! Ik heb hem
echter niet zien binnengaan en ook niet weer naar buiten komen.”
De beide detectives keken elkaar besluiteloos aan.
Het is in Engeland niet geoorloofd om zonder toestemming of zonder
wettige reden iemands eigendom binnen te dringen en Amerikanen zijn
natuurlijk op de hoogte van dergelijke voorschriften.
„Het was ons een genoegen, heeren, om twee der leden van Scotland-Yard,
wier roem ook tot in Amerika is doorgedrongen, te leeren kennen! Maar
wij zijn juist van plan, te gaan dineeren!”
Kapitein Baxter kreeg moed, hij nam zijn hoed af (want beiden waren in
civiel) en sprak:
„Mag ik mij even aan u voorstellen: kapitein Baxter van Scotland-Yard—
—”
„Wat! De beroemde kapitein Baxter, van wien ik zooveel gelezen heb?
Neen maar, dat is een geluk, mijn beste kapitein! Dat had ik niet
durven droomen! Onze geheele Club zal mond en ooren openzetten, als ik
dat vertel!”
Lord Lister schudde bij deze woorden onophoudelijk de hand van kapitein
Baxter, die met nederigen trots deze overzeesche hulde in ontvangst
nam.
„En van mij zult gij misschien ook reeds gehoord hebben: Mr. William P.
Shaw—in Amerika kent ieder kind mij—uit Chicago!”
„Voor den drommel!” fluisterde Marholm den kapitein toe, „dat is de
grootste milliardair, de oliekoning! Daar hadden wij bijna een leelijke
flater gemaakt! Handjes thuis!”
Dat de groote Amerikaansche industrieel en beursman zich aan hem
voorstelde, vleide Baxter buitengewoon.
Hij knikte glimlachend.
„Mijn collega, Mr. Marholm, heeft zich vergist—”
„Ik weet het nog niet, kapitein,” waagde Marholm het te zeggen, „ik
meende stellig, hem herkend en hem hier voor het huis te hebben
gezien!”
„Zwijg, Marholm, als uw chef een zaak uitlegt aan deze Amerikaansche
heeren! Het was natuurlijk een vergissing van detective Marholm, toen
hij meende, een bediende van den grooten onbekende, Raffles, alias Lord
Lister—”
„Het is omgekeerd, kapitein!” viel de andere detective hem in de rede.
„Gij zijt onuitstaanbaar met uw eeuwige wijsneuzigheid— —hier te zien
binnengaan! Of weet gij misschien iets van zijn aanwezigheid, heeren?”
Lord Lister stond gemoedelijk zijn sigaar te rooken, met de handen in
de broekszakken.
„Wij zullen toch zeker niet ondervraagd worden, Robert?”
„O oom, hoe kunt gij zoo iets denken! De heer Baxter is van top tot
teen een gentleman! Zoo iets zou hij u niet aandoen!”
De kapitein voelde zich zeer gevleid en hief met een afwerend gebaar
zijn hand op.
„Maar waarde heeren, hoe zou ik! Ik vraag maar zoo terloops. Het zou
voor ons van het grootste belang zijn, een spoor te vinden! Die
vervloekte Raffles zet nu reeds een jaar lang geheel Scotland-Yard in
beweging en is niet te vangen!”
„Ach, mijnheer Baxter, dat moet toch een kleinigheid zijn voor iemand
zooals gij! En ook gij, geachte heer detective—hoe was uw naam ook
weer?—maakt op mij den indruk, bijzonder geschikt te zijn voor uw
beroep! Toeval, heeren, enkel toeval, dat hij u tot nu toe is ontsnapt!
„Ik heb hartelijk gelachen om eenige zijner streken, maar voor zoo
geniaal als de verslaggevers der couranten hem aanzien, beschouw ik hem
niet!
„Nu ik u persoonlijk heb leeren kennen, zal ik uw werk met nog grooter
belangstelling volgen dan tot dusverre en het zal mij buitengewoon veel
genoegen doen, als het u eindelijk zal gelukt zijn, hem te vangen!
„En nu wilt u zeker wel een sigaar opsteken; zooals deze krijgt u ze
niet veel! Ze zijn van mijn eigen plantages op Cuba!”
Bij deze woorden haalde Lord Lister een handvol uit zijn borstzak te
voorschijn, die hij hun aanbood.
„Neem ze gerust, kapitein Baxter! Ik heb er nog meer van! En nu,
heeren, vaarwel en veel succes!”
De beide detectives putten zich uit in dankbetuigingen.
Kapitein Baxter drukte den milliardair hartelijk de hand en zoo nam men
op vriendschappelijke wijze afscheid van elkaar, zonder dat de
detectives er zelfs aan hadden gedacht, de passen der Amerikaansche
heeren te vragen.
Zooals wij weten, was echter Lord Lister zelfs op deze mogelijkheid
voorbereid!