De leden van de Londensche Vereeniging van Luchtschippers zouden zeker
meer dan verbaasd zijn geweest, als zij hadden kunnen zien hoe hun
waardige voorzitter zich gedroeg.
Want nauwelijks hadden de Amerikanen onder veel buigingen van Sir
Warren en kapitein Hugglepech het Clubgebouw verlaten, of deze beide
waardige heeren vielen in elkaars armen en voerden te zamen een dans
uit, waarvan men niet met de noodige zekerheid kon bepalen of het een
Indiaansche krijgsdans of een verbeterde Cakewalk moest voorstellen.
Maar ook de beide Amerikanen keken elkaar lachend aan, toen zij met
veerkrachtige schreden het zuidwestelijk deel der reuzenstad aan de
Theems doorliepen, waar de Club van Luchtschippers haar
vereenigingslokaal en ballonhal had.
Per electrische tram begaven zij zich naar het westelijk gedeelte van
Londen, waar de oudste der beide heeren een mooi landhuis bewoonde.
Het was intusschen middag geworden en toen zij het gebouw van een der
groote couranten passeerden, snelden juist de krantenjongens als
bezeten te voet of per rijwiel naar alle richtingen, terwijl zij met
luider stem uitriepen:
„Een nieuwe streek van Raffles!—Raffles, de groote onbekende! Scotland
Yard beetgenomen!—De cigarenkoker als bom!—De meesterdief verdwenen!”—
—
Glimlachend keken de beide Amerikanen elkaar aan.
„Hola, boy!” riep de oudste, „dat moet ik lezen! Een verduivelde kerel,
die Raffles! Wat zeg jij ervan Ch—drommels! ik bedoel: neef Robert uit
Chicago! Daar moet ik eerst nog aan wennen!”
„Zeg, oom Shaw! Weet je waarover ik me verwonder? Hoe zouden die slimme
verslaggevers het klaarspelen, om dat zaakje nu alweer in alle
bijzonderheden aan het lezend publiek te kunnen opdisschen?”
De Amerikaansche oom lachte, terwijl hij de krant betaalde en het
artikel over Raffles doorvloog.
„Ik begrijp wel, hoe ze er aan komen, Cha—Robertje! Dat heeft een goed
vriend van inspecteur Baxter gedaan en dien zullen we wel niet al te
ver van Scotland Yard moeten zoeken!”
„Maar vertel me eens, Edward— — —”
„Sst! Sst! Mijn jongen! Niet zoo onbescheiden! Mijn naam is tot nader
order Shaw uit Chicago en daarbij blijft het!”
Lord Lister, want hij was het, kneep zijn aangenomen neef glimlachend
in het oor.
„Nu ja, dierbare oom! Wij zijn nu immers onder ons! Maar wat wil je om
’s-Hemels wil uithalen met de eerlijke leden van de
Luchtscheepvaart-Vereeniging? Dat begrijp ik niet al te best en het
bedrag, dat je hun hebt toegestaan, lijkt mij voor een gewone grap wel
een beetje heel hoog, in aanmerking genomen onze uitgemergelde kas.
„Neem mij niet kwalijk, als ik uit groote bezorgdheid soms te ver ga,
maar— —”
„Nu ja, Charly, je hebt gelijk, het was eigenlijk geen eerlijke zaak,
maar er kunnen zich omstandigheden voor doen, waaronder het zeer nuttig
is, dat Raffles op de hoogte is van de nieuwste uitvindingen der
moderne wetenschap.
„Een kerel als Raffles moet alles kennen en in geval van nood zelfs een
luchtschip kunnen besturen!
„Trouwens, ik ben niet geheel onervaren op het gebied der techniek,
want hoewel voor mij, als zoon van een Lord, de technische studie
slechts bijzaak was en wij in Eton en Priford hoofdzakelijk aan sport
deden, toch heb ik daar met mijn niet al te slechte hersenen meer
geprofiteerd dan men zou denken.
„Ik zal mijn studies nu voltooien en—ik heb zoo mijn eigen plannetjes,
die ik je te gelegener tijd wel zal meedeelen!”
„En ik?” vroeg Charly nieuwsgierig. „Ik stel bijzonder veel belang in
die dingen! Ik zal al mijn best doen om mij in de geheimen der
luchtscheepvaart in te werken!”
„Dat spreekt vanzelf! Ik denk, dat je er spoedig achter zult zijn—nu,
wij zullen zien!”
De electrische tram voor West-end naderde en bracht de twee heeren met
de gewone snelheid naar de halte vlak bij hun villa.
Met haastige schreden liepen beiden onder de oude boomen en langs de
bloeiende heesters naar het niet al te groote, maar aangenaam,
gerieflijk en weelderig ingerichte buitenverblijf, dat door het groen
bijna geheel voor de blikken der voorbijgangers verborgen was.
Op dit oogenblik kwam een man, die voor het huis scheen te hebben
gewacht, met haastige schreden naar de beide heeren toe, teleurgesteld
bleef hij echter vlak bij hen staan, terwijl hij met een
verontschuldiging zijn hoed afnam.
„Ik meende kennissen te zien, heeren! Maar ik merk, dat ik mij vergist
heb!”
Hij wilde reeds met een beleefde buiging heengaan.
Lord Lister klopte hem op den schouder en sprak.
„Nietwaar, Fred, we hebben ons goed vermomd. Ik heb me trouwens ook
alle mogelijke moeite gegeven om mijn leermeester in het schminken van
Drurylane-theater geen schande aan te doen.”
En tot Charly gericht, vervolgde hij:
„Hoe vindt je dat, Charly! De brave Fred herkent ons zelfs niet. Dat is
toch uiterst vleiend!”
De oude kamerdienaar was stom van verbazing en staarde de beide heeren
met open mond aan.
Daarop echter greep hij de hand van zijn geliefden jongen meester, dien
hij reeds als knaap op zijn arm had gedragen, en drukte ontroerd eene
kus op de blanke vingers.
„Fred, Fred!” lachte de Lord op goedigen toon, „als Mr. Baxter van
Scotland Yard eens zag, dat jij den grootsten misdadiger de hand kust!”
„O, lieve, goede heer! Gelukkig, dat ik beter weet! Ik weet wel, dat
gij alle noodlijdenden helpt en dat uwe zoogenaamde misdaden slechts de
straffen zijn, welke gij den door de wet beschermden schurken oplegt.
„En wel hebt gij, mijn lieve, goede heer, daartoe het recht! Want heb
ik niet met eigen oogen gezien, hoe de woekeraars en bloedzuigers den
armen admiraal, uw ruwen maar goedhartigen vader, geen gelukkig of
rustig oogenblik meer lieten, totdat hij geen raad meer wist en zijn
toevlucht zocht tot het pistool?
„En dat alles was alleen het werk van den jongeren broer van onzen
admiraal, die nu Lord Lister van het kasteel Canaroon is, dit wist
iedereen.
„Het was immers heel gemakkelijk, om achter den rug van den admiraal,
als deze op de verre zeeën vertoefde, te stoken en te liegen!
„Ja, ja, Lord Edward, schurken hebben u uw rechtmatig erfdeel
ontstolen, en gij hebt honderdmaal gelijk, als gij u wreekt!
„En als er eerlijke lui in de Jury zitten wanneer het eenmaal zoover
mocht komen, dan verzeker ik u, en ik zal voor u getuigen, als ik nog
tot de levenden behoor, dat geen van hen u uwe daden kwalijk zal nemen.
„Zij zullen u schitterend vrijspreken en u zoo mogelijk nog een prijsje
geven voor uw ridderlijk optreden, voor uw afstraffing van misdadigers
en woekeraars en voor alle weldadige hulp, die uw gezegende handen
hebben verschaft aan armen en noodlijdenden!”
„Nu Fred,” antwoordde de Lord op schertsenden toon, terwijl zij het
huis naderden, „ik wil het toch liever niet laten aankomen op het
gunstige oordeel van een Jury, zoolang ik het vermijden kan!
„Juist daarom hebben wij ons tijdelijk in deze pseudo-Amerikaansche
huid gestoken. Ik heb de eer, mij aan je voor te stellen als den
grooten milliardair van de Vereenigde Staten, Mr. Shaw en dit is mijn
neef, de veelbelovende Mr. Robert Bentley-Shaw.
„Onthoud de namen goed! Jij weet van niets en je meester is voor zoover
hij het jou heeft meegedeeld, een reis om de wereld begonnen; je weet
natuurlijk niet, in welke richting of langs welken weg!”
„Dat spreekt vanzelf, mijnheer! Ik heb tranen gelachen, toen de heeren
van Scotland Yard zoo beleefd miss Walton en mij hielpen om den koffer
op te laden! Want ik wist immers, dat hij leeg was geweest en ik
begreep, wat erin verborgen was!”
„Sst, Fred, mondje dicht! Ik weet, dat ik je vertrouwen kan, maar je
hebt één gebrek!”
„O, mijnheer, hoe zou ik—”
„Ja, Fred, één fout heb je en die had je al in mijn jeugd. Toen reeds
pochte je te veel op de kwajongensstreken van je jongen meester en
daardoor heb je mij menig standje bezorgd. Ik hoop intusschen, dat je
die gewoonte hebt afgeleerd en niet weer in die beminnelijke fout zult
vervallen!”
Fred moest met komische wanhoop toegeven. Hij beloofde echter, zich in
dat opzicht geheel te zullen veranderen, hoeveel moeite het hem ook
mocht kosten.
Hij beijverde zich nu, zijn plichten als kamerdienaar na te komen en
weldra stond een uitstekende lunch voor de heeren gereed en men zag het
duidelijk aan Fred, terwijl hij de wijnglazen vulde, hoe goed het hem
deed, zijn heer weer te mogen bedienen.
Nadat Lord Lister een cigarette had aangestoken, leunde hij in zijn
stoel achterover en sprak:
„Een beetje nieuwsgierig ben ik nu toch wel, Fred! Waarom ben je
eigenlijk hierheen gekomen? Want ik begrijp, dat je niet zonder reden
de argusoogen van Scotland Yard hebt getrotseerd. Buitendien heb je
mijn bevel om mij alleen bij gewichtige aangelegenheden op te zoeken.”
De bediende streek met de hand door zijn haar.
„Ezel, die ik ben! Uit groote blijdschap, u terug te zien, zou ik alles
vergeten!
„Ja, het was niet gemakkelijk om onopgemerkt hier te komen. Maar ik heb
Londen eerst in alle richtingen per tram doorkruist, totdat ik
eindelijk dien vervloekten detective die „Vloo” wordt genoemd, heb
verschalkt.
„Enfin, het gelukte.
„Aan het Oosterstation verkleedde ik mij en daar zag ik den detective
nog rondloeren. Maar hij keek rond naar een kamerdienaar en niet naar
een gewoon heer, want als zoodanig ging ik langs hem heen en nam ik een
tram naar het Westend.
„Toen had de speurhond mijn spoor verloren.
„En hier is de brief!” Bij deze woorden haalde Fred een brief te
voorschijn, welken hij zijn meester overhandigde.
„Waarom denk je, dat deze brief van zoo groot gewicht is? Ik ben zeer
tevreden over jou en je groote voorzichtigheid, maar ongevaarlijk was
je komst niet! Ondanks je goeden wil had je ons het geheele gezelschap
van Scotland Yard op ons dak kunnen sturen!”
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar staat op het stempel niet
Canaroon te lezen? Als het eens een boodschap was van zijn Lordschap,
uw oom! Wie weet, wat er voor u op het spel staat! En als de oude
gierigaard en woekeraar—u vergeeft mij zeker wel, dat ik uw oom zoo
durf noemen?—het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld—God moge
het mij vergeven—maar dat zou de gelukkigste dag van mijn leven zijn!
„Zou uw Lordschap dan niet het u zoo schandelijk onthouden erfdeel in
ontvangst moeten nemen?”
„Nu ja, ik moet toegeven, dat je het recht had om de zaak als gewichtig
te beschouwen! Maar die is niet te vertrouwen! Hij is de beste kracht
van geheel Scotland Yard, kapitein Baxter incluis!”
„Gij kunt er zoo zeker van zijn als dat tweemaal twee vier is, dat ik
hem ben ontsnapt!” verzekerde Fred met overtuiging.
„Laat ons het hopen!” antwoordde Lister, terwijl hij den brief opende.
Nauwelijks had hij de weinige regels doorgelezen, of hij sprong op.
Zijn oogen fonkelden en de aderen op zijn voorhoofd zwollen op.
Charly keek zijn vriend en meester verschrikt aan. Zoo had hij hem nog
nooit gezien.
Hij voelde, dat het op dit oogenblik niet geraden zou zijn, Lord Lister
tegen te spreken.
Deze echter sloeg vol minachting met zijn vlakke hand op den brief.
„Daarin herken ik mijn oom! Maar deze schandelijke daad zal niet geduld
worden, zoo waarachtig als ik de eigenlijke en ware erfgenaam van het
kasteel Canaroon ben, zoo waar als mijn edele vader het slachtoffer is
geworden van listen en hinderlagen en gemeene schurkenstreken!”
„Dus werkelijk van mijnheer uw oom!” mompelde de oude dienaar.
„Neen, deze brief is niet van mijn oom zelf, maar hij brengt mij op de
hoogte van een nieuwe schurkenstreek van dezen ontaarden afstammeling
onzer familie!
„Het is een noodkreet van onzen ouden erfpachter, die zich, tevens uit
naam van verschillende lotgenooten, tot mij wendt.
„Van jaar tot jaar heeft de oude woekeraar de pacht verhoogd, totdat ze
niet meer opgebracht kan worden.
„Met een beklemd hart hebben de pachters gehoorzaamd, om niet den grond
te moeten verlaten, die reeds honderden jaren door hun familie werd
bebouwd.
„Zij hebben op betere tijden gehoopt, maar ongunstig weer en slechte
oogsten hebben hun teleurgesteld. Zij kunnen de pacht niet meer
opbrengen.
„Deze woekeraar echter, die veel slechter is dan de jood Shylock,
blijft op zijn stuk staan. Als zij niet op den bepaalden datum betalen,
worden zij volgens wet en recht verdreven.
„Als bedelaars moeten zij met vrouwen en kinderen den grond verlaten,
waarop hun voorouders honderden jaren als vlijtige, degelijke
landbouwers in aanzien en eer waren, en die nooit een dag te laat hun
erfpacht aan de Listers hebben opgebracht.
„Dat is de dank van een schurk voor honderdjarige trouwe diensten, dat
men de menschen van hun huis en hof verjaagt.
„Maar ik wil niet, dat het zal gebeuren, want ook ik ben een Lister, en
ik ben de eigenlijke Lord, niet hij, die op het kasteel woont!”
De oude Fred had de handen gevouwen en een dikke traan rolde over zijn
gerimpelde wangen in zijn grijzen baard.
„Een echte Lister, dat is mijn Lord! O, ik weet het, gij zult niet
dulden, dat de trouwe, vlijtige Mac Karthy en de anderen ten gronde
gaan! Het zal u gelukken, Lord Edward, want wat gij onderneemt, daarop
rust Gods zegen!”
„Ja, ik zal dezen schurkenstreek verhinderen. Mac Karthy zal niet
tevergeefs mijn hulp hebben ingeroepen. Hier heb je geld, Fred! Het is
goed, als je niet al te spoedig weer in de villa verschijnt, kerel!”
De Lord nam een pak bankbiljetten uit zijn portefeuille en overhandigde
dit aan Fred, die hem vol spanning aankeek.
„Je vertrekt”, vervolgde de Lord, „dadelijk van hier naar Holyhead en
verder per stoomboot naar Dublin.
„Daar huur of beter koop je twee goede paarden met rijtuig en wacht op
mij in de je welbekende Three-roads-Tun in de Zuidelijke voorstad.
„Verder is hier een sleutel van het kleine tuinpoortje, waarvan ik als
Raffles gebruik maak. Het poortje is van buitenaf moeilijk te
onderscheiden.
„Hiervan kan je gebruik maken, omdat ik den detective niet vertrouw.
„En nu, maak je dadelijk gereed!”
Fred was vol vuur. Hij had in langen tijd zijn Iersch vaderland niet
gezien en vooral het bewustzijn, er bij tegenwoordig te mogen wezen als
zijn aangebeden jonge Lord de ongelukkige pachters redde uit de klauwen
van zijn vrekkigen oom, deed zijn hart zwellen van trots.
Haastig nam hij afscheid en snelde langs een hem door Lord Lister
aangeduiden weg dwars door struiken en kreupelhout naar een bijna
onzichtbare houten deur in de schutting. Het poortje was goed geolied
en kon dus onhoorbaar worden geopend en gesloten.
De kamerdienaar kwam dicht bij een andere villa in een andere straat
uit en bereikte onopgemerkt een daar gereedstaande omnibus, welke hem
tot vlak bij het Noorderstation bracht.
Intusschen had Lord Lister een versche sigarette opgestoken en nogmaals
den brief van Mac Karthy doorgelezen.
Plotseling keek hij op.
„Hoorde je niets buiten in den tuin?” vroeg hij, scherp luisterend,
maar met de grootste kalmte.