VI.

De kring mijner kennissen breidt zich uit.

Ik had ongeveer eene maand dit leven geleid, toen de man met het houten

been begon rond te stampen met een dweil en een emmer water, hetgeen

mij deed vermoeden, dat er voorbereidingen getroffen werden tot de

ontvangst van mijnheer Creakle en de jongens. Ik had mij hierin niet

vergist, want de schoonmaakwoede strekte zich ook uit tot de schoolzaal

en joeg mijnheer Mell en mij er uit, die maar moesten zien waar wij

bleven. Gedurende eenige dagen liepen wij voortdurend twee of drie

jonge meiden in den weg, die zich tot nu toe slechts zelden vertoond

hadden; wij moesten telkens groote, dikke stofwolken trotseeren, zoodat

ik ieder oogenblik moest niezen alsof Salem House een groote snuifdoos

was.

Op zekeren dag deelde mijnheer Mell mij mede, dat mijnheer Creakle dien

avond zou thuis komen. Na de thee vernam ik, dat hij gekomen was en nog

voor ik naar bed ging, werd ik door den man met het houten been gehaald

om voor hem te verschijnen.

Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was vrij wat

gezelliger ingericht dan het onze en hij had een aardig tuintje, dat

heel mooi was, vergeleken met de stofferige speelplaats, een woestijn

in miniatuur, waarin alleen kameelen en dromedarissen zich tehuis

zouden hebben gevoeld. Het kwam mij hoogst vermetel van mij voor, de

opmerking te durven maken, dat de gang er zoo netjes uitzag, toen ik

bevend van angst op weg was naar mijnheer Creakle; ik was zoo verlegen,

toen ik in zijne tegenwoordigheid verscheen, dat ik mevrouw Creakle

en juffrouw Creakle, die beiden in de kamer waren, nauwelijks zag,

ja, eigenlijk niets anders zag dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig

man, met een zwaren horlogeketting, waaraan eenige dikke cachetten

bengelden, gezeten in een grooten armstoel met een bierglas en een

flesch naast zich.

„Zoo!” sprak mijnheer Creakle. „Is dat de jongeheer, wiens tanden

moeten afgevijld worden? Draai hem eens om.”

De man met het houten been draaide mij rond, zoodat ik het plakkaat

naar alle windstreken vertoonde, en nadat hij de familie in de

gelegenheid gesteld had het goed te bekijken, draaide hij mij nogmaals

rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, en ging toen naast zijn

meester staan. Mijnheer Creakle's gezicht was vuurrood en de kleine

oogen lagen diep in zijn hoofd; op het voorhoofd lagen eenige dik

gezwollen aderen, zijn neus was klein en zijne kin zeer breed. Hij had

een kale kruin en aan de slapen een weinig dun, grijzend haar. Wat mij

echter het meest trof was, dat hij geen stem scheen te hebben, maar

altijd fluisterde. De inspanning, die hem dit kostte, of de bewustheid,

dat hij zich niet verstaanbaar maken kon, verergerde nog de nijdige

uitdrukking op zijn breed gezicht en deed de aderen nog meer opzwellen

wanneer hij sprak, zoodat het mij, als ik aan dat oogenblik terugdenk,

niet verwondert, dat mij deze bijzonderheid het meest trof.

„Wel,” sprak hij, „welke rapporten hebt gij over dezen jongeheer?”

„Er is niets bijzonders met hem voorgevallen,” antwoordde de man met

het houten been. „De gelegenheid om kwaad te doen ontbrak geheel.”

Ik meende op te merken, dat mijnheer Creakle teleurgesteld was; doch

ik meende ook op te merken, dat mevrouw en juffrouw Creakle—die ik nu

voor het eerst durfde aankijken, en die beiden zeer mager waren en geen

woord meespraken—niet teleurgesteld waren.

„Kom hier, jongeheer!” zei mijnheer Creakle, mij tot zich wenkend.

„Kom hier!” herhaalde de man met het houten been met hetzelfde gebaar.

„Ik heb het genoegen uw stiefvader te kennen,” fluisterde mijnheer

Creakle, terwijl hij mij bij een oor nam; „hij is een braaf man met een

flink karakter. Hij kent mij en ik ken hem. Kent gij mij al? Hè!” vroeg

hij, terwijl hij mij met wreed genoegen in het oor kneep.

„Nog niet, mijnheer,” antwoordde ik, ineenkrimpend van pijn.

„Nog niet? Hè?” herhaalde mijnheer Creakle. „Gij zult mij spoedig

leeren kennen. Hè?”

„Gij zult mijnheer Creakle spoedig leeren kennen,” herhaalde de man met

het houten been. Later begreep ik, dat hij met zijne zware stem als

tolk optrad tegenover de jongens.

Ik stond te beven als een riet en zei dat ik het hoopte, indien hij

het verkoos. Gedurende al dien tijd had ik een gevoel alsof mijn oor

langzaam in een kool vuur veranderde, zoo hard kneep hij er in.

„Ik zal u eens vertellen wat ik ben,” fluisterde mijnheer Creakle,

terwijl hij mijn oor losliet met een kneep tot afscheid, die mij de

tranen in de oogen bracht.

„Ik ben een Tartaar.”

„Een Tartaar,” herhaalde de man met het houten been.

„Wanneer ik zeg, dat ik iets doen wil, dan doe ik het,” zei mijnheer

Creakle, „en wanneer ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik

het gedaan hebben.”.... „Iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan

hebben,” herhaalde de man met het houten been.

„Ik heb een vast karakter,” ging mijnheer Creakle voort. „Dat heb ik.

Ik doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn eigen vleesch en bloed”—terwijl

hij dit zeide keek hij mevrouw Creakle aan—„is mijn eigen vleesch en

bloed niet, wanneer het tegen mij opstaat. Dan verloochen ik het. Is

die man hier weer geweest?” Deze laatste vraag, werd aan den man met

het houten been gedaan.

„Neen,” was het antwoord.

„Neen,” zei mijnheer Creakle. „Hij weet wel beter. Hij kent mij.

Laat hem wegblijven. Laat hem wegblijven,” herhaalde mijnheer

Creakle, terwijl hij met de hand over de tafel streek en mevrouw

Creakle aankeek, „hij kent mij. En nu hebt gij mij ook leeren kennen,

jongeheer; gij kunt nu heengaan. Breng hem weg.”

Ik was heel blij, dat ik kon heengaan, want mevrouw en juffrouw Creakle

wischten beiden hare oogen af en ik had even goed medelijden met haar

als met mij zelven. Ik had echter nog een verzoek op het hart, dat ik

niet kon uitstellen, al verwonderde het mij naderhand, dat ik den moed

had gehad het te doen.

„Mag ik u iets vragen, mijnheer....”

Mijnheer Creakle fluisterde: „Zoo? Wat dan?” en keek mij aan alsof hij

mij met zijne oogen wilde in brand steken.

„Och, mijnheer,” stotterde ik, „ik heb werkelijk zooveel berouw over

hetgeen ik gedaan heb, maar zoudt u dit papier niet willen laten

wegnemen, vóór de jongens komen....”

Of mijnheer Creakle het meende of dat hij het alleen deed om mij bang

te maken, weet ik niet, maar hij sprong van zijn stoel op, zoodat ik

hals over kop aftrok, zonder te wachten op het geleide van den man met

het houten been en niet omziende voor ik de slaapkamer bereikt had.

Toen ik bemerkte, dat ik niet vervolgd werd, begaf ik mij naar bed en

lag eenige uren achtereen te beven.

Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp was de

eigenlijke hoofdonderwijzer en stond boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell

gebruikte de maaltijden met de jongens; mijnheer Sharp met de familie

Creakle. Naar het mij voorkwam, zag mijnheer Sharp er zwak en tenger

uit; hij had een grooten neus en eene manier om zijn hoofd op zijde te

dragen, alsof het hem veel te zwaar was. Er lag een eigenaardige glans

over zijn krullend haar, maar de eerste jongen, die terugkwam, vertelde

mij terstond, dat mijnheer Sharp een pruik droeg—een half-sleetsche,

zooals hij beweerde—en elken Zaterdagnamiddag uitging om zijne pruik

te laten opkrullen.

Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij deze mededeeling

deed. Hij was de eerste jongen, die terugkeerde, en maakte zich aan

mij bekend door te zeggen, dat ik zijn naam zou vinden op den rechter

hoek van de deur boven den grendel. Ik antwoordde: „O, dan zijt gij

Traddles?” waarop hij zei: „Juist geraden” en toen moest ik hem alles

vertellen van mij zelven en van mijne familie.

Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het eerst

terugkwam. Hij had zooveel plezier in mijn plakkaat, dat hij mij de

onaangename taak bespaarde van het verborgen te moeten houden, of het

door de jongens een voor een ontdekt te zien. Aan elken jongen, groot,

en klein, vertoonde hij het onmiddellijk bij zijne aankomst ongeveer

met deze woorden: „Kijk eens hier! Wat een grap!” Gelukkig waren de

meeste jongens wat neerslachtig gestemd, zoodat zij mij niet zoo in de

maling namen, als ik gevreesd had. Eenige begonnen, wel is waar, als

Indianen om mij heen te dansen, en een groot aantal onder hen kon de

verzoeking niet weerstaan van te doen of ik een hond was, en van mij

te aaien en te streelen, opdat ik hen niet zou bijten, en van „Koest,

hond!” te roepen; maar al was dit heel vervelend voor mij, en al kostte

het mij eenige tranen, zij waren toch niet zoo uitgelaten als ik

verwacht had.

Ik werd echter nog niet als kameraad beschouwd voor J. Steerforth was

aangekomen. Voor dezen jongen, die den naam had van zeer knap te zijn,

er goed uitzag en ongeveer zes jaar ouder was dan ik, werd ik gebracht

als voor een overheidspersoon. Hij ondervroeg mij onder een afdak op de

speelplaats over de bijzonderheden van mijn misdrijf, en was daarna wel

zoo goed te zeggen, dat het „mooi schande” was mij zoo te straffen,

voor welke woorden ik hem eeuwig dankbaar beloofde te blijven.

„Hoeveel geld hebt gij medegebracht, Copperfield?” vroeg hij naast

mij loopende, nadat hij zijn oordeel op bovengenoemde wijze had

uitgesproken.

Ik vertelde hem, dat ik nog in het bezit was van zeven shillings.

„Gij deedt beter mij die te geven, om ze te bewaren,” zeide hij. „Dat

wil zeggen: gij kunt dat doen als gij het goed vindt. Gij behoeft het

niet te doen als gij het niet goed vindt.”

Ik haastte mij zijn vriendelijken raad op te volgen en schudde

Peggotty's beursje in zijne hand ledig.

„Zoudt gij er nu ook iets van willen uitgeven?” vroeg hij.

„Neen, dank u”, antwoordde ik.

„Gij kunt het, als gij wilt, begrijpt gij?” vervolgde Steerforth. „Gij

hebt slechts één woord te spreken.”

„Neen, dank u, mijnheer,” herhaalde ik.

„Misschien zoudt ge wel een paar shillings willen uitgeven voor

een flesch bessenwijn; wij kunnen die dan straks op de slaapkamer

leegdrinken,” zei Steerforth. „Ik heb gezien, dat gij bij mij op de

kamer slaapt.”

Zoo iets was zeker nog nooit bij mij opgekomen, maar ik zei: „Ja, dat

zou ik wel willen doen.”

„Heel goed,” hernam Steerforth. „Het zal u zeker wel aangenaam zijn een

anderen shilling te besteden aan amandelkoekjes?” voegde hij er bij.

„Ja,” zei ik, „dat zou ik heel aangenaam vinden.”

„En een shilling of zoo aan biscuits en een aan vruchten, hé?”

vervolgde Steerforth. „Het moet maar op, Copperfieldje!”

Ik glimlachte omdat hij ook glimlachte, maar ik was toch niet bijzonder

in mijn schik.

„Wel,” zij hij, „wij moeten er een zoo goed mogelijk gebruik van maken,

dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan, wanneer ik

wil, en zal alles wel binnensmokkelen.” Met deze woorden stak hij al

het geld in den zak en zei allervriendelijkst, dat ik er niet de minste

moeite mede mocht hebben; hij zou wel zorgen, dat alles in orde kwam.

Steerforth hield zijn woord indien namelijk „in orde” mocht genoemd

worden hetgeen ik heimelijk meende, dat volstrekt niet in orde was;

ik had het gevoel, dat ik de twee halve kronen mijner moeder op de

schromelijkste wijze verkwistte, al had ik het papier, waarin ze

gerold waren geweest, als een kostbaar aandenken bewaard. Toen wij op

de slaapkamer waren, om naar bed te gaan, had hij de zeven shillings

omgezet in allerlei lekkernijen, die hij op mijn bed zette, zeggende:

„Ziedaar, kleine Copperfield, het is een koninklijk maal, dat ik u

breng.”

Ik kon er niet aan denken de honneurs waar te nemen, terwijl hij er

bij was; hij, die zooveel ouder was dan ik; mijne hand beefde bij

het denkbeeld. Ik verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen van

president te zijn en aangezien mijn verzoek door de andere jongens

ondersteund werd, gaf hij er gehoor aan en ging op mijn kussen zitten

om alles rond te deelen met de grootste onpartijdigheid—dat moet ik

zeggen. De bessenwijn ging rond in een klein glaasje zonder voet, dat

zijn bijzonder eigendom was. Ik zat aan zijne linkerhand, terwijl de

andere jongens om ons heen gegroepeerd waren, op den vloer en op de

andere bedden.

Hoe duidelijk zie ik ons daar nog zitten, niet anders dan fluisterend

durvende spreken; of liever ik durfde niet anders dan fluisteren,

terwijl de anderen hardop spraken. Het licht der maan scheen in onze

kamer en teekende het venster, waardoor het binnenviel, verkleind op

den grond; terwijl wij in het donker zaten, behalve wanneer Steerforth

een lucifer aanstak om iets op onze tafel te zoeken; dan verspreidde

zich een blauwachtig schijnsel over ons, dat terstond weder verdween.

Een zeker geheimzinnig gevoel, opgewekt door de duisternis om ons

heen, door het bleeke maanlicht en het op fluisterenden toon gevoerde

gesprek, maakte zich opnieuw van mij meester; naar alles wat zij mij

vertelden, luisterde ik met een onbestemd gevoel van diep ontzag en

tevens van angst, zoodat ik heimelijk blijde was, dat zij allen om

mij heen zaten en—hoewel ik veinsde te lachen—inwendig beefde toen

Traddles beweerde, dat er een spook zat in een van de hoeken.

Ik vernam allerlei dingen omtrent de school en wat daartoe behoorde. Ik

vernam, dat mijnheer Creakle niet zonder grond beweerde, een Tartaar

te zijn, dat hij de strengste en onmeedoogendste meester was, die er

bestond; dat hij elken dag om zich heen sloeg, rechts en links, op

de jongens inrende en hen onbarmhartig ranselde. Dat hij zelf niets

kende dan de wijze, waarop hij het best kon ranselen en—Steerforth

verklaarde het—nog dommer was dan de domste jongen; dat hij, vele

jaren geleden, een eenvoudig koopman in hop geweest was en een school

had opgezet, nadat hij bankroet gemaakt had in de hop en het geld van

mevrouw Creakle verdwenen was. En nog veel meer dergelijke verhalen

werden mij gedaan; terwijl ik mij verbaasde hoe de jongens ze wisten.

Ik vernam ook dat de man met het houten been Tungay heette en een

onhandelbare barbaar was; hij had medegedaan in de hop en was aan

de school verbonden, omdat hij, volgens sommige jongens, zijn been

gebroken had in dienst van mijnheer Creakle, allerlei oneerlijke

handelingen met mijnheer Creakle bedreven had en al diens geheimen

kende. Ik vernam, dat Tungay allen, die tot de inrichting behoorden,

meesters zoowel als jongens,—mijnheer Creakle uitgezonderd—als zijne

natuurlijke vijanden beschouwde en dat zijn eenige genoegen daarin

bestond altijd knorrig en kwaadaardig te zijn. Ik vernam dat mijnheer

Creakle een zoon had, die geen vriend was geweest van Tungay en die, in

de school helpende, zich eens verzet had tegen zijn vader, toen deze

eene bijzonder wreede tuchtiging had bedacht; ook zou hij—maar dit

wist men niet zeker—zijn opgekomen tegen de wijze, waarop mijnheer

Creakle zijne moeder behandelde. Mijnheer Creakle zou hem toen de deur

hebben gewezen en mijnheer en mevrouw Creakle zouden na dien tijd

steeds in onmin geleefd hebben en nog leven.

Het verwonderlijkste, dat ik echter aangaande mijnheer Creakle vernam,

was dat er één jongen op de school was, dien hij het niet waagde ook

maar met een hand aan te raken en dat deze jongen J. Steerforth was.

Steerforth bevestigde dit verhaal zelf en voegde er bij, dat hij wel

eens zou willen zien, dat mijnheer Creakle het probeerde. Toen een van

de zachtzinnigste jongens (ik niet) hem vroeg, wat hij dan zou doen,

stak hij een lucifer af, opdat wij niet alleen zouden hooren, maar ook

zouden zien wat hij doen zou. „Ik zou hem,” zei hij, „een slag geven

met de inktflesch tegen het voorhoofd, zoodat hij neerviel als een

gedolde stier.” Wij zaten na dit antwoord eenigen tijd sprakeloos en

ademloos in het duister.

Ik vernam, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell, volgens het vermoeden

van de jongens, erbarmelijk betaald werden en dat, wanneer er warm en

koud vleesch op mijnheer Creakle's tafel was, van mijnheer Sharp altijd

verwacht werd, dat hij het koude vleesch zou verkiezen; dit werd al

weder door J. Steerforth bevestigd, de eenige jongen die wel eens aan

mijnheer Creakle's tafel at. Ik vernam, dat mijnheer Sharp's pruik

hem niet paste en hij er niet zoo mede behoefde te pronken—„er mee

te geuren,” zei een van de jongens—want dat zijn roode haren er van

achteren toch onderuit kwamen.

Ik vernam, dat van een jongen, een zoon van een kolenkoopman, de

schoolrekening met kolen betaald werd en hij daarom „Wissel- of

Ruilhandel” genoemd werd, een naam, dien men in een der rekenboeken

gevonden had. Ik vernam, dat het bier aan tafel een middel was om

de ouders af te zetten, en dat de pudding niets was dan bedrog. Ik

vernam dat men algemeen geloofde, dat juffrouw Creakle verliefd was

op Steerforth, en ik moet zeggen, toen ik daar in het donker zijne

welluidende stem hoorde en aan zijn knap gezicht, zijne aangename

manieren en zijn krullekop dacht, toen achtte ik dit volstrekt niet

onwaarschijnlijk. Ik vernam, dat mijnheer Mell over het geheel niet

kwaad was, maar dat hij nooit een stuiver op zak had en dat de oude

juffrouw Mell, zijne moeder, zoo arm was als Job. Ik dacht toen aan

mijn ontbijt in Londen en aan iets, dat geklonken had als „mijn Karel,”

maar ik zweeg hierover als een muis; ik herinner mij dat altijd nog met

genoegen.

Al deze en nog vele andere verhalen duurden nog voort, toen het souper

reeds was afgeloopen. Het grootste gedeelte van de gasten was naar bed

gegaan, toen er niets meer te eten en te drinken was; en wij, die half

ontkleed waren blijven fluisteren en luisteren, volgden eindelijk hun

voorbeeld.

„Goeden nacht, Copperfieldje”, zei Steerforth. „Ik zal voor u zorgen,

hoor!”

„Gij zijt wel vriendelijk”, antwoordde ik dankbaar. „Ik ben u zeer

verplicht.”

„Hebt gij ook eene zuster?” vroeg hij geeuwende.

„Neen”, antwoordde ik.

„Dat is jammer”, hernam hij. „Indien gij er eene hadt, zou zij zeker

een mooi, lief, klein meisje zijn met schitterende oogjes. Ik zou dan

wel eens kennis met haar willen maken. Goeden nacht, Copperfieldje.”

„Goeden nacht, mijnheer”, antwoordde ik.

Toen ik te bed lag, moest ik voortdurend aan hem denken, en ik herinner

mij, dat ik in bed ging opzitten om hem te zien, zooals hij daar door

de maan beschenen in bed lag, met zijn mooi gezicht naar mij toe en

den arm onder het hoofd. Hij was in mijne oogen iemand, die veel had

in te brengen, en daarom was mijne ziel zoo met hem vervuld. Van de

schaduw, die de toekomst over zijn beeld zou werpen, was nog niets te

zien. Zijne voetstappen hadden nog geen sporen achtergelaten in den

heerlijken tuin, waarin ik dien geheelen nacht in mijne droomen met hem

wandelde.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 19 / 79 题