Verbannen.
Wij hadden ongeveer eene halve mijl afgelegd en mijn zakdoek was
doornat, toen de kar plotseling bleef staan. Toen ik uitkeek naar
de aanleiding tot dit oponthoud, zag ik tot mijne groote verbazing
Peggotty door een heg kruipen en in de kar klimmen. Zij nam mij in
hare armen en drukte mij zoo stijf tegen haar korset, dat mijn neus
voor een oogenblik ophield een vooruitstekend lichaamsdeel te zijn; ik
dacht echter niet aan pijn voor langen tijd daarna. Peggotty sprak geen
woord. Zij liet een harer armen los en stak dien tot aan den elleboog
in haar zak, haalde er een papier uit met koekjes en stopte dat in
mijn zak, benevens een beurs, die zij mij in de hand duwde, zonder een
woord te spreken. Na mij nogmaals en nogmaals omhelsd te hebben, liet
zij zich van de kar afglijden en liep weg zoo hard zij kon; ik geloofde
toen en ik geloof het nog, dat zij op dat oogenblik geen enkel knoopje
meer rijk was aan hare japon. Ik raapte er een op—naast de kar lagen
er verscheidene—en bewaarde het als een aandenken, jaren en jaren
achtereen.
De voerman keek mij aan alsof hij van mij wilde weten of zij nog
terugkwam. Ik schudde het hoofd en zei „neen.” „Vooruit dan,” zei de
voerman tegen zijn dommelig paard, dat op die aanmaning ook werkelijk
vooruitging.
Aangezien ik nu zooveel geschreid had als mij eenigszins mogelijk
was, begon ik te begrijpen dat het tot niets diende om nog langer te
schreien, te meer wijl noch Roderick Random, noch die kapitein van de
Koninklijke Marine, voor zoo ver ik mij herinnerde, ooit geschreid
hadden in kritieke gevallen. De voerman scheen te begrijpen welk
besluit ik genomen had, en stelde voor mijn zakdoek over den rug van
het paard uit te spreiden om te drogen. Ik nam dat voorstel dankbaar
aan en o, wat leek die zakdoek klein, toen hij daar op dien breeden rug
lag.
Ik had nu tijd genoeg om de beurs te bekijken. Het was een stijf
lederen beursje met een knip en bevatte twee blanke shillingen, die
Peggotty blijkbaar met krijt had opgepoetst, om mij genoegen te doen.
Maar het kostbaarste van den inhoud waren twee halve kronen in een
papiertje, waarop mijne moeder zelve geschreven had: „Voor David, voor
mijn lieveling.” Ik was zoo ontroerd toen ik deze woorden las, dat ik
den voerman verzocht mij den zakdoek eens aan te reiken; hij meende
echter dat ik het maar zonder zakdoek doen moest, en ik meende dat hij
gelijk had, waarom ik mijne oogen met de mouw van mijn buis afveegde en
verder mijne tranen binnenhield. En—voor goed; hoewel de aandoening
van het laatste uur mij nu en dan nog wel eens een diepen snik
afperste. Nadat wij zoo eenigen tijd zwijgend waren voortgesukkeld,
vroeg ik den voerman of hij mij heelemaal wegbracht.
„Wat is heelemaal?” vroeg de voerman.
„Tot ‚daar’,” zei ik.
„Waar is ‚daar’?” vroeg hij.
„Dicht bij Londen,” zei ik.
„Wel, het paard,” antwoordde de voerman, terwijl hij de teugels aantrok
om aan te geven welk paard hij bedoelde, „zou het afgelegd hebben eer
wij half weg waren.”
„Gaat gij dan niet verder dan Yarmouth?” vroeg ik.
„Ja, tot Yarmouth,” antwoordde de voerman, „en daar breng ik u op den
omnibus en de omnibus brengt u waar gij wezen moet.”
Aangezien zulk een lang antwoord voor Barkis—zoo heette de
voerman—een heel ding was—hij scheen mij bijzonder leuk toe en een
vijand van praten—bood ik hem als blijk van erkentelijkheid een koekje
aan, dat hij in eens in den mond stak, evenals een oliphant, en dat
niet meer invloed op zijn dik gezicht had dan het bij een oliphant zou
gehad hebben.
„Heeft zij die gebakken, zeg?” vroeg Barkis, zonder uit zijne voorover
hangende houding op te staan of den arm van zijn knie af te nemen.
„Meent gij Peggotty, mijnheer Barkis?”
„Ja,” antwoordde Barkis, „ik meen haar.”
„Zij bakt en kookt alles bij ons.”
„Doet zij dat werkelijk?” vroeg Barkis. Daarna spitste hij de lippen
alsof hij wilde fluiten, maar hij floot niet. Hij staarde tusschen de
ooren van het paard door, alsof hij daar iets bijzonders zag, en bleef
zoo langen tijd zitten. Eindelijk vroeg hij: „Geen kapers?”
„Wat zegt gij, mijnheer Barkis?” Ik meende dat hij daarmede de eene
of andere eetwaar bedoelde, omdat wij het laatst over bakken hadden
gesproken.
„Een vrijer,” zei Barkis. „Heeft zij niemand om mede uit te gaan?”
„Peggotty?”
„Zij, ja.”
„O neen, zij heeft nooit een vrijer gehad.”
„Zoo, heeft zij er geen gehad?”
Weder spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten en floot niet, maar
keek tusschen de ooren van het paard door.
„Dus,” begon hij weder, „zij bakt al de appeltaarten en kookt alles
zelve?”
Ik herhaalde dat zij dit werkelijk deed.
„Dan zal ik u eens wat vertellen,” zei Barkis. „Misschien schrijft gij
haar wel eens?”
„Zeker zal ik haar schrijven,” antwoordde ik.
„Zoo!” zei hij, het hoofd langzaam naar mij omwendende. „Wanneer gij
haar schrijft, moet gij niet vergeten te schrijven, dat Barkis wel wil,
zult gij?”
„Dat Barkis wel wil,” herhaalde ik in mijn onschuld. „Is dat de geheele
boodschap?”
„Ja-a,” zei hij peinzend. „Ja-a, Barkis wil wel.”
„Maar gij komt morgen in Blunderstone terug, mijnheer Barkis,” zei ik,
een weinig stotterend bij de gedachte dat ik dan ver weg zou zijn, „gij
zoudt uw boodschap veel spoediger zelf kunnen overbrengen.”
Deze raad werd met een ongeduldig hoofdschudden beantwoord en nogmaals
herhaalde hij zijn verzoek door op plechtigen toon te zeggen: „Barkis
wil wel. Dat is de boodschap,” zoodat ik de opdracht bereidwillig
overnam. Toen ik dien zelfden namiddag in het logement op den omnibus
zat te wachten, verzocht ik papier, inkt en pen en schreef het
navolgende aan Peggotty: „Lieve Peggotty. Ik ben hier gezond en wel
aangekomen. Barkis wil wel. Dag, lieve mama. Uw liefhebbende David.
P.S. Barkis zegt dat gij bepaald weten moet, dat hij wel wil.”
Toen ik deze boodschap op mij genomen had, verviel Barkis weder in zijn
vorig gepeins; terwijl ik uitgeput van vermoeienis en aandoening, na
alles wat in de laatste dagen was voorgevallen, op een zak in slaap
viel. Ik sliep door tot wij Yarmouth binnenreden; het pleintje voor
de herberg, waar wij stilhielden, en alles om mij heen was zoo nieuw
voor mij, dat ik de flauwe hoop om iemand van Peggotty's familie te
ontmoeten—wie weet, kleine Emily misschien—terstond opgaf.
De omnibus stond op het binnenplein, glimmend van boven tot onder,
maar nog zonder paarden; het voertuig zag er uit, alsof er zelfs nog
nooit over gedacht was daarmede een reis naar Londen te maken. Ik stond
daarover te peinzen en was nieuwsgierig naar het lot van mijn koffer,
dien Barkis dicht bij den disselboom op het plaveisel had gezet—hij
had het pleintje omgereden, omdat hij anders niet draaien kon met zijne
kar—en ook naar hetgeen er verder met mij zelven zou gebeuren, toen er
eene juffrouw uit een uitspringend venster kwam kijken, waarin eenig
gevogelte en een paar hammen waren opgehangen. „Is u de jongeheer uit
Blunderstone?” vroeg zij.
„Ja, juffrouw,” zei ik.
„Hoe heet gij?” vroeg zij verder.
„Copperfield, juffrouw,” antwoordde ik.
„Dan heb ik den verkeerde voor,” hernam de juffrouw, „er is hier voor
iemand van dien naam geen middagmaal besteld.”
„Is het misschien Murdstone, juffrouw?”
„Zoo gij de jongeheer Murdstone zijt, waarom geeft gij dan eerst een
anderen naam op?”
Ik gaf de dame eene verklaring van het geval en onmiddellijk daarop
trok zij aan een schel en riep: „William, wijs de koffiekamer!” waarop
uit een keuken aan den tegenovergestelden kant van het pleintje een
knecht kwam aanloopen, die erg verwonderd scheen dat hij de koffiekamer
alleen aan mij moest wijzen.
De koffiekamer was een lang, ruim vertrek, waarin eenige groote
landkaarten hingen. Ik weet niet of ik mij wel eenzamer had kunnen
voelen, als ik werkelijk op eens in de vreemde landen geplaatst was,
welke deze kaarten voorstelden. Ik had een gevoel of ik erg vrijpostig
was, toen ik de vrijheid nam, om met mijn pet in de hand op een punt
van een stoel te gaan zitten, vlak bij de deur; en toen diezelfde
knecht een servet voor mij uitspreidde en een bord, mes, vork en wat
daar verder bij behoorde voor mij gereed zette, zal ik hem zeker erg
verlegen en met een kleur als vuur hebben aangekeken. Hij bracht mij
daarna een paar koteletten en groenten en nam met zulk een zwaai de
deksels van de schalen, dat ik meende hem door het een of ander boos
gemaakt te hebben. Spoedig stelde hij mij echter gerust door een stoel
bij te schuiven en op vriendelijken toon mij toe te voegen: „Nu,
zesvoeter, smakelijk eten!”
Ik bedankte hem en trok den stoel wat dichter bij de tafel, maar vond
het vreeselijk moeilijk eenigszins handig met mes en vork om te gaan
en te voorkomen, dat ik mij met jus bespatte, terwijl hij tegenover
mij stond en mij strak aankeek. Telkens wanneer ik zijn blik ontmoette,
kreeg ik een hevige kleur.
Toen ik aan de tweede kotelet wilde beginnen, zei hij: „Er is een halve
pint ale voor u besteld. Wilt gij die nu hebben?”
Ik bedankte hem weder en antwoordde: „Ja,” waarop hij het uit eene kan
in een groot glas schonk en het voor het licht hield om te laten zien,
hoe helder het was.
„Wel, wel!” zei hij. „Dat is nog al wat, hé?”
„Ja, het is heel wat,” antwoordde ik glimlachend. Ik vond het heerlijk,
dat hij zoo vriendelijk voor mij was. Hij had glinsterende oogen en
een gezicht vol puisten; zijn haar was rechtop gekamd en toen hij daar
zoo met één arm in de zijde voor mij stond en de andere hand met het
bierglas in de hoogte hield, zag hij er _bijzonder_ vriendelijk uit.
„Gisteren was hier een heer,” zei hij, „een zwaarlijvig heer, Topsawyer
heette hij.... kent gij hem wellicht?”
„Neen,” antwoordde ik, „ik geloof het niet....”
„Met korte broek en slobkousen, een hoed met een breeden rand, een
grijze overjas en een gespikkelde das,” vervolgde de knecht op
vragenden toon.
„Neen,” zei ik bijna beschaamd, „ik heb niet het genoegen dien heer te
kennen.”
„Hij kwam hier binnen,” zei de knecht, terwijl hij voortdurend het glas
tegen het licht hield, „bestelde een glas van dit bier—hij _wilde_
bepaald van dit bier hebben—ik raadde het hem nog af... maar hij
_wilde_ het hebben, dronk het ledig en viel dood neer. Het was te oud
voor hem. Het moest eigenlijk niet getapt worden, dat zou beter zijn.”
Ik was diep getroffen door dit vreeselijke voorval en zeide dat ik maar
liever water wilde drinken.
„Ja, ziet gij,” ging de knecht voort, steeds door het glas naar het
licht kijkende met één oog dicht, „de kastelein is altijd boos wanneer
iets, dat besteld is, niet gebruikt wordt. Dan acht hij zich beleedigd.
Maar _ik_ zal het opdrinken, als gij 't goed vindt. Ik ben er aan
gewend... alles went. Ik geloof niet dat het mij kwaad zal doen wanneer
ik mijn hoofd goed achterover houd en het in één teug ledig. Zal ik
maar?”
Ik zei dat hij mij zeer zou verplichten als hij het deed, ten minste
als hij het zonder gevaar doen kon, anders niet. Toen hij nu het hoofd
achterover wierp en het glas in één teug ledigde, was ik, dit moet
ik bekennen, vreeselijk bang, dat hem hetzelfde lot zou treffen als
mijnheer Topsawyer, en ik hem voor mijne voeten zou zien doodvallen.
Maar het scheen hem volstrekt niet te hinderen, integendeel, hij keek
erg vroolijk.
„En wat hebben, wij daar?” vroeg hij, een vork in een der schotels
zettende. „Zijn dat koteletten?”
„Ja, koteletten,” antwoordde ik.
„Goede Hemel!” riep hij, „ik wist niet dat het koteletten waren. Een
kotelet is juist het eenige middel om de kwade gevolgen van het bier te
voorkomen. Is dat niet een gelukkig toeval?”
Zoo sprekende nam hij de kotelet van de schaal en at die tot mijne
groote vreugde met smaak op, en toen een aardappel en toen nog een
kotelet en nog een aardappel. Toen wij gedaan hadden, bracht hij mij
een pudding, en nadat hij die voor mij had neergezet, scheen hij eenige
oogenblikken in gepeins verzonken te herkauwen.
„Hoe bevalt u die pastei?” vroeg hij, uit zijn gepeins ontwakend.
„Het is een pudding,” zei ik.
„Pudding!” riep hij uit. „Hemelsche goedheid, het is pudding!
Wat.....?” Hij bekeek de schaal nauwkeuriger. „Het is een broodpudding,
is het niet?”
„Ja, waarlijk.”
„Hé, broodpudding,” vervolgde hij, een lepel opnemend, „is mijn meest
geliefkoosde pudding. Is dat geen gelukkig toeval? Kom, kleine man,
laat ons eens zien, wie er het meest van krijgt.”
Ongetwijfeld won hij deze weddenschap. Wel spoorde hij mij
herhaaldelijk aan om mij wat te reppen; maar met zijn grooten lepel
tegen mijn theelepeltje, zijne vlugheid tegen mijne onhandigheid en
zijn eetlust tegen mijn eetlust was ik bij den eersten hap reeds achter
en had ik geen kans meer om te winnen. Nooit zag ik iemand zoo smullen
en toen de geheele pudding verdwenen was, lachte hij alsof hij nog wel
trek had in een tweede.
Aangezien de man zoo vriendelijk en bereidvaardig was, trok ik de
stoute schoenen aan en vroeg hem mij papier, pen en inkt te geven, om
den brief aan Peggotty te schrijven. Hij bracht het gevraagde niet
alleen onmiddellijk, maar was wel zoo goed over mijn schouder heen te
kijken naar hetgeen ik schreef. Toen ik gereed was vroeg hij mij naar
welke school ik ging.
„Dicht bij Londen,” antwoordde ik; meer wist ik er zelf niet van.
„O, lieve goedheid!” zei hij op neerslachtigen toon, „dat spijt mij!”
„Waarom?” vroeg ik.
„O, Hemel!” zei hij hoofdschuddend, „dat is de school, waar zij
verleden een jongen twee ribben hebben stuk geslagen—een kleinen
jongen. Als ik mij niet bedrieg was hij... laat eens zien... hoe oud
zijt gij?”
Ik vertelde hem dat ik acht en een half jaar was.
„Juist, zoo oud was die jongen ook,” zei hij. „Hij was acht en een half
toen de eerste rib werd stuk geslagen en acht jaar en acht maanden toen
de tweede volgde.”
Ik kon het noch voor mij zelven noch voor den knecht ontveinzen, dat
dit eene slechte aanbeveling was en vroeg hoe het eigenlijk gebeurd
was. Zijn antwoord was niet opwekkend voor mij, want het bestond uit
slechts twee woorden: „Ransel gehad.”
Het geluid van den hoorn des conducteurs op het binnenplein was eene
gewenschte afleiding; ik stond op en vroeg met eenige aarzeling, maar
toch trotsch op het bezit van mijne beurs, die ik te voorschijn haalde,
of ik iets te betalen had.
„Eerstens een velletje postpapier,” antwoordde de knecht. „Hebt gij wel
eens meer een velletje postpapier gekocht?”
Ik kon mij niet herinneren dit ooit gedaan te hebben.
„Het is duur,” vervolgde hij, „want er is zooveel belasting op. Drie
stuivers. Zoo zwaar worden wij in dit land belast. Verder niets dan den
knecht; den inkt hebt gij voor niets. Dat is mijn zaak.”
„Wat zoudt gij.... wat zal ik.... hoeveel moet ik.... hoeveel geeft men
gewoonlijk aan den knecht?” stamelde ik met een kleur van verlegenheid.
„Had ik geen vrouw en kinderen en hadden die kinderen niet de
koepokken,” zei de knecht, „dan zou ik geen halven shilling aannemen.
Moest ik geen ouden vader en eene lieve zuster onderhouden”—de knecht
begon aangedaan te worden—„zou ik geen duit aannemen. Had ik eene
goede betrekking en werd ik hier goed behandeld, dan zou ik liever een
kleinigheid geven dan aannemen. Maar ik leef van den afval en slaap in
het kolenhok”.... plotseling barstte hij in tranen uit.
Ik was zeer getroffen door zijn verhaal en had medelijden met hem,
zoodat ik meende dat eene fooi van minder dan negen stuivers mij
ongevoelig zou doen schijnen. Ik gaf hem daarom een van de blinkende
shillings, die hij met eene nederige buiging aannam, waarna hij
onmiddellijk tusschen beide duimen beproefde of het wel een echt
muntstuk was.
Toen ik achter op den omnibus geholpen was, bleek mij, dat ik onder
verdenking lag het geheele maal zonder eenige hulp te hebben verorberd.
Ik hoorde namelijk de juffrouw uit het vooruitspringende venster den
portier toeroepen: „Pas op dien jongen, want hij zal barsten!” en ik
zag ook de meiden naar buiten komen en naar mij wijzen, terwijl zij
elkander aanstieten en begonnen te giegelen. Mijn ongelukkige vriend,
de knecht, wiens opgeruimdheid niets meer scheen te wenschen over te
laten, scheen er zich niets van aan te trekken en in de algemeene
verbazing te deelen. Indien ik eenig wantrouwen in hem heb gehad,
dan geloof ik dat het hierdoor eigenlijk pas werd opgewekt; maar ik
ben meer geneigd aan te nemen dat ik met het natuurlijk vertrouwen
van een kind op menschen van meerderen leeftijd—een eigenschap,
die kinderen, helaas, maar al te vroeg verwisselen met eene zekere
wereldwijsheid—zelfs toen nog geen oogenblik wantrouwen gekoesterd heb.
Het was intusschen wel hard voor mij dat ik tot voorwerp van spotternij
diende tusschen den voerman en den conducteur, die beweerden, dat
de omnibus van achteren veel te zwaar geladen was en ik liever met
den vrachtwagen had moeten reizen. Het verhaal van mijn geweldigen
eetlust ging ook bij de passagiers rond en men vroeg mij of er op de
school een contract was aangegaan voor twee of drie personen, of dat
ik op de gewone voorwaarden was aangenomen en zoo meer. Het ergste van
alles was echter, dat ik mij schamen moest om, wanneer de gelegenheid
zich daartoe aanbood, nog meer te eten en ik dus na een zeer schraal
middagmaal, den geheelen avond honger zou moeten lijden—want ik had
Peggotty's koekjes in het logement laten liggen. Mijne vrees werd
bewaarheid. Toen wij uitstapten om te soupeeren, had ik niet den moed
om iets te bestellen niettegenstaande ik er grooten lust in had; ik
bleef bij de kachel zitten en zei dat ik niets begeerde. Dit belette
niet dat ik nog voortdurend aan allerlei spotternijen blootstond, een
heer met een schorre stem, die gedurende de reis niets gedaan had dan
boterhammen met vleesch eten, wanneer hij niet uit een flesch dronk,
zeide dat ik veel geleek op een boa-constrictor, die nu eens voor
langen tijd genoeg nam; dezelfde heer scheen evenwel eene weddenschap
te hebben aangegaan over de hoeveelheid gekookt ossenvleesch, die hij
in den kortst mogelijken tijd kon verorberen.
Wij waren om drie uur in den namiddag van Yarmouth vertrokken en
moesten den volgenden morgen te acht uur in Londen aankomen. Het was
heerlijk zomerweder en een prachtige avond. Als wij een dorp doorreden
stelde ik mij voor hoe de huizen er van binnen zouden uitzien en wat de
bewoners wel zouden doen; en wanneer de jongens den omnibus naliepen
en zich een eind lieten voortslepen, had ik hun wel willen vragen of
hunne vaders nog leefden en of zij thuis gelukkig waren. Ik had genoeg
om over te denken en bovendien kwam telkens de vraag bij mij op naar
welke plaats ik toch eigenlijk op weg was en—dan voelde ik mijn hart
wel eens angstig kloppen. Nu en dan, dat herinner ik mij zeer goed,
dwaalden mijne gedachten af naar mijne moeder, naar het ouderlijk
huis en Peggotty en poogde ik mij te herinneren welke soort jongen ik
geweest was, eer ik mijnheer Murdstone gebeten had; ik kon het hierover
echter volstrekt niet met mij zelven eens worden en het scheen mij toe,
dat het voorval met mijn stiefvader jaren geleden had plaats gehad.
De nacht was niet zoo aangenaam als de avond, want het was koud
geworden; ik zat bovendien tusschen twee heeren—de schorre heer en een
andere—opdat ik niet uit den wagen vallen zou; maar toen zij in slaap
vielen, zakten zij tegen mij aan en over mij heen en werd ik bijna
plat gedrukt. Nu en dan smoorden zij mij bijna met hun beiden en ik
kon dan niet nalaten uit te roepen: „O, als 't u blieft!” hetgeen zij
mij nog bovendien kwalijk namen, want zij werden daardoor in hun slaap
gestoord. Tegenover mij zat een reeds bejaarde dame in een grooten
bonten mantel en zoo ingepakt, dat zij meer op een hooimijt geleek dan
op eene dame. Zij had eene mand bij zich en langen tijd niet geweten
waar zij die zou plaatsen, totdat zij, partij trekkende van mijne
kleine beenen, de mand onder mij schoof. Dit hinderde mij zoo en deed
mij zooveel pijn, dat ik het bijna niet kon uithouden; maar als ik mij
even bewoog, en een glas, dat in de mand lag, begon te rinkelen—en dat
deed het telkens—gaf zij mij een gevoeligen schop en zeide: „Zit toch
niet zoo te draaien! Zulke jonge beenen moeten daar tegen kunnen!”
Eindelijk ging de zon op en toen schenen mijne buurlieden rustiger te
slapen. De moeilijkheden waarmede zij den geheelen nacht te kampen
hadden gehad, blijkbaar uit hun geweldig snorken en snuiven, zijn
niet te beschrijven. Toen de zon hooger steeg werd hun slaap lichter
en ontwaakten zij, de een na den ander. Ik herinner mij nog mijne
verbazing toen iedereen zich hield alsof hij niet geslapen had en allen
deze beschuldiging met verontwaardiging van zich af wierpen. Deze
verbazing is tot op den huidigen dag nog niet geweken, want zonder
uitzondering heb ik opgemerkt, dat van alle menschelijke zwakheden,
die van in een rijtuig te hebben geslapen,—waarom is mij duister—het
minst gaarne en nooit ruiterlijk erkend wordt.
Welk een verbazenden indruk Londen op mij maakte, toen ik het in de
verte zag liggen; hoe ik meende dat de avonturen van al mijn helden
daar telkens en telkens weder plaats vonden, en hoe ik een vaag
vermoeden had, dat Londen meer wonderen en meer goddeloosheid in zich
verborg dan alle andere steden op den geheelen aardbodem, behoef ik
hier niet te verhalen. Wij naderden langzaam en stapten op het bepaalde
uur aan de herberg in Whitechapel af, de plaats van bestemming. Ik heb
vergeten of het „de Blauwe Stier” of „de Blauwe Beer” was, maar ik weet
zeker dat het Blauw was en dat er eene afbeelding van geschilderd was
op den omnibus.
De conducteur hield het oog op mij gevestigd, toen hij aan de deur van
het kantoor riep: „Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in
het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, en
zal afgehaald worden?”
Geen antwoord.
„Och, beproef het eens met den naam Copperfield, mijnheer,” vroeg ik,
hulpeloos rondkijkende.
„Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat
onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, maar dat beweert
Copperfield te heeten en afgehaald zou worden?” vroeg hij nogmaals.
„Kom.... is er niemand?”
Neen. Er was niemand. Ik keek angstig rond; maar de vraag maakte op
geen der omstanders eenigen indruk, dan op een man met slobkousen aan
en met slechts één oog, die den raad gaf, dat men mij maar met een
koperen halsband om in den stal moest vastleggen tot er iemand kwam om
mij te halen.
Er werd een ladder tegen den omnibus geplaatst, maar ik durfde niet
opstaan vóór de dame, die zoo op een hooimijt leek, haar mand had
weggenomen. Eindelijk was de omnibus ledig en ook de bagage afgeladen;
de paarden waren reeds afgespannen en naar den stal gebracht en nu werd
ook de omnibus door een paar stalknechts uit den weg gezet.
Nog altijd was er echter niemand om dien zekeren jongen van
Blunderstone, Suffolk, op te eischen.
Eenzamer nog dan Robinson Crusoë, die ten minste door niemand bekeken
werd, zoodat niemand zag, hoe eenzaam hij daar stond, ging ik naar het
kantoor en, op uitnoodiging van een der klerken, achter de toonbank op
de weegschaal zitten. Terwijl ik daar naar de balen, zakken en boeken
zat te kijken, en eene afgrijselijke stallucht in te ademen—ik kan
sinds dien tijd niet langs een stal komen zonder aan dien morgen te
denken—ging er eene geheele reeks van vreeselijke voorstellingen door
mijne ziel. Gesteld dat er niemand zou komen om mij te halen, hoelang
zou men mij dan toestaan hier te blijven? Zouden zij mij lang genoeg
houden om de zeven shillings te verteren? Zou ik 's nachts in een van
die manden mogen slapen tusschen al die kisten en koffers en mij 's
morgens aan de pomp op de binnenplaats moeten wasschen? Of zou ik er 's
avonds worden uitgezet om 's morgens, wanneer het kantoor geopend werd,
weder te beginnen met wachten op iemand, die mij zou komen afhalen?
Gesteld dat er geen vergissing of verzuim in het spel was en mijnheer
Murdstone dit plan bedacht had om mij kwijt te raken, wat moest ik dan
beginnen? Indien zij mij toestonden hier te blijven tot mijne zeven
shillings verteerd waren, zou ik hier zeker niet kunnen blijven tot
ik begon dood te hongeren. Dat zou natuurlijk lastig en onaangenaam
zijn voor de toeschouwers en de reizigers, behalve nog dat „de Blauwe”
(wat het dan ook was) de begrafeniskosten zou moeten dragen. Als ik
terstond heenging en den terugweg aanvaardde, hoe zou ik dan den weg
kunnen vinden, hoe zou ik ooit zoo ver kunnen wandelen en al slaagde
ik er in, ons huis weder te bereiken, zou mij dan behalve Peggotty wel
iemand willen opnemen? Als ik mij eens tot de bevoegde macht wendde
om soldaat of matroos te worden, zou men dan zoo'n klein manneke wel
willen aannemen? Deze gedachten en nog honderd andere joegen mij het
angstzweet op het gelaat, alles begon mij voor de oogen te draaien.
Toen mijne verslagenheid het toppunt bereikt had, zag ik een man
binnenkomen, die op fluisterenden toon iets aan een der klerken vroeg,
waarop deze mij van de schaal nam en aan dien man overgaf, alsof ik een
stuk goed was, dat gewogen, gekocht, afgeleverd en betaald werd.
Ik keek mijn nieuwen kennis, met wien ik hand aan hand het kantoor
verliet, van ter zijde aan. Hij was een magere, bleeke, jonge man,
met ingevallen wangen en een even zwarte kin als die van mijnheer
Murdstone; daarmede was echter alles gezegd van hunne gelijkenis, want
hij droeg geen bakkebaarden, en in plaats van glanzig, krullend was
zijn haar droog en steil. Hij was gekleed in eene zwarte jas en broek,
die beide even glad en vaal waren als zijne haren; zoowel de mouwen van
de jas als de pijpen van de broek waren te kort en de witte das, die
hij droeg, was niet al te helder. Ik wist niet en weet nog niet of hij
geen ander linnen droeg dan deze das, maar het was al wat men te zien
kreeg.
„Zijt gij de nieuwe jongen?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer.” Ik onderstelde, dat ik het was, al wist ik het niet
zeker.
„Ik ben een van de onderwijzers op Salem House,” zei hij.
Ik maakte een buiging voor hem en voelde onmiddellijk diep ontzag. Ik
schaamde mij zelfs om tegen zulk een geleerd man, die onderwijzer op
Salem House was, over mijn koffer te spreken, zoodat wij reeds een goed
eind hadden afgelegd, eer ik daartoe den moed vond. Op mijne leuke
opmerking, dat de inhoud mij wellicht naderhand zou te pas kunnen
komen, keerden wij terug en deelde hij den klerk mede, dat de voerman
van den vrachtwagen den koffer tegen den middag zou komen halen.
„Mag ik u eens vragen, mijnheer,” zei ik, toen wij ongeveer denzelfden
afstand hadden afgelegd als zoo even, „is het ver?”
„Bij Blackheath ongeveer,” antwoordde hij.
„Is dat ver, mijnheer?” herhaalde ik op schroomvalligen toon.
„Het is een flinke wandeling,” antwoordde hij, „maar wij zullen met den
omnibus gaan. Het is ongeveer zes mijlen.”
Ik was zoo flauw en zoo vermoeid, dat het denkbeeld om het nog zes
mijlen ver te moeten uithouden, mij bijna wanhopend maakte. Ik vatte
moed en vertelde hem, dat ik sedert den vorigen middag niets gegeten
had, en zei, dat ik hem zeer verplicht zou zijn, indien hij mij wilde
toestaan iets te koopen om mijn honger te stillen. Hij scheen verrast
over deze mededeeling—hij bleef staan en keek mij voor de eerste maal
eens goed aan—dacht even na en zei, dat hij nog iemand wilde bezoeken,
en ik maar wat brood moest koopen of iets anders, dat niet schadelijk
voor mijne gezondheid was en waarvan ik het meest hield; ik zou dan bij
de oude juffrouw, die hij wilde bezoeken, wel wat melk kunnen krijgen
en bij haar mijn ontbijt gebruiken.
Zoo gezegd, zoo gedaan; wij gingen een bakkerswinkel binnen en nadat
ik de vetste en zwaarste baksels, die in den winkel te krijgen waren,
had voorgesteld, en hij die allen als schadelijk voor de gezondheid had
verworpen, beslisten wij ten gunste van een klein bruin broodje, dat
mij drie stuivers kostte. In een komenijswinkel kochten wij vervolgens
een ei en een sneedje doorregen spek, zoodat ik naar mijne meening
nog genoeg van mijn tweeden blinkenden shilling overhield, om Londen
voor eene goedkoope stad te houden. Na deze inkoopen gedaan te hebben,
wandelden wij verder door eenige woelige, drukke straten, zoodat mijn
toch reeds vermoeid hoofd dreigde te barsten, en over eene brug, als ik
mij niet bedrieg, de London Bridge—ik meen werkelijk, dat hij het mij
vertelde, maar ik sliep half—tot wij de woning van de oude juffrouw
bereikten. Deze lag in een hofje, dat tot een weldadigheidsgesticht
behoorde, hetgeen ik uit de regelmatige bouworde opmaakte, en ook
uit een opschrift op een steen, waarop te lezen stond, dat hier
vijfentwintig arme vrouwen onder dak konden worden gebracht.
De ondermeester van Salem House lichtte de klink op van een der vele
zwarte deurtjes, die alle gelijk waren, en alle hadden een venster op
zijde en een met kleine ruitjes er boven; wij gingen er binnen en
vonden eene arme oude vrouw bezig den inhoud van een sauspannetje aan
de kook te brengen. Toen zij den meester zag binnenkomen legde zij de
blaasbalg op hare knie en mompelde iets, dat op „Dag Karel” geleek; mij
echter ziende, stond zij op, veegde hare handen af en maakte in hare
verlegenheid eene halve buiging.
„Kunt gij het ontbijt van dezen jongeheer ook gereed maken als 't u
blieft?” vroeg de meester.
„Of ik dat kan?” antwoordde de vrouw. „Zeker kan ik dat!”
„Hoe maakt juffrouw Tibbitson het vandaag?” vroeg mijn geleider weder,
naar eene oude vrouw kijkende, die in een grooten stoel bij het vuur
zat en zoo zeer op een hoopje kleeren geleek, dat ik nu nog dankbaar
ben, er niet bij vergissing op te zijn gaan zitten.
„Och, zij is zoo ziek,” antwoordde de juffrouw met de blaasbalg. „Zij
heeft een van hare kwade dagen. Als het vuur was uitgegaan door een of
ander toeval, zou zij ook zijn uitgegaan om nimmer terug te keeren—dat
geloof ik zeker.”
Aangezien allen naar de zieke keken, deed ik het ook. Hoewel het warm
weer was, scheen zij voor niets oogen te hebben dan voor het vuur.
Ik geloof zeker dat zij jaloersch was op de sauspan, die op het vuur
stond; ook nam zij het mij blijkbaar kwalijk, dat het gebruikt werd om
mijn ei te koken en mijn spek te bakken, want op een oogenblik, dat
niemand naar haar keek, zag ik dat zij heimelijk de vuist tegen mij
balde. De zon scheen door het kleine venster in de kamer, maar zij
zat met haar eigen rug en met den rug van den stoel naar het licht,
alsof zij het vuur moest warm houden in plaats dat het haar verwarmde.
Zij hield er met wantrouwende blikken de wacht bij. Toen mijn ontbijt
gereed was en het vuur dus weder zichtbaar werd, had zij zooveel pret,
dat zij in een schaterlach uitbarstte—een zeer onwelluidenden lach,
dat moet ik zeggen.
Daar zat ik nu voor mijn bruin broodje, mijn ei en mijn gebakken spek
en deed een Lucullusmaal, met de kom melk er bij. Toen ik in het volle
genot daarvan was, zei de oude juffrouw tegen mijn reisgenoot:
„Hebt gij uwe fluit bij u, Karel?”
„Ja,” antwoordde hij.
„Toe, blaas dan eens een wijsje,” smeekte zij op vleienden toon.
Op dit verzoek stak de meester van Salem House de hand onder de
panden van zijn jas, haalde eene fluit te voorschijn, die uit drie
stukken bestond, schroefde die aan elkander en begon te spelen. Na
de ondervinding van latere jaren is mijn eerste indruk dat niemand
op de geheele wereld slechter speelde dan hij, in geen enkel opzicht
gewijzigd. Hij maakte de afschuwelijkste geluiden, die ik ooit door
mensch of dier heb hooren uitbrengen. Ik weet niet welke wijzen hij
speelde—indien er ten minste een wijs aan ten grondslag lag, hetgeen
ik betwijfel—maar de invloed van de muziek op mij was eerst, dat al
het geleden verdriet weder in mijn geheugen werd opgeroepen, zoodat
de tranen mij weldra over de wangen begonnen te rollen; daarna dat
mij mijn eetlust werd benomen; eindelijk werd ik zóó slaperig, dat
ik mijne oogen niet open kon houden. Nu nog vallen ze dicht en begin
ik te knikkebollen, wanneer ik aan de marteling van dien morgen
herinnerd word. Het kleine kamertje met de geopende bedstede in
den hoek en de stoelen met vierkante ruggen en het steile trapje,
dat naar de bovenkamer voerde, en de drie pauwenveeren boven den
schoorsteenmantel—ik herinner mij nog, mij afgevraagd te hebben,
toen ik binnentrad en die veeren mij terstond in het oog vielen, wat
die pauw wel gedacht zou hebben als hij geweten had tot welk lot zijn
grootste sieraad hier gedoemd zou zijn—staan mij dan op eens weder
levendig voor den geest en ik voel eene bijna onoverwinbare neiging
tot slapen. Het fluitspel houdt op; in plaats daarvan hoor ik de wielen
van een omnibus en ik ben op reis. De omnibus schokt verschrikkelijk,
de fluit begint opnieuw en de meester van Salem House zit, met de
beenen over elkander gekruist, allerjammerlijkst te spelen; terwijl de
oude juffrouw met een gezicht, dat de grootste opgetogenheid verraadt,
zit te luisteren. Op hare beurt verdwijnt ook zij weder, en hij
verdwijnt, alles verdwijnt; er is geen fluit, geen meester, geen Salem
House, geen David Copperfield meer, er is niets dan—slaap. Eens
droomde ik dat, terwijl hij op die vreeselijke fluit zat te blazen, de
oude juffrouw in hare opgetogenheid en bewondering al nader en nader
was gekomen, achter op den rug van zijn stoel leunde en hem teeder
omhelsde, zoodat hij zijn spel een oogenblik staken moest. Ik verkeerde
toen in een toestand tusschen waken en slapen, juist op dat oogenblik
of iets later, want toen hij eindigde—het was een feit dat hij
opgehouden had met spelen—zag en hoorde ik dezelfde oude juffrouw aan
juffrouw Tibbitson vragen of het niet verrukkelijk was—zij bedoelde
het fluitspel—waarop juffrouw Tibbitson uitriep: „O, o, ja, ja!” en
tegen het vuur knikte, waaraan zij, daarvan ben ik overtuigd, al de eer
van de uitvoering toekende.
Toen ik vrij lang gesluimerd scheen te hebben, schroefde de meester
van Salem House de fluit weder uit elkander, stak de drie stukken in
zijn zak en ging met mij naar buiten. Wij vonden den omnibus dichtbij
gereed staan en namen bovenop plaats; maar ik was zoo doodop van den
slaap, dat men mij, toen wij stilhielden om iemand op te nemen, binnen
plaatste, waar niemand zat en waar ik gerust sliep tot ik bemerkte,
dat de omnibus stapvoets een steilen heuvel opreed tusschen het groen.
Eindelijk hielden wij stil en waren aan onze bestemming.
Eene kleine wandeling bracht ons—ik bedoel den meester en mij—naar
Salem House, dat door een hoogen, rooden muur was omringd en er zeer
somber uitzag. Boven een deur in dezen muur hing een groot bord, waarop
geschilderd was „Salem House”, en toen wij gescheld hadden, werden
wij door een getralied venstertje in deze deur bespied door een man
met een bijzonder onaangenaam uiterlijk; toen wij binnengelaten waren
zag ik, dat dit uiterlijk behoorde aan een zwaar gebouwd man met een
stierennek, een houten been, breede jukbeenderen en kort afgeknipt haar.
„De nieuwe jongen”, zei mijn reisgenoot.
De man met het houten been bekeek mij van het hoofd tot de voeten,—dit
duurde echter niet lang want er was weinig aan mij te zien—waarna hij
de deur sloot en den sleutel uit het slot nam. Wij gingen toen naar het
huis, dat tusschen zwaar geboomte lag; maar de man met het houten been
riep mijn geleider terug: „Hallo!” Wij keken om en zagen hem aan de
deur van zijn klein huisje staan met een paar schoenen in de hand.
„Hier! De schoenlapper is er geweest en heeft gezegd, dat er niets meer
aan te doen is, mijnheer Mell. Hij zei, dat er geen stukje van de oude
schoenen meer aan te vinden is en begrijpt niet hoe gij verwachten
kunt, dat hij ze nog herstelt.”
Met deze woorden wierp hij mijnheer Mell de schoenen toe, waarop deze
een paar schreden terugging om ze op te rapen, en ze erg mistroostig
aan alle kanten bekeek, terwijl wij samen voortwandelden. Ik merkte
toen eerst op, dat de schoenen, die hij droeg, erg versleten waren,
en op ééne plaats zijne kous er zelfs door heen kwam, gelijk een
uitbottend knopje.
Salem House was een groot, vierkant gebouw van baksteen, met twee
vleugels en zag er ongezellig en uitgewoond uit. Het was overal zoo
stil, dat ik mijnheer Mell vroeg of de jongens uit waren; maar hij
scheen verbaasd, omdat ik niet wist dat het vacantie was; dat al de
jongens naar huis waren; dat mijnheer Creakle, de eigenaar, met mevrouw
Creakle en de jongejuffrouw Creakle naar een zeebadplaats waren; en dat
ik in de vacantie was gekomen als straf voor mijn slecht gedrag.... dat
alles vertelde hij mij onder het voortgaan.
Het schoollokaal, waarin hij mij bracht, leek mij het akeligste en
ongezelligste vertrek toe, dat ik ooit gezien had. Ik zie het nog.
Een lange kamer met zes lange rijen banken en drie rijen lessenaars
en in het rond overal pinnen om hoeden, petten en leien op te
hangen. Brokstukken van oude schriften liggen over den stoffigen
vloer verspreid. Op een der lessenaars vind ik eenige huisjes voor
zijdewormen en twee ongelukkige witte muizen, door den eigenaar
achtergelaten, loopen in een van bordpapier en ijzerdraad vervaardigd
kasteeltje rond, met hunne roode oogjes in alle hoekjes snuffelend
om iets eetbaars te vinden. Een vogel in een kooitje, dat niet veel
breeder is dan het dier zelf, laat nu en dan een droevig geluid hooren,
wanneer het op het twee duim hooge stokje springt of van daar weer
naar beneden; sjilpen of zingen schijnt hij niet te kunnen. Er is een
vreemde, bedorven lucht in de kamer, een lucht van beschimmeld leder,
rotte appels en muffe boeken. Er kon moeilijk meer inkt over den vloer
verspreid zijn geweest, al was het huis zonder dak gebleven van den
opbouw af en al had het inkt geregend, gesneeuwd en gehageld door alle
jaargetijden heen.
Toen mijnheer Mell mij verlaten had om zijne onherstelbare schoenen
naar boven te brengen, liep ik zachtjes naar het boveneinde van de zaal
en merkte intusschen dit alles op. Plotseling ontdekte ik een stuk
bordpapier, waarop met mooie letters geschreven stond: „Pas op. Hij
bijt.”
Ik klom terstond op de lessenaar, meenende dat er minstens een groote
hond onder zou liggen; maar hoe ik ook met angstige oogen rondkeek, ik
zag niets, dat op een hond geleek. Terwijl ik nog zat rond te gluren,
kwam mijnheer Mell terug en vroeg mij wat ik deed.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik zoek den hond,” zei ik.
„Een hond?” vroeg hij. „Welken hond?”
„Is hier dan geen hond, mijnheer?”
„Waarom moet hier een hond zijn?”
„Den hond, waarvoor men moet oppassen, omdat hij bijt, mijnheer.”
„Neen, Copperfield,” sprak hij ernstig, „dat is geen hond. Dat is een
jongen. Ik heb last gekregen, Copperfield, dit papier op uw rug te
hangen. Het spijt mij, dat wij op zulk eene wijze moeten kennis maken,
maar ik moet het doen.” Tegelijkertijd zette hij mij van de lessenaar
af en hing mij het plakkaat, dat uitsluitend voor dit doel vervaardigd
was, als een knapzak op den rug; en waarheen ik ook ging, ik moest het
meedragen. Niemand kan beseffen wat ik door dit plakkaat geleden heb.
Of iemand mij zien kon of niet, ik verkeerde altoos in de meening, dat
de een of de ander het stond te lezen. Het hielp niet of ik mij al
omkeerde en niemand vond, want ik verbeeldde mij altijd dat er iemand
achter mij stond. Die onbarmhartige man met het houten been verzwaarde
mijn leed nog. Hij had daar veel te zeggen; waar hij mij ook zag staan,
leunende tegen een boom of tegen een muur, riep hij mij met zijne
schrikverwekkende stem toe: „Hé, daar jongeheer! Hé, daar jongeheer
Copperfield! Laat uw rug maar zien, of ik zal het rapporteeren!”
De speelplaats was een kaal, met grint bestrooid pleintje, waarop
alle localen en ook de keukens uitkwamen: ik wist, dat het geheele
dienstpersoneel las wat er op mijn rug stond, dat de bakker het las en
de slager het las; iedereen, die 's morgens, wanneer ik daar _moest_
wandelen, uit- of inging, las, dat men zich voor mij in acht moest
nemen, omdat ik beet. Ik herinner mij zeer goed, dat ik bang begon te
worden voor mij zelven.
Op deze speelplaats was een oude deur, waarin de jongens hunne namen
sneden. Die deur was overdekt met namen, maar ik herinner mij heel
goed, dat ik tegen het einde van de vacantie geen naam lezen kon
zonder te denken, op welken toon en met welken nadruk zou _hij_ lezen:
„Pas op. Hij bijt.” Er was een jongen, een zekere J. Steerforth, die
zijn naam bijzonder diep had ingesneden, en ook bijzonder vaak. Deze
jongen zou het zeker met eene krachtige stem lezen en mij dan bij de
haren trekken. Er was nog een andere jongen, Tommy Traddles heette
hij, die er zeker een spelletje van maken en zeggen zou, dat hij bang
voor mij was. Van een derden jongen, George Demple, stelde ik mij voor
dat hij er een wijsje op zou maken. Ik zag hen in mijne verbeelding
allen bij elkander staan—er waren er vijf en veertig volgens mijnheer
Mell—ginds bij de deur; ik zag hen een klein, bevend jongentje met
algemeene stemmen verbannen naar Coventry, terwijl zij, ieder op zijn
eigen wijze, uitriepen: „Pas op. Hij bijt. Pas op!”
Met het plaats nemen op de banken en aan de lessenaars was 't
hetzelfde. Met de lange rijen bedden, die ik zag, toen ik in een er
van lag, was 't hetzelfde. Ik herinner mij nacht op nacht gedroomd te
hebben, dat ik weder bij mijne moeder was, zooals zij vroeger placht
te zijn, of dat ik weder bij baas Peggotty logeerde, of dat ik op den
omnibus zat, of dat ik het middagmaal gebruikte met mijn ongelukkigen
vriend, den knecht in het logement, en in al deze toestanden riepen en
keken de menschen mij na, en had ik niets aan dan mijn nachthemd en...
dat plakkaat.
In mijn eentonig leven en in mijn voortdurenden angst voor het einde
van de vacantie, was dit papier een afschuwelijke kwelling! Elken dag
kreeg ik van mijnheer Mell een taak op, maar ik deed ze af, en leerde
mijne lessen zonder moeite—er waren hier ook geen mijnheer en juffrouw
Murdstone.
Vóór en na mijn werktijd wandelde ik rond, zooals ik reeds meedeelde,
onder voortdurend toezicht van den man met het houten been. Hoe
levendig herinner ik mij nog den mist om het huis, de groene, gebarsten
plavuizen in de gang, de oude, lekkende waterton, en de kleurlooze
stammen van sommige dier oude boomen, die meer in den regen en minder
in den zonneschijn schenen gestaan te hebben dan andere boomen. Om
één uur gebruikten wij het middagmaal, mijnheer Mell en ik, aan het
boveneinde van een lange, kale eetzaal met ruw houten tafels en eene
onverdragelijke vetlucht. Daarna ging ik weder aan het werk tot de
thee, die mijnheer Mell uit een blauwe kop en ik uit een tinnen kroes
dronk. Den geheelen dag, tot zeven of acht uur 's avonds, zat mijnheer
Mell aan zijn eigen, afzonderlijk staande lessenaar in de school hard
te werken met pen, inkt, liniaal, boeken en groote papieren—dit waren,
zooals ik later ontdekte, de rekeningen van het laatste half jaar.
Wanneer hij des avonds alles had opgeborgen, kwam de fluit voor den dag
en begon hij te spelen en blies dan zoo hard, dat ik meer dan eens bang
was, dat hij zijne geheele ziel zou wegblazen door de groote klep aan
het uiteinde.
Ik zou mij zelven nog kunnen uitteekenen, zittende in de schemerachtig
verlichte schoolzaal, met de hand onder het hoofd luisterend naar het
jammerlijke spel van mijnheer Mell en met de opgegeven lessen voor
den volgenden dag voor mij. Ik zie mij nog zitten, nu zonder boeken,
luisterende naar mijnheer Mell; terwijl ik door de muziek heen allerlei
geluiden, die ik in het ouderlijk huis hoorde, en de wind over het
strand bij Yarmouth meende te hooren en mij daarbij zoo eenzaam en
verlaten voelde. Ik zie mij zelven nog naar bed gaan in die groote,
holle kamer, geheel alleen, en op den rand van het ledikant zittende
schreien om een vriendelijk woord van Peggotty. Ik zie mij zelven nog
's morgens beneden komen en door het venster op de lange gang naar de
klok op het bijgebouw met het windvaantje kijkende, opziende tegen
het tijdstip, waarop J. Steerforth en de andere jongens zouden worden
opgeroepen voor de lessen, en meer nog naar dat, waarop de man met het
houten been het knarsende ijzeren hek zou openen om dien vreeselijken
mijnheer Creakle binnen te laten. En altijd met die akelige
waarschuwing op mijn rug!
Mijnheer Mell sprak niet veel met mij, maar was ook niet hard voor mij.
Ik zou bijna kunnen zeggen, dat wij elkander gezelschap hielden zonder
te spreken. Ik vergat nog te zeggen, dat hij somtijds in zich zelven
sprak, grijnsde, de vuisten balde, op de tanden knarste en zijne haren
uitrukte, zonder dat ik eenige aanleiding kon ontdekken, waardoor zijne
woede werd opgewekt. Maar hij bezat deze eigenaardigheden nu eenmaal
en al beangstigden ze mij in het eerst, ik was er spoedig aan gewoon
geraakt.