In een hoog moerasland van Saarjärvis,
Op een schrale hoeve, woonde Pavo.
Onvermoeibaar ploegde hij zijn akker,
Maar van God verwachtte hij den zegen.
Met zijn gade en zestal lieve kleenen
Deelde hij zijn brood van zoete rogge.--
Vroolijk wierp hij 't zaad weêr in de voren;
Maar de lente kwam, en smolt de sneeuwlaag,
't Land werd slijk, en half het zaad verrotte.
Met den zomer woedden hagelstormen,
Die de vroegrijpe airen half verwoestten;
't Najaar kwam met zijn bevriezende' adem,
En--het luttel overschot verwelkte!
Pavoos gade ontrukte zich de hairen:
"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen
Grijp uw staf! wij zijn van God verlaten!
Hard is beedlen, harder nog verhongren!"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen!
Brood, half graan, half boomschors, is voldoende.
'k Zal de voren tweemaal dieper graven,
Maar van God-alleen den zegen wachten!"
En zij kneedde brood van graan en boomschors;
Zwoegend trok hij dubbel diep zijn voren.
Hij verkocht zijn schapen en kocht rogge,
Die hij biddend de aarde toevertrouwde!
Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag,
't Land werd slijk en half het zaad verrotte.
Met den zomer woedden hagelstormen,
Die de vroegrijpe airen half verwoestten,
't Najaar kwam met zijn bevriezende' adem,
En het luttel overschot verwelkte!
Pavoos gade sloeg zich op de borsten:
"Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen!
Laat ons sterven! God heeft ons verlaten!
't Sterven is wel hard, maar harder 't leven!"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
"God verlaat niet, maar beproeft de zijnen!
Brood, half graan, half boomschors, is voldoende.
'k Zal de voren driemaal dieper graven,
Maar op nieuw van God den zegen wachten!"
En zij kneedde brood van graan en boomschors,
Zwoegend trok hij driemaal diep zijn voren,
Hij verkocht zijn rundren en kocht rogge,
Die hij biddend de aarde toevertrouwde.
Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag,
Maar het land werd droog, het zaad bleef leven.
Lieflijk was de zomer, zonder hagel,
En de vroegrijpe airen tierden welig;
't Najaar kwam, maar zijn getemperde adem
Liet de halmen vol en ongeschonden,
En--zij ruischten voort als gouden golven!
Toen boog Pavo dankend neêr, en zeide:
"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
Dankend boog de vrouw ter neêr, en zeide:
"God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!"
Toen riep ze in verrukking tot haar gade:
"Pavo! Pavo! grijp met vreugd den sikkel!
Nu zal de overvloed ons hart verkwikken!
Nu behoeft geen boomschors ons te voeden,
'k Zal nu brood van louter rogge kneeden!"
Pavo nam bedaard heur hand, en zeide:
"Vrouw! o vrouw! de Heer wil ons beproeven;
Laat ons dan der armen ons ontfermen!
Meng uw meel met boomschors als te voren:
De oogst van onzen buurman is verijdeld!"