HIJ.

Ik stierf!.... O Heer van levenden en doôn.

Ik dank U op mijn knieën, dat ge aan mij

Uw wonder hebt volbracht, zoo groot, zoo schoon,

Dat ik, ook ik--O Heer! hoe goed zijt Gij!--

Niet sterven slechts, maar zálig sterven mocht!

Gij weet, o Heer! hoe menigmalen ik

Gepeinsd heb aan dat uiterst oogenblik,

En in 't gebed Uw aanschijn heb gezocht,

U smeekend, dat Gij-zelf--ik kon het niet--

Mij zóo mocht voorbereiden, dat de dood

Mij eenmaal zacht en zalig de oogen sloot!

Nu, Heer! Gij, die geen biddend hart verstiet!

Die beê, gelijk al de andren, werd bekroond.

Ook hier, als immer, hebt Ge U groot getoond

En heerlijk, vol van liefde en medelij'!

Wat eenmaal vóor mij stond, is nu voorbij.

Ik stierf, eer ik mijn sterven heb vermoed:

Ik ondervond slechts dit: de Dood is zoet!

Gelijk een Moeder 't ingesluimerd wicht

Uit de enge wieg in 't lieve lentelicht

Ter nederzet: zóo hebt Ge mij al zacht

Van de Aarde naar den Hemel heengebracht.--

En nu, mijn lieve! laat mij gaan....

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 45 / 144 题