Gij zijt het! Hebt gij dan niet lang gesmacht
Op 't ziekbed, in mijn laatste kamerkijn,
Waar ge op uw eigen wensch wordt heengebracht?
Heeft niet uw lieve zoon u dag en nacht
Zoo trouw verpleegd, zoo zorgelijk behoed,
Terwijl hij u geen oogenblik verliet?
Zaagt gij dan nacht en dag den teedren groet
Dier oogen van uw lieve dochter niet,
Verdronken in een heeten tranenvloed,
Maar nooit geloken? Voer een zachte schok
Niet eensklaps als een huivring door uw leên?
En zeeg daar niet een nachtfloers om u heen,
Dat d'aanblik uwer kindren u onttrok?