Niet steeds wordt voor de grootste heldendaden
Een roemzuil door de zwanenveêr gesticht:
In diepen nacht, aan niemands blik verraden,
Schuilt vaak de stof voor menig Heldendicht.
En tragischer dan alle treurtooneelen
Is 't leven vaak voor menig menschenziel,
Die onverpoosd heur droeven rol moet spelen,
Tot straks voor goed de bonte voorhang viel.
De Dichter zing' geen hooggeroemde Helden,
Waarvoor zich de aard afgodiesch nederbuigt!
Zijn Elegie moet zulke strijders gelden,
Waarvan de rol der eeuwen niet getuigt!
Hij zinge 't hart, in de eenzaamheid gebroken;
Den wrangen traan, te middernacht geschreid;
Het vrije woord, in 't kerkerhol gesproken,
Waar nooit de zon heur lieve stralen spreidt;
Het vaderhoofd, vergrijsd in zorg en vreeze;
De moederklacht, bij 't sterfbed van een kind;
De worsteling der aangevochten weeze,
Die honger heeft en toch de deugd bemint!
Van zulk een strijd der zielen zal hij spreken,
En juichen als de zege wordt gevierd,
En zóo het zwijgen der Historie wreken,
Die, vleiend, slechts de Koningen lauwriert!
Gij, Clio! prijst alleen de hooggezetenen,
Al bracht hun zwaard ook duizenden ten val:
Zoo zinge dan de Dichter de _Vergetenen_,
Die God aanschouwt en--Boven kroonen zal!