Wil het kleine niet versmaden:
't Is de bron van groote kracht.
Kan hij de Eeuwigheid gewinnen,
Die het Oogenblik veracht?
Uit een vonkjen onder de assche
Rijst de blakerende vlam;
Uit het weggeworpen zaadtjen
Kiemt de statige eikenstam.
Groeiend tot een berglawine,
Rukt de sneeuwvlok rotsen neêr;
En de droppel bij den droppel
Wordt een peilloos Alpenmeir.
Ja, éene enkele gedachte,
Stralende uit eens Wijzen hoofd,
Kan een kranke waereld redden,
Die er dankbaar aan gelooft!