Een laatst vaarwel wordt er tusschen de mannen
gewisseld. Gelukkig! Janssen laat het "nêf" achterwege. Daar treedt
hij met zijn geleider de straat op, en--terwijl de Gelderschman op
't vragen van den vreemdelingen-bloedzuiger kortweg bericht: "Noar
't bosch en de zee!" wrijft Van Middelnesse zijn blanke handen;
keert naar zijn eega terug, en zegt vol verrukking:
"Boven verwachting! 't Is alsof me een steen van het hart is gevallen."
"Ja, ik dacht stellig dat hij ten minste van avond terug zou komen,"
is 't antwoord van mevrouw, en ze voegt er nog bij: "'t Deed me
erg veel pleizier Charles, dat je den goejen man nog zoo'n beetje
animeerde. Dag lieve!"
Emilie geeft Charles een zoen.
"Hoor eens," herneemt de "lieve" die zich gaarne den zoen laat
welgevallen, den zoen, die hem verzekert dat hij wél heeft gehandeld:
"hoor eens, er zijn standen Emilie; familie of geen familie, zooveel
men vermag moet men zijn stand bewaren, en men gooit hem al aanstonds
te grabbel door zulke menschen in zijn huis te ontvangen; _ik_ zeg
Emilie, daar zijn standen in de wereld, en, eenmaal op deze hoogte,
behoort men zich niet te verlagen."
Juist! er zijn standen in de wereld en men behoort zich niet te
_verlagen_....