BIJ DEN GELDERSCHEN NEEF.

Na een "allerliesten rit" over den breeden dijk van Arnhem op Nijmegen,

en vervolgens zijwaarts af over een flinken grindweg, bereiken de

echtelieden Van Middelnesse tegen den namiddag het dorpje B., waar de

jeugd, die juist naar de middagschool gaat, het mooie rijtuig aangaapt,

het voor een groot deel begeleidt, en op de vraag van den koetsier:

waar mijnheer Janssen woont? zonder te antwoorden lacht en goochelt;

elkaar naar voren duwt; den een den ander op den rug springt, totdat

er eindelijk een is, die, na de herhaling van de vraag, met den vinger

wijzende het bescheid geeft: "Gunds achter 't huus van Nol Peters."

In weerwil van deze niet zeer volledige aanduiding,

bereikt de barouchette eindelijk de woning van den

grossier-kruidenier-wethouder-vetweijer Janssen, van den vierkanten

man met het rondroode aangezicht, die, terwijl hij de pet van zijn

hoofd licht, het portier opent, en met een: "Welkom nêf en nicht,

bezonder mooi weertje harrejennig!" mijnheer en mevrouw Van Middelnesse

in het uitstappen behulpzaam is.

De schooljeugd blijft het "groote spul" aankijken, en, nadat die "heer

met de mavrouw" binnen den winkel zijn, volgen zij nog een eindweegs

de barouchette, waarvan de koetsier door Janssen met de woorden is

ingelicht: "Voar ie moar 't hekke in, kameroad; achter oan de schuur;

'k Hèt beste kleever op dêl."

Weinige minuten later zitten de voorname gasten vis-à-vis hun

Geldersche verwanten in de pronkkamer der laatsten.

't Is er waarlijk zoo min niet. Mevrouw ziet het met

welgevallen. Mijnheer maakt bij zich zelven de reflectie dat het hier

toch inderdaad ijselijk bourgeois is, terwijl de vrouw van Janssen--een

gulle, welgevormde, gezonde Juffer-boerin--voor deze gelegenheid

van boven tot beneden in 't zondagspak, en vuurrood van de eere,

die haar en haar huis weervaart--gedurig, _ja ja_, zegt, en dat de

femilie 't moar veur lief moet nemen, met de betuiging alweder, dat

't mooi weertje is. Mevrouw Van Middelnesse van hare zijde verzekert

dat zij het wezenlijk allerliest vindt, om haar en haar man zoo

af te wachten, en dat ze blij is nu eens kennis te kunnen maken,

en--dat de juffrouw.... _nicht_ wil ze zeggen ook kindertjes heeft,

nietwaar? _vier_ als ze zich wel herinnert?

Juffrouw Janssen, die aan haar echtvriend plechtig heeft moeten

beloven om zooveel mogelijk goed Hollandsch te spreken--en dat ook

reeds in praktijk heeft gebracht--roept in 't volle besef van. haar

moederwaarde:

"_Wát_ mein ie _vier_, mins? mins, 'k hêt 'r _zeuven_!"

Mevrouw Van Middelnesse is door dien uitval een weinig verschrikt,

en haar verbazing is bijzonder natuurlijk; trouwens _zij_ heeft er

zes, en, waar twee vrouwen met haar beiden dertien kinderen bezitten,

daar ontbreekt het niet licht aan discours. Het kroost der gastvrouw

is naar school; de twee kleinsten--sloapen 'en bietje.

Neef Janssen, die intusschen wil toonen dat hij zijn wereld zoowel

als zijn Hollandsch verstaat, trekt een blaadje waarop zich twee

karafjes en vier glazen bevinden, naar zich toe, en terwijl hij het

eene karafje vat, zegt hij tot den Hollandschen neef:

"Lust uwe dat ook in Den Haag? Zuivere bitter! Prebier 't moar is."

Van Middelnesse bedankt: hij bedankt wezenlijk; heusch, hij vindt

het allerliest, maar hij drinkt nooit iets, _nooit_!

"Dan zou'k oe man niet wezen," zegt de Betuwnaar; "we hebben hier af

en toe 'en drupke van noode; uwe mot niet noar mien kijke: ik neem

't altijd tien minuten véur 't êten, en wellui voor ons, we hebben

't êten al achter de knoopen."

"Och kom...." zegt de Hollandsche neef die iets leegs gevoelt, en zich

toch meent te herinneren, van een "ham" in den brief te hebben gelezen.

"Kee sting er op dat we wachten zouen tot gelluu.... uwe d'r waren,"

herneemt Janssen, die 'en heele toer met zijn Hollandsch heeft

omdat hij 't ook nooit meer sprak, alleen slechts wanneer hij in den

jachttijd op 't kastêl at: "maar," vervolgt hij: "ik zei, loauwe stil

onze gang goan:--'t was met de kinders, zie je--dan kuwwe best op z'n

Hollandsch nog êns éten. Vader placht altied te zeggen: êt zooveul

da'j van veur af aan weer beginnen kunt."

"Ah juist!" zegt de heer Van Middelnesse: "Maar 't is waarlijk al te

veel moeite voor.... voor....re mevrouw...."

"Mein ie Kee....!" vatt Janssen haastig in: "_juffer_ as te blief,

of nicht; we _mevrouwen_ hier niet; allinnig op 't kastêl."

"Ja juist, _nicht_ wil ik zeggen," hervat de Hagenaar--en tot zijn

gade: "Nietwaar Emilie, dat is waarlijk al te vriendelijk om voor _ons_

nóg eens diner te houden, heusch, we hadden geen behoefte. We hebben

te E. nog een broodje gebruikt!"

"O hé ja," antwoordt de gade--_die letterlijk rammelt_: "u hadt dat

_niet_ moeten doen."

"Allemoal gekheid!"-roept Janssen, "a'j 'en stuk vlei.... vleesch

op de vurk hebt, dan zu'j wel bieten: en lus je't niet, óók goed,

de jongens weten er weg mee.--Toe Kee, loop is noar de keuken, en

zie of ze de eerdappels hoast goar hebben."

Kee had al lang naar de keuken gewild, en--_loopt._--Bij afwezigheid

zijner wederhelft, stelt Janssen al zijn Hollandsche welsprekendheid in

't werk, om nicht tot het gebruiken van een glaasje dubbele annies

te verlokken: "Goed voor de frissigheid," betuigde Janssen: "'t was

nog van de letste kroamhistorie: St. Jan 'en joar geleejen."

Mevrouw is tot Janssens blijdschap niet onverbiddelijk, en zelfs

mijnheer--die heusch nooit iets drinkt--zit in 't einde, evenals zijn

wederhelft, met een ten boorde toe gevulden wijnroemer dubbele annies,

vóór zich.

Janssen zal dan--veur de gezelligheid--nog 'en klein drupke bitter

nemen: "Nóg êns éten: nóg êns bitter!"

Tijdens de afwezigheid der gastvrouw vernemen de echtelieden dat

neef Janssen volstrekt van geen fratsen houdt; dat ie niet licht

iets presentieren zal as ie 't niet kwiet wil wêzen; dat ie graag hét

dat ze hum Rijnsche wien schenken; dat ie 'en afgestamden hêkel oan

achterbaksigheid hèt; en doarum Jan Taks--zien buurman, niet luchten

of zien kan; Jan Taks heeft ze achter de mouw zitten.--Weet je,

_hier_! mooie woorden, en knooien in 't geniep.

De echtelieden vernemen: dat hij--Janssen--onder de ersten van 't derp

wordt geteld, moar, dóárom 't heu.... hoofd niet in den nek sleet:

"Zie je, zelfs as ik minderman tegenkom, dan doei ik zoo" zegt de

spreker, en hij licht de pet--die hij gewoon is ook binnenshuus op

te houden--even van 't hoofd: "moar," vervolgt hij alweder: "wat

niet warken wil, die hét _den duuvel_ oan Janssen gezien. Tegen de

knappe arbeijer, doar zeg ik tegen," en hij licht weder zijn pet op:

"Kom binnen, zeg ik: goa zitten zeg ik, en we proaten as vrinden;

zie je, 'en mins is 'en mins!"

Nog verder vernemen mijnheer en mevrouw Van Middelnesse--die

natuurlijk neef Janssens principes door _jawels_ en dergelijken hebben

gehuldigd--dat de Betuwnaar zes en veertig mergen land onder de ploeg

hét, en zestien koeien en veertig ossen in de weies loopen; dat er

achter 't huus 'en groote karsenbongerd is, en dat de loate knappers

net giesteren zouen geplukt wêzen, moar--dat ie gezeid had: we zullen

ze loaten, dan kunnen nêf en nicht uut Den Hoag is zat en genogt éten.

Geen tien minuten later ligt er een hagelwit, ofschoon wel wat krap

laken door nicht Janssen zelve over de tafel gespreid. De huisvrouw

heeft de diepe borden al tellend: da's nêf, da's nicht, da's Janssen

en da's ikke, er mede op nedergezet; naast ieder bord links: 'en vurk,

rechts: 'en lêpel. Aan 't boveneinde der tafel legt ze nog een hoopje

van 't eerste, aan 't benedeneinde een hoopje van 't laatste soort

zilver neer.

Een bruinroode deerne in profond werkendags-gewaad, met den rooden

halsdoek zeer luchtig over den boezem en verder onder den gestreept

diemiten borstrok gespeld, treedt met een: G'en dag soam!" de kamer

binnen, en zegt, terwijl ze een grooten ronden schotel midden op de

tafel plaatst: "Hier hei'j de soep; z'is heit, heur!"

"Doar hewwe 't bloazen veur geleerd," zegt Janssen, en tot de gasten:

"Schuuf bij as te blieft."

De deerne is vertrokken; de gasten hebben zich nader bij de tafel

gezet; Janssen drukt het binnenste van zijn pet tegen het aangezicht,

en juffrouw Janssen doet haar oogen dicht en laat het hoofd op den

linkerschouder zakken.

Mijnheer Van Middelnesse legt de blanke hand tegen zijn voorhoofd en

bedekt er ten halve zijn oogen mee; het linkeroog kan echter nog genoeg

zien; en het ziet: dat mevrouw al biddende met haar fijn geborduurd

zakdoekje haar bord afveegt, en, dat er een trek om haar mond speelt

als of ze wil zeggen: "Foei ondeugd, je moest ook niet kijken.'

De maaltijd neemt een aanvang. Janssen noodigt de gasten om zijn

voorbeeld te volgen, en terwijl het Geldersche echtpaar met hun

lepels de soep over den rand van den grooten schotel binnen hunne

borden werkt.... _aarzelen_ de Hagenaars; maar--volgen ten laatste

inderdaad het gegeven voorbeeld.

Janssen beweert bij 't haastig opslorpen: dat die soep niks

kienderachtig smoakt,--en terwijl hij ten tweedenmale zijn bord vult,

voegt hij er bij: "Kee weet 't wel, en wat mien belangt, _ik_ heb

gezeid: ze motten geen honger lieën, heur ie. Tast toe nêf en nicht,

z'is verechtig niet schroal. Soep is moar buukvulling."

"O z'is keurig!" zegt mevrouw Van Middelnesse, ofschoon ze haar veel

te vet vindt, maar toch, HE. had honger.

"Délie! Délie!" betuigt mijnheer, en de verkwikkende spijze doet

hem zóó'n goed dat hij waarlijk vrede met _dat soort van menschen_

krijgt, en--dan zoo vrij zal wezen nog _tant soit peu_ te nemen.

Wij zullen het viertal rustig hun middagmaal laten gebruiken, Janssen

even graag alsof het zijn eerste was. Na de soep verscheen er een

groote bak, met kruimige dampende aardappels gevuld; daartegenover

"flankte" de huisvrouw een dito schotel met groote boonen, die,

zooals Janssen beweerde, geen zuigelingen woaren, maar: stonden in

de moag! De groote ham van een "eigen slachts-verken" formeerde met

een diepen bak, waarin zich aan groote dobbelsteenen gesneden en hard

gebraden stukjes rundvleesch bevonden, benevens de gezegde schotels,

die met de boonen en aardappels gevuld waren, een kring, in welks

midden een groote sauskom was neergezet.

Janssen die maar gedurig bleef verklaren dat hij van geen fratsen

en van geen noojen hield, liet intusschen evenals zijn wederhelft,

geen stil oogenblik voorbijgaan, zonder zijn gasten tot toetasten

te dringen, en wierp nu eens den neef eenige sneden ham op 't bord,

en drong dan weder zijn nicht--die heusch genoeg had--om eenige

dobbelsteenen vleesch naar zich toe te halen, met de vergunning:

"A'j 't niet lust, loat moar liggen!"

"Hier nêf, drink is; 't is wie.... wijn van 't joar 48, 't beste wa'k

in huus heb."

Mijnheer en mevrouw werden rood van 't eten!

In 't einde, daar gaat de deur open, en, mét de deerne van den rooden

halsdoek, die weder een grooten bak met riestenbrij in de handen

draagt, stuift ook een zestal kinderen de kamer in.

Daar had je 't leven!--Dag voader, dag moeder!" "Wie zin dat?"--"Zin ze

dat uut Den Hoag?"--"Êt gelluu nog ens?"--"Kriegen we ook wat?"--zoo

vroegen de knapen en meisjes, en ze vroegen nog een heelen boel meer,

terwijl de ouders vermaanden en bevolen, dat ze _g'en dag_ mosten

zeggen; dat dát nêf en nicht woaren uut Den Hoag, woar de Keu.... de

Koning woont; dat Willem zien schriefboek is most loaten zien, woar

de meister zoo dukkels: "uitmuntend" op schreef; dat Mieke d'r neus

most afvêgen, en eindelijk, dat ze stil noar buuten mosten goan, met

de belofte: "dan krieg ie allemoal riestenbrij. Vort jongens!"--Daar

stormden ze heen.

"Allerliefste kindertjes! zoo ongedwongen, zoo sans gêne," verzekert

mijnheer.

"En zoo gezond!" merkt mevrouw aan; de buitenlucht is toch maar

alles!" (De kindertjes van mevrouw kregen les aan huis, omdat ze met

dat schoolgaan, vooral 's winters, zooveel kou opdeden).

"Ze kriegen noar beheuren wat ze willen, en ze kunnen _doen_ naar

beheuren wat ze willen!" zegt Janssen: "moar--gehoorzoam da's één,

en geen streken da's twee. Kom nêf nog 'en glêske!"

"Neen, heusch niet, ik zou bepaald de hoogte krijgen. Merci, merci!"

"Wát merci!" roept Janssen, en schenkt in; en de neef drinkt het glas

uit, en krijgt _niet_ de hoogte.

Wat de rijstenbrij betreft, ze moest en zou geproefd worden. Nicht,

Janssen verlangde, in alle nederigheid, toch een goedkeurend woord

voor haar nagerecht, en geen wonder--ze had er drie pinten vet van

room aan ten koste gelegd.

"As Mei-botter!" zegt Janssen, en mijnheer en mevrouw halen diep adem,

en--terwijl zij met hun respectieve vorken in de rijstenbrij-porties,

welke hun waren opgeladen, pikken en figuurtjes maken, om er dan weder

eens even mee naar den mond te wippen, betuigen zij dat nicht veel te

veel omslag heeft gemaakt, en dat ze er waarlijk verlegen mee zijn;

maar heusch, dat ze anders nooit zulke rijstenbrij geproefd hebben!

Neef Janssen lacht van plezier dat zijn gasten zoo óver en óver

tevreden zijn, en zegt: "Joa, al zin we Bêtuwslui, we weten nog wel

wat onzen gasten toekumt. Ku'j 't niet op? loat moar liggen! we zulle

danken, en dan--noar den bongerd om kersen te êten, totdat moeder de

koffie goar het."

Dat mijnheer en mevrouw juist niet extra veel trek in knappers hadden,

vinden wij zoo vreemd niet, maar Janssen, die den boom voor heurlui

gedestineerd had, zei aan Kees den arbeider: dat ie plukken most wat

ie kon in 'en tienponds mande: _die_ most ie moar zetten in de koets

van de lui, onder de veurbank.

Terwijl het viertal in bedevaart naar de dorpskerk trok,--aangezien

mevrouw zoo graag eens op pa's eersten preekstoel wilde, klimmen--was

het dat Janssen, niet zonder een gevoel van eigenwaarde, aan zijn

gasten de gronden wees, die hem in eigendom toebehoorden. Van de

bedevaart te huis gekomen, zit men al spoedig weder om de tafel

binnen de pronkkamer; de koffie is aangericht, dat heet: een groote

krentenmik staat naast een dito zonder krenten, omringd van een schaal

met ronde beschuit, een halve kaas, een groote kluit boter, benevens

een saucijsworst op een aanval te wachten. Uit de kraan der groote kan

vloeit driftig het bruine vocht in de kopjes: half koffie, half room.

Of er al genooid wordt, waarlijk men kan niets, of althans maar zeer

weinig gebruiken. Zelfs Janssen gelooft dat 't nog wat vroeg is,

umdat ie hoast niks geen trek het.

Nu was 't oogenblik daar om eens 't een en ander van Holland te

vernemen.

"Hebben ze nog al schik met de menisters tegenwoordig?" vraagt

Janssen. "Is 't woar dat ze zooveul muujte hebben um dubbeltjes van

de Koamers te kriegen? Heur is," voegt hij er bij op gewichtigen

toon; "ik bemuuj me weinig met de polletiek, moar, ielk mins hèt

zien begriep, en zie, dan begriep ik: dat ielk stel nije menisters

'en oarige slomp duiten kost, en, a'j ze moar stillekes oan 't ruur

liet, da'j dan 'en oarige som in 't loadje zou houe; 't zou er niet

slechter um goan, went, alle verstand kumt niet in 'en umzien."

Mijnheer Van Middelnesse is het volkomen eens, en beweert zelfs,

dat hij er niets op tegen zou hebben om--al was 't maar vijf

jaartjes--minister te spelen: _dan_ pensioen!" zegt hij ten slotte,

en knipt met de oogen.

De Betuwnaar geeft zonder omwegen te kennen, dat nêf uut Den Hoag, as

ie 't um de duiten dee, zien man niet zou wêzen, waarop de Hagenaar

spoedig betuigt, dat hij 't zoo niet bedoeld heeft, en dat hij ook

niet gelooft, dat het er _iemand_ om doen zou, maar--énorm veel

werkzaamheden; 't loon verzoet den arbeid!

Dit laatste stemt Janssen volmondig toe; _terzelfder tijd_ dat mevrouw

Van Middelnesse aan hare nicht verzekert: Ja wel, dat de koning er

precies zoo uitziet, precies als op de guldens en rijksdaalders.

De schoonheden van 't vorstelijk 's-Gravenhage met zijn museum en

andere bezienswaardigheden, benevens het heerlijke Bosch, waar 's

Zondags en 's Woensdags muziek is, worden door den Haagschen neef ten

zeerste geroemd. Janssen en de vrouw hebben er schik in, zoo oarig

as nêf d'r over proaten kan. De neef praat waarlijk allerliest,

en--nadat Janssen heeft gezegd, dat ie 't spul van z'n lêven nog

wel is wou zien, moar, dat ie zien mond wel af kan vêgen umdat 'r

toch nooit van kommen kan; nadat mijnheer nog vele redenen vernomen

heeft _waarom_ 't niet mogelijk was, betuigt ZE. dat het anders zeer

aardig zou wezen, wezenlijk.... en nicht....? heusch! wanneer zij 't

eenvoudige voor lief wilde nemen, dat ze dan stellig eens komen moet.

"Krek! krek! um de schoai is weerum te hoalen!" lacht Janssen. "Met

sint juttemis as de kalver op 't ies dansen, heur ie! Neen, dat

stuuverke zou al roar motte loopen as Janssen hê! hê! in Den Hoag

kwiem!"

Juffrouw Janssen lacht ook. Mevrouw--aangenaam door Van Middelnesses

goedheid verrast--trekt haar gelaat in een zeer inviteerende plooi. Het

aangezicht van den Haagschen neef drukt diepe teleurstelling uit.

Wanneer er inderdaad bezwaren zijn, wil hij niet bij zijn invitatie

persisteeren, maar anders, een man als neef Janssen, dient de

residentie, en althans de zee gezien te hebben: "Enfin! enfin! van

harte gemeend!"

In weerwil dat de huisvrouw onaangenaam gestemd is, dewijl de neef

en nicht willen vertrekken zonder iets van haar ruuting-maal te

gebruiken--welke laatste versnapering in dik geworden zoete melk

met beschuit en bruine suiker bestaat--maakt het Haagsche echtpaar

zich nu weldra tot de afreize gereed; ze zullen toch al laat in de

stad terugkomen.

Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap · 第 13 / 43 题