SECTION II

Ferguut en Galiëne

Den ganschen dag had Ferguut gereden, toen hij eindelijk kwam aan

een groot kasteel; op de brug zag hij een ridder, die een valk in

de hand hield, en naast hem stond diens nicht, de schoone Galiëne,

schoonere jonkvrouw kende men niet in het land van Alney. [8] Ze had

grijze, klare oogen, een glad en hoog voorhoofd; haar gelaat was

lang, recht en blank; rood waren de lippen, en ze had een kleinen

mond. Smal was ze van schouder, de armen waren lang, en de handen

klein en wit. Toen zij geboren werd, bedacht de natuur, om haar

alle schoonheid te geven, en volmaakt werd zij. Ferguut nam haar,

toen hij van zijn paard sprong, bij de hand. Een dienaar ontdeed

hem van zijn wapenen, en de jonkvrouw zag den ridder in liefde aan,

want ze vond hem schoon en wel van wezen. Ze dacht stil in zichzelf:

"Moge mijn oom het niet bemerken, dat ik den vreemden ridder min."

Men bracht het paard naar de kribbe vol haver, en toen togen zij

tezamen, de oude ridder, Ferguut en Galiëne, naar de zaal, waar zij

zich nederzetten. Doch Galiëne sprak niet tot Ferguut, den ganschen

avond niet, zoolang haar oom bij hen zat. Ze had te wachten, tot haar

oom sliep, en alles stil was. Toch, voor zij Ferguut haar smart beleed,

spraken veel stemmen in haar, met driftig-verwijtenden, met loktienden,

met spottenden, met twijfelenden klank.

"Lieve vriend Ferguut," zeide een stem, "dat ik lijd, hoe luttel weet

ge 't--"

Een andere stem, binnen-in haar hart, hoonde:

"Wat spreekt gij van vriend, zottin, nooit hebt ge hem vroeger

gezien! Erger ben ik dan een dief, omdat ik van hèm houd, dien ik

niet ken."

"Morgen zal hij heengaan," fluisterde een andere, vleiende stem,

"en spoedig zal hij mij vergeten zijn. Hoe zal hij weten, dat ik om

hem lijd?"

"Wist hij--wist hij--hij zou mij zijn liefde niet ontzeggen--"

"Zeg ik 't hem niet, nooit zal hij 't weten. Zeg ik 't hem ik zou mijn

geslacht in oneer brengen. Liever legde ik mijzelf in de doodkist,

dan dat mijn mond 't hem zou vertellen."

"Wat zal ik doen? Ja, ik zal heengaan--en zien, of er iemand

anders--Mijn vader wil mij altijd een rijk vorst geven, schooner dan

dezen jongeling."

"Schooner? Wat heb ik gezegd--Geen schooner jongeling vind ik--"

"Wist hij--wist hij--Hij zat bij mij--en zeide geen woord tot mij--Had

hij niet met mij gesproken, als hij me minde?"

Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles

zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende

stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide,

wat zij leed.

"Niemand troost mij," zeide zij tot hem, "en ik gevoel pijn om

uwentwil. Mijn hart heb ik verloren--geef mij mijn hart, Ferguut."

"Jonkvrouw--antwoordde de domme ridder--wat wist hij nog van leed?--"ik

zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet

.... Ga van mij heen."

"Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn

hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk

is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood."

Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door

haar zou laten tegenhouden?

"Niet om deze dingen ben ik uitgegaan," sprak hij, "maar om te

strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet

mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou

vergunnen, om mij te minnen, voor ik den ridder bij de zwarte rots

heb overwonnen."

Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich

schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij

bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken

aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt,

het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was

gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen

naar de zwarte rots.

"Komt gij na uw strijd tot ons terug?" zoo vroeg hem zijn gastheer.

"Ik kom terug," antwoordde Ferguut, "zoo ik den horen en sluier heb."

Een wolk van stof was er aan het eind van den weg. De oude ridder

tuurde er nog lang naar, angstig om der wille van Ferguut. Doch hij

wist nog niet, dat Galiëne het kasteel had verlaten en door een paar

spottende woorden van Keye, zocht Ferguut het avontuur, terwijl hij

de liefde had kunnen vinden.

O! een avontuur, dat hem langen tijd zou heugen.

Want naar den top der rots ging maar een kleine weg, die niet breed

genoeg was voor man en paard. Hij bond het dier aan een olijfboom en

met veel moeite klom hij naar boven. Dikwijls bij het opwaarts-gaan

gleed hij naar beneden, en zijn hand werd wreed aan de doornen

gewond. Hij scheen niet verder te komen, en waar was de leeuw met

horen en sluier? Waar de ridder, die met hem zou strijden? Had men

hem dan ten hove niet de waarheid gezegd?

Toen vond hij eindelijk een kapel, waar hij binnen wilde

treden. Daarvoor stond een metalen beeld, een hamer in zijn hand,

dreigend van houding, maar Ferguut was niet angstig, en wierp hem

den hamer uit de vingeren. Nu bemerkte hij, dat er geen leven in het

beeld was, en hij schaamde zich, dat hij gestreden had met een man, die

zich niet kon verweren. In de kapel zag hij den leeuw, die van ivoor

was gemaakt. Hij rende erheen, hij ontnam hem horen en sluier. Hoog

richtte hij zich op. Driemaal stiet hij den horen, dat het geluid

verre in de ronde klonk. Trotsch daalde hij van de rots--zou hij

zonder gevecht bij koning Arthur komen? Hij ging naar den olijfboom,

hij sprong op zijn paard, hij nam schild en speer en riep:

"Waar is de ridder, die mij dooden zou. Hij kome hier! Al waren het

vijf ridderen, ik zou hen niet ontvluchten!"

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er was een donderend

geluid in het woud. Een zwarte ridder naderde Ferguut, zwart was hij

van hoofd tot voet, alleen zijn tanden waren wit. Zwart als de nacht

was zijn paard. Hij riep uit:

"Dief--wie ben je--jij, die mijn horen hebt--je bent verloren. Ben je

uit Allemanje, of uit Engeland? Heeft de koning je gestuurd? De zwakken

zendt hij mij toe, maar niet mannen als Gawein, als Lanceloot, als

IJwein, als Sagremort, als Perchevael. Waarom kwam Arthur zelf niet,

dat galgenaas, met twintig ridderen of geheel zijn leger? Morgen zal

ik hem jouw hoofd sturen, boven op een stok--te zijner schande zal

ik dit doen."

Zeker waren er nimmer twee ridders strijdende, zoo na elkander in moed,

kracht en lenigheid. Ferguut was zeer vertoornd, dat de zwarte ridder

met den koning had gespot, en in de eerste drift stak hij hem met

zijn lans door schild en harnas, en nauw gleed het scherpe ijzer het

vleesch voorbij, maar zijn vijand hieuw hem het schild aan tweeën,

en ook door Ferguut's harnas stak hij. Ten tweeden male aanvallend

drong de speer van den jongen knaap in het lichaam van den zwarten

ridder, wel een el diep, doch met een geweldigen slag stootte de

zwarte ridder Ferguut met de groote lans in de hand, zóó forsch,

dat het ijzer in tweeën spleet.

Met zwaarden vochten zij beiden, en van elkander's helm sloegen zij

groote stukken. Zwaard raakte zwaard en schild, de strijd duurde

voort. Toen brak het zwaard van den zwarten ridder, en hij moest

nederknielen, teneinde Ferguut om genade te smeeken.

"Geef u gevangen den koning Arthur," beval hem Ferguut, "en breng

hem den sluier en den horen. Dan wordt uw leven gespaard."

"Dood mij liever dan mij tot den koning te doen gaan, want vele zijner

mannen heb ik hem met dit zwaard, dat hier gebroken ligt, ontroofd."

"Zeg, dat ik u gezonden heb. Ik ken den koning, die u zijn genade zal

betoonen. Ga tot hem in de zaal, en breng al zijn heeren mijn groet,

behalve Keye, die met mij heeft gespot."

"Ik zal gaan--" antwoordde de zwarte ridder, "dan zal ik mij aan

hem gevangen geven. God verleene mij hulpe." Hij zwoer, dat hij

tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst

zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij

besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder

avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren

gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij

het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn

hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden

om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond

met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit:

"Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt--"

"Al mijn vreugde--," zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem,

"die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het

in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan?--"

Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met

hoofsch gebaar naar zijn slot.

"Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken

wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den

zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is

gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was."

Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor

zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was

geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag,

was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol

angst vroeg hij:

"Heer--zeg mij--waar is Galiëne?"

"Ik weet het niet--waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat

er met u is geschied."

"Ach--waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is ... verstaat gij

mij--? doet me pijn--"

Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan,

zóó langen tijd, elkaar vragend, zonder elkaar te beantwoorden. Had

Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die

hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's

hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij

ware haar gevolgd.

Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut

droeve was. Hij schrok.

"Waarom lijdt gij, heer?"

"Ik heb verworpen, wat in mijn hand lag," kreet Ferguut, "wee

mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik

daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken--dag

en nacht--tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit

te rijten--kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn

smart te bevrijden."

De goede man greep hem vast.

"Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het

is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij--ik

zal u geven, wat gij behoeft--spijzen--en rust."

"Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch in dorpen, noch in

steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd

mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau [9] wonen,

kunnen mij niet beletten te gaan."

De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te

houden. Milde berusting was er in zijn gebaar.

"Vriend--," zeide hij, "God moge u beschermen. Het doet mij leed,

dat gij niet wilt blijven."

Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild aan zijn hals,

de speer in de hand. Alomme was het nacht, doch in het duister was

een nevelende sluier van maanlicht.

Nederlandsche Sagen en Legenden · 第 2 / 4 章