Ferguut en Galiëne
Den ganschen dag had Ferguut gereden, toen hij eindelijk kwam aan
een groot kasteel; op de brug zag hij een ridder, die een valk in
de hand hield, en naast hem stond diens nicht, de schoone Galiëne,
schoonere jonkvrouw kende men niet in het land van Alney. [8] Ze had
grijze, klare oogen, een glad en hoog voorhoofd; haar gelaat was
lang, recht en blank; rood waren de lippen, en ze had een kleinen
mond. Smal was ze van schouder, de armen waren lang, en de handen
klein en wit. Toen zij geboren werd, bedacht de natuur, om haar
alle schoonheid te geven, en volmaakt werd zij. Ferguut nam haar,
toen hij van zijn paard sprong, bij de hand. Een dienaar ontdeed
hem van zijn wapenen, en de jonkvrouw zag den ridder in liefde aan,
want ze vond hem schoon en wel van wezen. Ze dacht stil in zichzelf:
"Moge mijn oom het niet bemerken, dat ik den vreemden ridder min."
Men bracht het paard naar de kribbe vol haver, en toen togen zij
tezamen, de oude ridder, Ferguut en Galiëne, naar de zaal, waar zij
zich nederzetten. Doch Galiëne sprak niet tot Ferguut, den ganschen
avond niet, zoolang haar oom bij hen zat. Ze had te wachten, tot haar
oom sliep, en alles stil was. Toch, voor zij Ferguut haar smart beleed,
spraken veel stemmen in haar, met driftig-verwijtenden, met loktienden,
met spottenden, met twijfelenden klank.
"Lieve vriend Ferguut," zeide een stem, "dat ik lijd, hoe luttel weet
ge 't--"
Een andere stem, binnen-in haar hart, hoonde:
"Wat spreekt gij van vriend, zottin, nooit hebt ge hem vroeger
gezien! Erger ben ik dan een dief, omdat ik van hèm houd, dien ik
niet ken."
"Morgen zal hij heengaan," fluisterde een andere, vleiende stem,
"en spoedig zal hij mij vergeten zijn. Hoe zal hij weten, dat ik om
hem lijd?"
"Wist hij--wist hij--hij zou mij zijn liefde niet ontzeggen--"
"Zeg ik 't hem niet, nooit zal hij 't weten. Zeg ik 't hem ik zou mijn
geslacht in oneer brengen. Liever legde ik mijzelf in de doodkist,
dan dat mijn mond 't hem zou vertellen."
"Wat zal ik doen? Ja, ik zal heengaan--en zien, of er iemand
anders--Mijn vader wil mij altijd een rijk vorst geven, schooner dan
dezen jongeling."
"Schooner? Wat heb ik gezegd--Geen schooner jongeling vind ik--"
"Wist hij--wist hij--Hij zat bij mij--en zeide geen woord tot mij--Had
hij niet met mij gesproken, als hij me minde?"
Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles
zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende
stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide,
wat zij leed.
"Niemand troost mij," zeide zij tot hem, "en ik gevoel pijn om
uwentwil. Mijn hart heb ik verloren--geef mij mijn hart, Ferguut."
"Jonkvrouw--antwoordde de domme ridder--wat wist hij nog van leed?--"ik
zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet
.... Ga van mij heen."
"Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn
hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk
is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood."
Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door
haar zou laten tegenhouden?
"Niet om deze dingen ben ik uitgegaan," sprak hij, "maar om te
strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet
mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou
vergunnen, om mij te minnen, voor ik den ridder bij de zwarte rots
heb overwonnen."
Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich
schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij
bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken
aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt,
het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was
gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen
naar de zwarte rots.
"Komt gij na uw strijd tot ons terug?" zoo vroeg hem zijn gastheer.
"Ik kom terug," antwoordde Ferguut, "zoo ik den horen en sluier heb."
Een wolk van stof was er aan het eind van den weg. De oude ridder
tuurde er nog lang naar, angstig om der wille van Ferguut. Doch hij
wist nog niet, dat Galiëne het kasteel had verlaten en door een paar
spottende woorden van Keye, zocht Ferguut het avontuur, terwijl hij
de liefde had kunnen vinden.
O! een avontuur, dat hem langen tijd zou heugen.
Want naar den top der rots ging maar een kleine weg, die niet breed
genoeg was voor man en paard. Hij bond het dier aan een olijfboom en
met veel moeite klom hij naar boven. Dikwijls bij het opwaarts-gaan
gleed hij naar beneden, en zijn hand werd wreed aan de doornen
gewond. Hij scheen niet verder te komen, en waar was de leeuw met
horen en sluier? Waar de ridder, die met hem zou strijden? Had men
hem dan ten hove niet de waarheid gezegd?
Toen vond hij eindelijk een kapel, waar hij binnen wilde
treden. Daarvoor stond een metalen beeld, een hamer in zijn hand,
dreigend van houding, maar Ferguut was niet angstig, en wierp hem
den hamer uit de vingeren. Nu bemerkte hij, dat er geen leven in het
beeld was, en hij schaamde zich, dat hij gestreden had met een man, die
zich niet kon verweren. In de kapel zag hij den leeuw, die van ivoor
was gemaakt. Hij rende erheen, hij ontnam hem horen en sluier. Hoog
richtte hij zich op. Driemaal stiet hij den horen, dat het geluid
verre in de ronde klonk. Trotsch daalde hij van de rots--zou hij
zonder gevecht bij koning Arthur komen? Hij ging naar den olijfboom,
hij sprong op zijn paard, hij nam schild en speer en riep:
"Waar is de ridder, die mij dooden zou. Hij kome hier! Al waren het
vijf ridderen, ik zou hen niet ontvluchten!"
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er was een donderend
geluid in het woud. Een zwarte ridder naderde Ferguut, zwart was hij
van hoofd tot voet, alleen zijn tanden waren wit. Zwart als de nacht
was zijn paard. Hij riep uit:
"Dief--wie ben je--jij, die mijn horen hebt--je bent verloren. Ben je
uit Allemanje, of uit Engeland? Heeft de koning je gestuurd? De zwakken
zendt hij mij toe, maar niet mannen als Gawein, als Lanceloot, als
IJwein, als Sagremort, als Perchevael. Waarom kwam Arthur zelf niet,
dat galgenaas, met twintig ridderen of geheel zijn leger? Morgen zal
ik hem jouw hoofd sturen, boven op een stok--te zijner schande zal
ik dit doen."
Zeker waren er nimmer twee ridders strijdende, zoo na elkander in moed,
kracht en lenigheid. Ferguut was zeer vertoornd, dat de zwarte ridder
met den koning had gespot, en in de eerste drift stak hij hem met
zijn lans door schild en harnas, en nauw gleed het scherpe ijzer het
vleesch voorbij, maar zijn vijand hieuw hem het schild aan tweeën,
en ook door Ferguut's harnas stak hij. Ten tweeden male aanvallend
drong de speer van den jongen knaap in het lichaam van den zwarten
ridder, wel een el diep, doch met een geweldigen slag stootte de
zwarte ridder Ferguut met de groote lans in de hand, zóó forsch,
dat het ijzer in tweeën spleet.
Met zwaarden vochten zij beiden, en van elkander's helm sloegen zij
groote stukken. Zwaard raakte zwaard en schild, de strijd duurde
voort. Toen brak het zwaard van den zwarten ridder, en hij moest
nederknielen, teneinde Ferguut om genade te smeeken.
"Geef u gevangen den koning Arthur," beval hem Ferguut, "en breng
hem den sluier en den horen. Dan wordt uw leven gespaard."
"Dood mij liever dan mij tot den koning te doen gaan, want vele zijner
mannen heb ik hem met dit zwaard, dat hier gebroken ligt, ontroofd."
"Zeg, dat ik u gezonden heb. Ik ken den koning, die u zijn genade zal
betoonen. Ga tot hem in de zaal, en breng al zijn heeren mijn groet,
behalve Keye, die met mij heeft gespot."
"Ik zal gaan--" antwoordde de zwarte ridder, "dan zal ik mij aan
hem gevangen geven. God verleene mij hulpe." Hij zwoer, dat hij
tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst
zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij
besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder
avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren
gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij
het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn
hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden
om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond
met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit:
"Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt--"
"Al mijn vreugde--," zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem,
"die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het
in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan?--"
Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met
hoofsch gebaar naar zijn slot.
"Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken
wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den
zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is
gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was."
Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor
zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was
geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag,
was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol
angst vroeg hij:
"Heer--zeg mij--waar is Galiëne?"
"Ik weet het niet--waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat
er met u is geschied."
"Ach--waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is ... verstaat gij
mij--? doet me pijn--"
Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan,
zóó langen tijd, elkaar vragend, zonder elkaar te beantwoorden. Had
Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die
hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's
hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij
ware haar gevolgd.
Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut
droeve was. Hij schrok.
"Waarom lijdt gij, heer?"
"Ik heb verworpen, wat in mijn hand lag," kreet Ferguut, "wee
mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik
daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken--dag
en nacht--tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit
te rijten--kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn
smart te bevrijden."
De goede man greep hem vast.
"Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het
is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij--ik
zal u geven, wat gij behoeft--spijzen--en rust."
"Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch in dorpen, noch in
steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd
mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau [9] wonen,
kunnen mij niet beletten te gaan."
De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te
houden. Milde berusting was er in zijn gebaar.
"Vriend--," zeide hij, "God moge u beschermen. Het doet mij leed,
dat gij niet wilt blijven."
Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild aan zijn hals,
de speer in de hand. Alomme was het nacht, doch in het duister was
een nevelende sluier van maanlicht.