SECTION I

Nederlandsche Sagen en Legenden

Door

Josef Cohen

Met 32 Illustratiën in kleurendruk en zwart

Door Pol Dom.

Zutphen--W. J. Thieme & Cie--1917.

Inhoud

Hoofdstuk.

Voorrede

I. Het vrouwtje van Stavoren 1

II. Straffe Gods 11

III. Hoe Montfort ordeloos ligt 18

IV. Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam

kregen 20

V. De slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de

Vroolijke Willem 22

VI. Gerard, de slechte Heer 32

VII. De Basiliscus van Utrecht 53

VIII. Het Popje der Heks 57

IX. De Roode Hemdrok 64

X. Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen 67

XI. De Zeemeermin van Edam 71

XII. De Zeemeermin van Muiden; Erasmus 73

XIII. Kaïn 74

XIV. Het Heilig Hout van Dordrecht 83

XV. Maria, het Venster 87

XVI. Brammert en Ellert 89

XVII. Zomersneeuw 95

XVIII. Mirjam 101

XIX. De Gevangen Wolk 106

XX. De Gierige Mulder 111

XXI. Duif en Doffer 116

XXII. Emma van Haarlem 122

XXIII. Eleonora's Poll 125

XXIV. De Kamper Raadslieden 130

XXV. De Weerter Rogstekers 132

XXVI. Kabouterwraak 137

XXVII. Het Vrouwenzand 149

XXVIII. De Ridder van Stenhuisheerd 154

XXIX. Doodendroom 160

XXX. Mooi-Ann van Velp 167

XXXI. De Verborgen Schat 178

XXXII. Waarom de Reuzen in Limburg zijn uitgestorven 182

XXXIII. De Stille Ronde van Bergen-op-Zoom 187

XXXIV. De Witte Wiven van Lochem 196

XXXV. Het ontstaan der Namen van verschillende Hollandsche

plaatsen 208

XXXVI. De Witte Wiven van Tubbergen 210

XXXVII. Wonderlijke Avonturen van den Ridder met den Zwaan 219

XXXVIII. De Schelpengrot op Nienoort 244

XXXIX. Van eenen Ridder 252

XL. Van eenen Koster en eene Kosterin 255

XLI. De Bergtoren van Deventer 259

XLII. Een schoone historie van de vier Heemskinderen 265

XLIII. Ferguut 275

XLIV. Wonderlijke Geschiedenissen uit Friesland 311

XLV. Zuwaert, de Martelares van Dordrecht 321

XLVI. De Engelsche koningsdochter 323

XLVII. De Vliegende Hollander 332

XLVIII. Ontmoeting met den Vliegenden Hollander 338

XLIX. De Sage der "Lutine" 342

L. Doktor Faust bij Bommel 346

LI. Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden 352

Aanteekeningen 357

Register 398

Lijst van Illustraties

"Wie durft mij te vloeken--" _tegenover den titel_.

Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam 15

Het polsstokspringen 21

Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen

24

Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten

42

"Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden" 79

"O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen" 86

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem

weende 94

De moeder was naast haar jongen neergevallen 96

... En de Taak van den Dood niet wilde eindigen 101

Zij zag haren ridder op zijn ros 117

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op 146

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper

bij zich komen 149

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante

159

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde 163

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid 172

Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó

met woorden 185

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was

gestorven 195

Woest ijlde Bles den berg af 205

Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg 209

"Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd" 213

Hij toonde hun de ketens 235

"Spelen," smeekte 't kind, "laten wij spelen" 246

De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit

"Hoe heb ik u thans behandeld?" Vroeg hij 257

De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard 264

Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

278

In de hand hield hij het witte schild 295

Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van

gedaante 313

Zuwaert, de martelares van Dordrecht 321

"Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan." 331

De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid 332

Voorrede

Het is niet de eerste maal, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden

in een bundel worden vereenigd. Maar wel is het de eerste maal, dat

iemand in Nederland zich ten doel stelt, ook de ziel der folklore te

ontdekken. Wetenschappelijk is 't hart van ons volk genoeg beschreven;

deze arbeid echter wil meer.

Dikwijls heb ik menschen hooren vertellen, en dan dacht ik: het

zijn niet alleen de woorden, die het verhaal vormen, maar het is

ook de stem, en voor alles het gebaar. Weet gij, wat een gebaar kan

doen? Poover is dikwijls de woordkeus van den verteller, schriel zijn

stem ... maar het gebaar! Wist ge, dat er zoovele kunstenaars onder

het volk zijn?

Sommigen dezer sagen en legenden zijn verdroomd in 't groote hart van

Nederland. Velen leven nog onder de "denkers," zooals iemand ze mij

noemde. Smartelijk schrijf ik, dat soms de sage vergaat, wanneer ze

gedrukt is. Ik ben niet de eerste, die dit constateer.

En toch--niet op mij zal deze schuld rusten. Ik wil vertellen, zooals

ik het zelve heb gehoord, grappig, sentimenteel, rhetorisch, weemoedig,

zenuwachtig, angstig, geheimzinnig, met stil of met druk gebaar, al

naar den aard. Geheimzinnig steeds, zooals 't haardvuur vlamt en de

vlammen hoog op spelen bij den rood-koperen ketel. Ook ik zal deze

sagen lezen in de eenzaamheid met slechts enkele oude menschen--uit

het volk, zooals men zegt--bij mij, en waar ik hun gebaar mis, zal

ik misschien den klank mijner woorden hebben, zoodat zij naar mij

luisteren, als ik naar hen geluisterd heb.

Er zijn vele mysteriën in de menschelijke ziel, waarvan gij in

de groote steden geen besef hebt. Gij leeft uw dagen, zonder de

eenzaamheid te kennen--de strijd om het bestaan vreet uw geheimen

op--en de verrassende dood doet u hulpeloos zijn. Ge weet niet, hoe

angstig ik ben, dit volkshart te krenken. Ge weet niet, hoe ik mijn

vrienden zal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik,

dat zij mij zullen vrijspreken.

In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u,

de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en

ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen--voorspoken en

naspoken--kabouters en zeemeerminnen--duivels en witte wijven--menschen

met den helm geboren en weerwolven--al deze in bonte mengeling door

elkander--wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik

haat hun logica.

Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over

deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn

over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen,

hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.

Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord "bijgeloof." Een

mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst

gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om

wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en

bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het

zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in

zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.

Overblijfselen uit den heidenschen tijd?

Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.

Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend

nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden

kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem

plaagde--dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de

anatomie van het uiterlijke--waarom nooit 't gevoel voor het innerlijk

wezen? Waarom altijd 't ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?

Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den

kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in deze voorrede er niet verder

over spreken. Na dit boek zal waarschijnlijk de sage méér den dichter,

minder den wetenschappelijken man als zijn eigendom toebehooren. Laat

de volkskunde--de wetenschap--dan in handen van den geleerde .... Zóó

zullen wij immers voortaan als collega's naast elkander staan?

Twee dooden heb ik nog te herdenken: Gust. van de Wall Perné en

Waling Dijkstra. Zij ook hadden het volk lief en hebben er niet mede

gespot. Zij hebben ieder van hun streek gehouden, en waar lieden der

Vale Ouwe, waar zij van Friesland tezamen komen, klinke hun naam!

Nu wijkt alle vrees van mij. Er is een groot geluk, dat dit boek

wordt uitgegeven. Er bestaat geen blijder vreugde. Dezelfde liefde

als Van de Wall Perné en Waling Dijkstra heb ook ik. Ja, misschien

is 't mogelijk, dat eens de gansche rijkdom aan sagen, die Nederland

heeft, blinkt als een opgedolven schat. Friesland, het geheimzinnige

land, Groningen het zinnebeeld-zoekende, Drenthe, het onschuldige

en geestige, Overijsel, stil! 't is mijn droomende geboortegrond,

Gelderland, het sprookjes-vertellende, Utrecht, het oude, Holland

het werkelijke, Zeeland, het wijsgeerige en liefdevolle, Brabant, het

fantaseerende, en Limburg ... er is maar één Limburg: welke sagen! Ik

ken 't machtig Limburgsche volk uit zijn verhalen. Het moet een volk

zijn met vele kunstenaars.

Alle vrees is mij verre. Duizelend van geluk geef ik u 't beste bloed

van uw volk en 't beste bloed van mijzelven.

I

Het Vrouwtje van Stavoren

Het was in den zomer, en alles was rijk aan kleur en vreugde. Er was

zonnelicht over de zee, zoover men zien kon. Golven van zonnelicht

dansten met elkander, en ze zetten haar spel voort tot ver in de

haven van Stavoren: wie kon denken, dat het dezelfde golven waren, die

boosaardig in den winter, tuk op buit, de vlakke streek bedreigden? De

schepen dodeinden mede in de blijde wiegeling der zee, en ook hun

wimpels, ze wapperden op dezelfde maat. Waren het de durvende, grimmige

schepen, die tot verre voeren, naar de landen der Denen, der Noren,

naar de steden der Hanze, diep in het Duitsche land, onvervaard tegen

storm en roover? Ernstig was immers hun taak, ze brachten den rijkdom

aan hun aller meesteres, de vrouwe van Stavoren. Háár behoorde de

zee. 't Was echter niet háár wil, dat de wereld op dezen zomerdag

een feest was en niet háár ter eere dansten de statige schepen.

De kinderen stoeiden in de straten. Ze speelden haasje-over, en ze

sprongen in rijen, lieten elkaar nu eens los, voegden zich dan aaneen,

drongen naar een onbekend doel, en verspreidden zich ineens lachend

van elkander. Het geleek, of aldus de golven der zee haar spel binnen

de stad voortzetten.

De zomerdag was zelfs in de huizen. Het zonnelicht liet zich niet

buitensluiten, het sloop langs reet en spleet, over riet en hout,

tot het zich spreidde in 't binnenst der woning. Wat wist het van

beletselen? Waar het bijkans nog nooit was geweest--in de kameren

der vrouwe van Stavoren--was het met fleemend geweld gedrongen.

Hoog en eenzaam zat zij op haar stoel, de vrouwe van Stavoren. Ze

lette niet op de geluiden buiten, noch op het zonnelicht, dat blank

aan haar voeten lag. Ze staarde voor zich uit, en leefde in haar

eigen gedachten:

Morgen zouden hare schepen uit-varen, alle vijf. Het zou maanden duren

tot zij zouden wederkeeren; doch ook die tijd moest komen. Dan zou ze

haar goudgeld niet meer kunnen tellen. Ze zou het bergen op verscholen

plaatsen, opdat begeerige oogen het niet konden vinden. Wie zou dan

rijker zijn dan zij?

Hierover dacht de vrouwe van Stavoren op dezen dag, terwijl haar

schepen wiegelden in het zonnelicht. Ze haatte de vreugde, die

alomme was, het spel, dat ze niet verhinderen kon. Hoog en eenzaam

zat ze. Doch plotseling geschiedde er iets buiten op straat. Er was

kinderlachen geweest van den vroegen morgen en 't hield eensklaps

op. Het vervloeide niet, het stierf niet weg ... het stiet aan tegen de

stilte. Ja, inééns was het doodsstil, terwijl het zonnelicht bleef. Het

was niet de stilte vóór naderend onweer, of vóór den storm, die zijn

zwarte, zware wolken aan den glanzenden horizon doet rijzen. Niets

van schaduw was er en de vrouwe van Stavoren hief verwonderd 't hoofd.

Toen klopte ze op de tafel, en nòg eens, ongeduldig.

De dienstmaagd stond voor haar.

"Ga zien, wat op straat is, Margriet, en breng me de tijding."

Weder zette ze zich recht, en ze wilde haar gedachten in den

vroegeren gang doen keeren. Eens zouden haar schepen terugkomen,

alle vijf .... En 't goud .... Haar blik wendde zich naar een andere

richting. Was daar niet zooeven zonnelicht aan den wand geweest? Zou

toch onweer dreigen? Hoe stil was de stad. Margriet zou dadelijk wel

terug zijn .... Misschien was er een nieuw schip in de haven! Een zeil

was in de verte gezien, dat men niet kende? Gingen vreemde zeevaarders

aan land? Of zou er iets met haar eigen schepen ...?

Ze klemde haar hand vast om 't hout.

Neen, dat zou niet mogelijk zijn. En toch ....

Neen, op dezen stillen zomerdag kon in de haven van Stavoren geen

schip vergaan!

En toch ...?

Wanneer de vijf vaartuigen weder ... zou zij de rijkste ....

Waar bleef Margriet?

't Zonlicht was zooeven niet op den wand geweest, wel aan haar voeten,

waar 't nu ook lag.

Waarom wilden haar gedachten niet terugkeeren?

Angstig zag zij om zich heen. Ze stond op van haar stoel, en ging

uit de kamer. Ze werd naar de stille straat gedreven.

Niemand zag ze. Geen geluid hoorde ze. Onbewegelijk was 't felle

zonlicht.

Haar bloed woog zwaar in haar willoos lichaam, en als een sterke band

voelde ze den angst om haar brein. Stap voor stap naderde ze de haven

.... Wanneer haar schepen?

Niets was geschied. De schepen wiegelden in het zonnelicht, zacht

speelden de golfjes, het zonlicht was over de zee, en niet één klein,

wit wolke-lijntje beefde aan de star-blauwe lucht.

Ze bemerkte, dat allen uit de stad zich tezamen ver, drongen, en

trotsch liep ze naar het volk, de vrouwe van Stavoren, die geen vrees

behoefde te kennen. Ze sprak slechts enkele woorden: "Gaat op zijde,"

en allen maakten voor haar plaats.

Een in lompen gehulden man zag zij. Hij lag neder op den grond, van

honger en uitputting bijkans bewusteloos. Zijn voeten waren bloot,

en straaltjes bloed liepen uit 't gepijnigde vleesch. Om zijn magere,

doodswitte beenen was ternauwernood nog een rafel goed. Doch 't

vreeselijkst om te aanschouwen waren zijn handen, die lang gestrekt

waren. 't Geraamte schemerde er als een schaduw doorheen. Zijn mond

was iets geopend: de tanden stonden los in 't bleeke vleesch. Kin en

wangen waren diepe kuilen, hoog waren de beenderen geschoten.

Er was geen vreeswekkender armoede dan de zijne.

Wat dacht de vrouwe van Stavoren?

Natuurlijk wilde ze eenige lieden roepen, die den man naar haar

huis moesten dragen. En zelf zou ze hem verkwikken, en hem reisgeld

geven, wanneer hij verder trekken wilde. Zijn gekneusde voeten zou

ze met kuisch linnen omzwachtelen, zijn verteerde leden bekleeden,

en gelukkig zou ze zijn, dat zij den armen man had gered.

Waarom bleef haar trotsche mond gesloten?

De man richtte zich iets op, en zag naar haar. Zijn oogen .... Hoe ze

staarden naar de rijke vrouwe, die slechts één woord had te spreken,

en de Dood was verjaagd! Nimmer voor dien tijd had men geweten, dat ze

zóó machtig was. Ze kon den Dood verdrijven, wanneer ze dit verlangde.

Men wachtte op haar milden troost.

En toen begon de man te spreken.

"Help mij," zoo smeekte hij. Met moeite wendde hij zich, hij knielde,

en strekte zijn magere armen naar haar uit. Meer nog dan zijn woorden,

was dit zwijgend gebaar een bede.

En geen gestalte in de drom van menschen, welke in zijn beidende

onbewegelijkheid niet mèt hem smeekte.

Want zij allen gevoelden het, dat alleen de vrouwe van Stavoren redden

kon. Wat was de Dood tegen haar? Met het uitstrekken van éénen vinger

dreef ze den honger ver buiten de stad! Wanneer zij even glimlachte,

was de armoede in een land verdwenen. En men wachtte--Men wachtte

bang. De vrouwe van Stavoren lette niet meer op den armen man.

Ze staarde naar de zee--Haar schepen waren nog in de haven. Morgen al

zouden zij zee kiezen. In haar ooren klonk het tinken van het geld,

dat ze winnen zou. Zij gevoelde haar trots als een bedwelming, een

roes van blijden angst; en ze sidderde in haar kleed van goudbrocaat,

vol eerbied voor haar eigen rijkdom. Van de schepen gleed haar blik

naar haarzelve, en ze bezag zich, zooals zij stond temidden van het

nederige volk, voor den man, die zijn handen naar haar uitstrekte. Van

verre schenen zijn woorden te komen, zoo zwak was zijn stem:

"Help mij."

En van alle zijden druischten de stemmen op haar in: "Help hem."

Vleiend bewonderden haar oogen de granaatappelen, de bloemen, de

ranken, rijk geweven in haar statig gewaad. Elke figuur zag zij aan:

als in een wonderschoonen droom glimlachte ze.

Allen meenden, dat haar milde daad volgen zou. Ze glimlachte zeker

om de goede gedachten, en het geluk van 't medelijden was in heur

hart. Hoe zalig zijn zij, die geven mogen. Welk een gave is de rijkdom

voor hen, die milddadig zijn.

De arme man deed zijn handen zinken.

Het verlossend woord zou nu worden gesproken.

Ach! niemand wist, dat ze slechts gelukkig was om haar kleed, en dat

zij niet had geluisterd naar den kreet van den arme. Niemand wist,

dat ze maar droomde van een weefsel van granaatappelen, bloemen en

ranken, en dat ze niet begreep, hoe men op haar goede gaven wachtte.

Daar zij bleef zwijgen, hief de man met meer moeite zijn armen op. Nog

zachter, nog verder klonk zijn stem:

"Help mij."

Het volk zweeg. Wie was het, die beter nog vragen kon? Vast-geklemd

was aller verwachting aan het gelaat der trotsche vrouwe.

Toen zag ze naar den smeekeling. Ze strekte haar hand uit, niet om

te geven. Met schrik luisterde men naar haar woorden.

"In Stavoren is geen plaats voor zwervers en bedelaars. Wij hebben

geen lieden noodig, die niet werken willen. Maak, dat ge heen-gaat. En

gij allen! is er geen arbeid te over in deze stede, dat ge uit uw

werkplaatsen rent?"

Geen kracht had de arme, zijn handen te doen zinken. Zijn hoofd bleef

naar haar gericht, en 't geleek, of hij haar bleef smeeken. Roerloos

was het volk, de mannen zelfs van haar schepen.

"Niemand behoeft te helpen, want het kwade voorbeeld zal niet gegeven

worden in Stavoren. Het kwade voorbeeld is de pest, gaande van huis

tot huis. Schaamt u, gij allen, die het kwade voorbeeld niet verjaagt."

Was er iemand, die iets mompelde? Er was een stem geweest, die

verklonk.

Iemand had gedreigd.

Hooger richtte zich de vrouwe van Stavoren, en haar oogen, machtiger

dan de Dood, zagen van den een naar den ander. Zoo vorschte ze uit,

wie zou hebben gemompeld. Het was slechts een rimpeling van wrok

geweest, en in de roerloosheid was deze al opgelost.

"Ga weg uit Stavoren," zeide eindelijk de vrouwe weder tot den

bedelaar, "en weet, dat ge hier niet wederkeeren zult."

"Ik ben stervende--een bete broods!"

Er was een man in de menigte, die naar zijn huis wilde gaan, om

't voedsel te halen. De stem der vrouwe riep hem.

"Blijf hier! Zoo hij sterven wil, is dit zijn plaats."

Toen stond de arme man op. Het mirakel geschiedde. Als een jongeling

was hij, rank en recht, en zijn stem was als van een ridder, die

uitdaagt ten strijd. Er was een vlam in zijn oogen, die fel uitschoot

naar de trotsche vrouwe.

"Vloek over u."

Ze deinsde niet terug. Schamper lachte ze.

"Wie durft mij te vloeken--" en ze strekte haar hand uit, en wees

naar de vijf schepen, wiegelend in de haven.

"Ziet gij ze daar--Mijn zijn ze."

De bedelaar liep krachtig op haar toe, tot hij vlak voor haar

stond. Bijna raakte zijn gelaat 't hare. Fluisterend hernam hij 't,

zoodat zij alleen het hoorde.

"Ze zijn van de zee, vrouwe van Stavoren. Ge zult sterven ... armer

en ellendiger dan ik--"

Zwijgende nam zij den ring van haren vinger, en ze wierp het kleinood

in de golven.

"Eerder komt die ring terug--ellendige bedelaar voor uw woorden waar

zijn. Ik ben de vrouwe van Stavoren!"

"Veracht en niet beklaagd," fluisterde hij. "Hoe vreeselijk zal uw

lot zijn. Bedenk u nog éénmaal."

"Ik heb mij niet meer te bedenken."

"Bij Christus-bloed! de ring zal wederkeeren."

Ruggelings viel hij neder, nadat hij dit nog had gezegd. Zijn magere

leden strekten zich recht. De oogen werden gebroken. De mond sloot

zich. Zijn kleederen waren losse stukken dek, neergesmeten over een

naakt en schamel lijk.

"Keert naar uw woningen!" gebood de vrouwe van Stavoren tot het

volk. "Mijn mannen zullen den doode in zee werpen. En weet het allen,

dat dit een voorbeeld is voor de luiaards. Wie niet werken wil,

heeft geen brood, en sterft des hongers."

Het zonnelicht was over het bruisende, wijde water. Het zonnelicht

was in de straten. Doch niet meer speelden de kinderen dezen dag,

en de stad was dood. In de stille huizen zaten de menschen, vloek en

wrok in de lijdende harten.

In hare eenzame woning zat de vrouwe van Stavoren.

De dag ging voorbij, en de avond kwam.

In het duister wierp een man, in dienst der vrouwe, het lijk in

zee. En den volgenden dag voeren alle vijf de schepen af. Het volk

van Stavoren staarde ze na, en niemand sprak een woord.

Toen kwamen nieuwe dagen, de tijd werd volbracht. 't Verleden was

vergaan--'t heden vervloeide in de eeuwigheid. Vergeten was de vrouwe

van Stavoren den zomertijd, en ze dacht aan de uren, dat haar schepen

wederkeeren zouden.--Wat was de vloek van den bedelaar voor háár?

De herfst ging immers voorbij, zonder een kwaad teeken? De winter

volgde de herfst, en ziet, daar kwam een koerier uit Hamburg,

die vertelde van de goede dingen, welke een der schepen in Hamburg

had geladen. Fel klopte 't hart der vrouwe, en ze gaf den koerier

vriendelijke woorden. Toen kwam de blijde lente, en de uitbundige

zomer trad aan in den dans der getijden.

Het was op een dag, gelijk van kleur en vreugde als een jaar geleden,

dat de kinderen weder speelden in de straten der stede, en er liederen

schalden van wijd en zijd. Het zonnelicht was tot diep gezonken in

de zee, en drong verre in de huizen.

Niemand lette op den eenzamen man, die op zijn schouders een grooten

mand droeg, en langzaam, schijnbaar doelloos, zijn weg ging. Hij liep

langs de spelende kinderen, en hij stond stil voor 't huis der vrouwe

van Stavoren. Hij klopte aan haar deur. Zij-zelve deed hem open,

en vroeg zijn begeeren:

"Eenen visch heb ik gevangen, zoo groot, als nog nooit een mensch

heeft gezien. En ik dacht--dat is spijs voor de rijke vrouwe."

Zij zeide:

"Toon mij den visch, dat ik oordeelen kan."

Hij sloeg 't deksel van, de mand op en hoog sprong het levende dier,

en viel, den wijden bek in ademsnood open, tegen den grond. Zich

wringende in bochten hersprong en herviel hij. Hij mat meer dan de

lengte van de uitgestrekte armen eens mans, gemeten van de uiterste

top van middelvinger tot middelvinger, en zijn kop was bijkans zoo

groot als de breedte van een mannenborst van schouder tot schouder. Als

een maliënkolder was zijn sterk, geschubd lijf, en zijn steert beukte

tegen den vloer met het geweld van eenen hamer.

"Al sinds den morgen worstelt hij zoo met den dood," sprak de

visscher, "en ge moogt wel een zwaard gebruiken, zoo ge hem wilt doen

sterven. Dat is voedsel voor u, bijlo! gij kunt er u aan vergasten."

Ze wendde haar trotsch gelaat naar hem, en sprak:

"Mijn is deze visch. Wat de prijs zij, ik zal er u voor betalen. Of

beter--" en ze opende haar beurs--'t. Goud viel op de straat. "Dat

is voor u."

Zij kende zichzelve niet weder. Zij gevoelde het, dat zij dezen visch

moest bezitten. Niet dong ze af, gelijk het hare gewoonte was. Het

geleek, of een stem in hare ziel haar dwong, zich van de koninklijke

spijs meester te maken; en zij zelve besloot het wilde dier te dooden.

De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar

alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze

had gekocht.

De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte

niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf

terzijde. Toen tastte ze diep in 't smeuïg vleesch--haar vingers

stieten tegen iets hards--ze greep--In haar hand hield ze een ring--Ze

duizelde.

Het was de ring, dien ze in zee had geworpen...

Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen ... ze

wilde zich verbergen--ze wilde den ring van zich werpen, doch deze

vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest zien naar

het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en huilende liep

ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.

Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde.--Ze

stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.

"Help mij," kreet ze eindelijk in vertwijfeling. "Al mijn rijkdom

voor wie me den ring ontneemt."

Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het

gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar

rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was

vervloekt door haar slechte daad.

Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze

wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht

rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde,

dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven,

en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.

Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen

dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze,

met geel gerimpeld vel en met bevende handen. Ze leunde op haar stok,

als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf:

dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.

Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der

verwachting omknelde haar keel als een strop. Iederen dag strompelde

ze naar naar huis, denkend: "Morgen zullen ze komen"--

En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar

woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En

toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.

Steunend op haar stok, en tastend--want bijkans blind was ze--ging ze

van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze klopte

aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven voor haar

gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers den honden

hun voedsel.

II

Straffe Gods

Dit is de legende der rijke vrouw van Leiden, die door God werd

gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.

In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem

van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de

goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest

wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.

Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De

kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand

sparend. 't Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de

poorten stonden met knikkende knieën.

Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze

samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne

verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren,

en of Anne blijde was om Marie's geluk. Echter, wie menschen kent,

weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt,

en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke

den haat verbergt.

Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze

hare zuster.

De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen

der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel

behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met

volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met

rijke woorden.

De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds

gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst

recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom,

en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.

De honger liet niet af.

Het was op een avond--en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.

"Klop ... klop ... klop ..." tot driemalen toe.

"Open niet," fluisterde de man. "Wanneer het boos volk is--"

"Die zóó laat komt," zeide zij met vaste stem, "heeft mij meer noodig

dan een ander."

En ze opende de deur.

Haar zuster stond vóór haar.

"Marie--" kreet ze, "om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik

geen brood geproefd--Help mij."

"Hebt ge geen brood meer?" vroeg Marie verbaasd.

"Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven."

"Zoo dit zoo is--zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar

voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn."

Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.

"Eet en drink en verlaat ons niet meer," zoo zeide zij eenvoudig.

"Ach neen--" riep Anne uit, "ik wil in mijn huis blijven, want wat zou

men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven,

zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid

betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen

mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij

misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds

in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster,

weten kunt: "het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat."

"Zoolang wij te eten hebben--tot de laatste kruimel--zullen we het

met u deelen."

Haar woorden waren haar daden.

Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur,

teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als bedelares moest

kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het

brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide

zusters in éénen adem.

De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam

de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich

bekommerde om 't leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig

kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het

vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven

de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon,

dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?

Slechts Marie's handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp

ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw

tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij

geen einde.

Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze

gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve

nam niet.

Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik

zeide zij:

"Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?"

Anne antwoordde:

"Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne."

"Ik kan niet meer geven, want het brood is op."

"Bak dan nieuw."

"Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer."

"Kunt ge dan geen meel koopen?"

"Zoo ik geld had, doch er is niets meer over."

Toornig verhief zich Anne en riep uit:

"Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man

vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan

een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik

ken u en uw streken. Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide:

'die goede Marie,' terwijl men dacht: 'die slechte Anne.' Daarom was

het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel,

al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid

achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk

ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed."

Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met

moeite zeide zij ten laatste:

"Gij doet me onrecht,"

"Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw

woning. Nu zie ik, wie ge zijt."

Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar

haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den

nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.

Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en

niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij

was armer dan de armsten--immers ze had in dien tijd 't geloof in de

menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had

gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had

genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den

leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde

hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun

smart. Hij drong--al zwijgende--booze, bittere gedachten in hun

ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.

De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om

brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.

Een hunner zeide tot haar:

"Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets

schenken, doch u natuurlijk wel."

"Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.

"Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar

haar toe."

"Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn

zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker

onrecht."

Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot

Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met

leege handen terug.

Wie het eerst gestorven is--?

Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was

ze overgebleven.

"Moeder! geef me brood," vroeg het kind.

"Er is geen brood," snikte ze.

"Ga 't halen, moeder."

"Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven."

"Moeder, geef me brood."

Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.

"Klop--klop--klop," tot driemalen toe.

Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het

bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.

"Klop--klop--klop--"

De deur bleef gesloten.

Ze peinsde:

"Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben

de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden."

IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond,

en verhief zich niet bij haar nadering.

"Moeder," zeide hij met zwakke stem, "Moeder! hebt gij brood? Ik heb

zoo'n honger."

"O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden,

mijn kind--Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen,

al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De

goede God waakt."

Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.

Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:

"Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft

het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel,

en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn."

Nog twijfelde zij en ze vroeg:

"Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood."

Zoet antwoordde de stem:

"Heb vertrouwen."

Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze

tot haar kind:

"Morgen zal er uitkomst zijn."

Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En

vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als

den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was

geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.

"Zuster!" zoo riep ze blijde, "heeft iemand u meel geschonken? Zeker

waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen,

zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in

nood verkeer."

Anne zag haar aan, haat in haar oogen.

"Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?"

"Zuster--mijn kind is stervende!"

"Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?"

"God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij

zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt."

"Ik weet niet, wat ge meent."

"Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo

ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.

"Ik heb geen brood in dit huis."

"Zuster! er is hier geur van brood--"

"Ik zweer u, dat ik geen brood heb."

Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.

"Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij

uw zaligheid ... geef mij brood."

Toen sprak Anne een vreeselijken eed:

"Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze

heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden,

als ik bak. Ik heb geen brood."

Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de

woorden na met bevende, vreeselijke stem:

"Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze

bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden,

als gij bakt. Amen!"

Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.

Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden

liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en

ze peinsde:

"Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken."

Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar

vingers werden koud.

"Steen!," gilde ze.

Al haar brooden waren tot steen geworden.

Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.

Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze

meel. Steen werd het in haar woning.

Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met

handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het

steenen meel.

Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij

spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar

zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven.

III

Hoe Montfort ordeloos ligt

Een ieder weet, dat de aartsengel Gabriël de steden en de dorpen van

Limburg heeft gebouwd; maar dat Montfort zoo ordeloos ligt, de huizen

zoo hotsedebotsescheef door elkaar, is de schuld van den veelnamigen

Satanas, die het niet prettig vond, dat het de Limburgsche menschen

zoo gemakkelijk werd gemaakt.

Limburg dan was eindelijk gereed, op de steden en dorpen na. Wie

moest die eventjes klaarmaken? Natuurlijk de engel Gabriël.

"Luister goed toe," zei de Schepper, "hier heb je een zak vol met

huizen en hoven en wegen, doe je best, en bederf 't landschap niet,

want 't is een van de mooiste streken der aarde."

"Wees niet bang," antwoordde de engel Gabriël, "dat zal ik wel in

orde brengen."

Hij keek na, of de zak goed gesloten was. Hij knikte--'t kon niet

beter. Een stevige knoop was er van boven om gewonden, en geen

scheurtje viel er te bekennen. Iedere huismoeder weet, dat een

klein gat gemakkelijker te stoppen is dan een groot, en je mag niets

ondernemen, voor je alles goed hebt nagekeken. Wat zegde gij daar

nu van?

Weet ge, wie 't gehoord had, dat Gabriël de steden en de dorpen in

Limburg moest bouwen? Eigenlijk is 't heelemaal niet goed, zijn naam

te noemen. 't Was de booze, en hij dacht bij zichzelf: "Als ik den

engel Gabriël een poets kan bakken, zal ik 't niet laten."

En hij mee. Wat vlogen die twee vlug. Maar hoe't kwam, is

niet gemakkelijk te zeggen. Misschien dacht Gabriël aan wat

anders--misschien had Beëlzebub weer een van zijn duivelsche listen

toegepast--Hoe 't zij, de engel merkte van den booze niets, en in

snelle vaart bereikten ze Limburg al spoedig. Welk een land! 't Is

misschien wel 't allermooiste op de heele wereld, en dat 't daar

Gabriël juist moest overkomen!

De duivel schoot naar voren en met een forsche hand sloeg hij zijn

scherp zwaard tegen den zak. En daar kon de zak niet tegen. 't Was

een stevige zak. Er was niets op den zak aan te merken. Probeer

't met iederen zak. Leeneen is daartegen bestand.

Rits! een scheur in den zak.

En daar tuimelden me daar veertig huizen naar beneden. 't Eene kwam

hier terecht en 't andere daar.

Alle dorpen zijn netjes en ordelijk aangelegd, nietwaar, maar van

Montfort is niets terecht gekomen. Ga maar eens kijken in 't land

van Roermond.

En als Gabriël zijn hand niet gauw onder de scheur had gehouden, bewaar

ons, dan was er van alle steden en dorpen in Limburg één ongeregelde,

schots-en-scheef door elkaar gedrongene massa geworden. Gelukkig,

dat hij tegenwoordigheid van geest had, en goed heeft nagekeken,

vóór hij de andere dorpen in 't land legde.

IV

Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen

Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum hadden nog geen namen, en dus

werden benoemd drie bekwame mannen, die deze moesten bedenken. Het

waren de dikke Stokkum, de lange Kortum en de smalle Bergum. Ze zaten

langen tijd tezamen, doch ze konden geen namen vinden, en ze besloten

het toeval als peetoom te kiezen.

't Eerste dorp, waar ze aankwamen, was naar den zin van den dikken

Stokkum. Want hij kreeg daar voor zijn part te eten: drie borden

erwtensoep met kluiven en varkensooren, er bij menigte in drijvende;

toen een bruin-gebraden varkenscarbonade met lekker, wit vet er in

flarden aan, gedompeld ineen sausje, om een dood mensch weer levend

te maken; toen een geurig stuk kalfsvleesch, aan het spit gedraaid;

en duiven en wilde eenden, malsch als 't jonge gras; enten laatste

een rozig speenvarkentje, dat uit mekaar viel, als je er met je hand

aan raakte. De buik van den dikken Stokkum zwol, of hij bersten moest.

Zijn beide vrienden zagen het gevaar tijdig, en ze lieten een smid

komen, die een band maakte om Stokkum's buik.

's Avonds was er weder een rijk maal, en opgediend werden: een kapoen,

zoo zoet als honing; een forel, wit gelijk sneeuw, en smeltend op de

tong; kuikentjes, die een oud mensch kon bijten; en een bruin-korstig

stuk rundervleesch, met fijnen rijnwijn begoten.

Stokkum liet 't zich zoo smaken, dat zijn buik weder begon te

rijzen. Maar helaas! daar stiet 't uitzettend vet tegen den band

... met zulk een kracht, dat 't ijzer begon te kraken.

Toen riep Stokkum in doodsangst, bedoelend, dat hij nog een band

wilde hebben ter versterking van den eersten:

"Nog _één 'r um_. Nog _één'rum_."

En sinds dien heet de plaats, waar dit gebeurde: _Eenrum_.

Eindelijk verlieten de drie vrienden het dorp, waar zij het zoo goed

hadden getroffen.

Ze kwamen aan een riviertje.

"Daar durf ik niet over," zei de dikke Stokkum.

"Ik wel," snoefde de lange Kortum.

Hij nam den polsstok, en sprong naar den anderen oever. Om zijn

meesterschap te bewijzen, zette hij weder, zoodra hij was aangekomen,

den polsstok in den bodem, en sprong ten tweeden male, thans naar

zijn vrienden terug.

"Kijk 'ns!" riep de smalle Bergum uit, "daar heb je 't _mensch-ing

al weer_."

Natuurlijk heet het dorp, waar dit geschiedde: "_Mensingeweer_."

Ze moesten verder, en nu was 't de beurt van den smallen Bergum, om

zijn kunsten te toonen. Ze kwamen aan een water, waar twee dorpen

tegenover elkaar liggen. Nu zou Bergum eens laten zien, wat hij

vermocht.

Hij wilde springen--Ocharme! Hij bleef met den polsstok in 't midden

steken.

De dikke Stokkum was bang, dat zijn kameraad verdrinken zou, en kreet:

"_O Berg-um! O Bergum!_"

"Als hij 't leven er maar van af-brengt," riep de lange Kortum.

"_Ik winsch 'í um! Ik winsch 't um!_"

Sinds dien hebben ook de dorpen _Obergum_ en _Winsum_ een naam,

gelijk het zulke flinke plaatsen betaamt.

En vol trots keerden de drie mannen naar hun huis terug. Ze hadden

hun plicht volbracht--Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum waren

gedoopt.

V

De Slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de Vroolijke

Willem

In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van

Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht,

om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van

getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke

schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van

zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard,

en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips

zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede

verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden

zijn beenen hun plicht--en hij viel neer als een blok. Nog luider

snurkte hij dan zijn gewoonte was.

In dienzelfden nacht verliet--nadat de klapwaker middernacht had

geroepen--Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het

paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam

in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name

worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes,

grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend,

waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn

been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:

"Hij heeft te veel bier en brandewijn."

Jan de Berghes riep uit:

"Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem,

die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft."

"Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man," aldus peinsde

Filips, "en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met

een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons

vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer

de Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag,

die ons zal heugen."

Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met

reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden

muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men

hem in het eigen bed van den hertog.

De schoenlapper snurkte.

En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:

"Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland

zal houden."

Met ongeduld wachtte men den morgen.

Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de

schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het

bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht,

gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had

hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in

het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren

was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede

... een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken,

laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages .... 't

Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen

naar binnen--hij snurkte slechts.

Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem,

en raakte hem even den schouder aan.

"Heer Graaf," zeide hij, "het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook

thans gekomen."

Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.

Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren

voet op den grond.

De maarschalk in eigen persoon schudde hem.

Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.

Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon

was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van

snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had

gehoord, zong--Toen werd het stil.

Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig

wezen. Hij lachte. "Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken."

"Heer graaf," sprak de maarschalk van Bourgondië, "dit is het uur,

waarop Uwe Hoogheid opstaat."

"Heer graaf--zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Die

droom moest maar altijd voortduren."

Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk

geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens,

die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze

van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.

"Heer graaf? Ik ruik er wel naar."

"De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem:

"Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat

haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië."

Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.

"Ik ben Uw zegelbewaarder."

"Ik ben Uw opperschenker."

"Ik Uw broodmeester."

"Ik een hofjonker."

"Ik de bevelhebber Uwer wacht."

"Ik de gouverneur van Uw paleis."

Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk

zeide zij:

"Wij zijn Uw vorstelijke gade."

"Mijn vrouw," riep de vroolijke Willem. "Wilt gij beweren, dat ge

mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de

graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft

zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd,

en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te

verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar

huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een

middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw

zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal

ik weer gaan slapen."

Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:

"Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote,

die uit liefde voor U zou willen sterven--"

"Sterven?" riep de schoenlapper wanhopig. "Zoo waar ik Willem van

Nieuwen ben en in de Korte Poten woon...."

"De heer graaf wil ons bedroeven."

"Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips,

hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland,

van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland--"

"Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten

koste van ons vermaken."

"Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij

alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte

Poten ben. Ge weet wel ... Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit

doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft--"

"Kom--wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer

garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden--"

Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de

lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld

zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.

"Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken," sprak

de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen

met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud

geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met

zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen,

den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar

kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.

"Stil! stil!" riep Willem uit, "dat speel ik zelf wel klaar."

"Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn."

Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn

gade reeds wachtte.

"O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd," zeide ze

zachtkens. "Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een

arme schoenlapper zijt?"

Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik

op zijn roode schoenen rusten.

"Kijk eens, geliefde echtgenoote--wat die broek of die kousebanden

van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft

alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven,

dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een

graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft." Hij krabde

zich 't hoofd. "En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de

vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem,

zit me in den weg--"

"Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze

tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht."

"IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwen

niet te zijn." Hij zuchtte. "Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn

de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is

een kwade droom."

Zijn oogen schitterden.

"Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?"

"Weet ge dat dan niet?" berispte ze hem. "Eerst behoort ge ter kerke

te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken."

"En dan?"

"Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij

bij U en schenken U den wijn."

"Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u."

Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne

hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men

wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over

den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.

Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.

"Wat wilt gij?" vroeg hem Willem.

"Recht."

"Dat beloven wij u. Spreek vrindje--"

De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich

terneder.

"Wij hebben lang genoeg gewacht--Zeg eindelijk, wat gij verlangt

"Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe

Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard,

Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat--"

"Halt!" viel hem de rechter in de rede. "Dat is een leugen, want er

is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het

is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven,

om slechts bij dien schoenmaker te koopen."

Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de

keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.

De graaf zette zijn verhoor voort:

"Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken

Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man

nauwkeurig."

"Mijn vader heeft den onwaardigen schelm--"

"Beleedig den man niet! Wees op uw hoede."

"Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer

eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig,

welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede."

"Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is

de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een

vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel

ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar

voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog

geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is,

laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn--"hierbij

stond hij op--"zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden,

en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart

toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit

te betalen."

Dit geschiedde:

De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.

Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:

"Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben

gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te

gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding

te beslissen?"

"Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding," zoo sprak de

maarschalk van Bourgondië, "en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschen

dronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten."

"Hiertegen hebben wij niets in te brengen," schaterde de

schoenlapper. "Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder

hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf

van Holland in het drinken evenaart."

"Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!" zoo zeide hem Jan de Berghes,

"want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat

tournooi doen sneven."

"De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons

de bekers."

Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor

de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk

in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over

zijn deel deed.

"Beken het ons maar," schreeuwde hij, "dat ge niet tegen ons kunt

overwinnen."

"Het einde zal het leeren."

Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen

teug, Jan de Berghes in drie.

"Hahaha! ge zijt voorzichtig ... ge ziet, dat ge met een vermaard'

drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.

"Het zal anders komen dan ge denkt," hitste jan.

De schoone Isabella lachte.

"Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen."

Met schorre stem antwoordde Willem:

"Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den

grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen."

Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen

beker reikte.

"Doe thans ons met eenen teug bescheid," zoo smeekte ze.

En weder dronk hij.

Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter

aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde

men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren

de Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thans

om hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten

ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hij

den vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.

Willem snurkte.

Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de

koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin

het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn

sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan,

die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem

was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf

van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.

De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen

schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van

's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed

boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het

geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de

zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt

oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot,

en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens

alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers

kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden

hervatten 't ambacht .... En langzamerhand begonnen ook de mieren

in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen

't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.

Wee! zijn ontwaken.

Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en

greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren

haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje,

en krabde zich 't hoofd. Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn

mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.

Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.

Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten

wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel,

en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van

zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn

muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde,

en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn

woning--en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde

in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:

"'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken--'t was

maar een droom."

VI

Gerard, de slechte Heer

In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde

zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads

was geschied, zeide men:

"Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan."

Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten

loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht

en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der

menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen,

die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien

zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem

dierbaarder was.

In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men

zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte

daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met

een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en

loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken

de paarden zich los en snellen dol in de weide.

Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens

een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer,

en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde

door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de

stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende

takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans,

schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de

ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één

lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas,

en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag

twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde,

voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De

avond schemerde vredig.

"Heb je die vreemde oogen gezien?" vroeg Gerard, en hij klopte 't

bevende paard tegen den hals. "De landlieden zeggen, dat de weerwolf

is teruggekeerd."

"Dat is hij ook," lachte zijn vriend. "Ik heb hem al vele malen

bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag."

"Wat zou hij van ons willen?"

"De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is."

"Wat zal hij halen?"

"Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven."

Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens

zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in

zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij

eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen,

vroeg Gerard:

"Waarom heb je niets tegen me gesproken?"

Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:

"Laat mij--ik smeek 't je--op het oogenblik niets zeggen."

Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval

zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen,

welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.

"Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?" vroeg hij.

De vriend antwoordde met doffe stem:

"Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?"

"Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had

gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken--"

"Dat had je ook."

"Van mijn jongste dagen, ja--ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte."

"Ja--ja."

"Zeg me je waarlijken naam."

"O mijn naam! .... Luister naar me, Gerard. Ik ben door den duivel

gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten."

"Wie ben je dan?! Je naam, of--"

Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:

"Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste

vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door

duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn

plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je

geen bloed zien."

"Alles heeft een naam--de Duivel heeft een naam--de weerwolf heeft

een naam."

Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee

vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in

de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.

Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou

helaas! de laatste maal niet zijn.

Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in

Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade

dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn

oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte

kameraden moest zoeken.

Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren

beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters,

kaartspelers en drinkebroers.

Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond,

zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar,

terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.

Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven

had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was

mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel,

en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:

"Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond."

De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst

was het:

"Laat me op de boerderij blijven wonen."

Gerard lachte:

"Als je betaalt."

De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan--'t

geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op

't kiezelsteen van den tuin--was een verwijt, scherper dan woorden

kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde

hij in de kroeg, wat hij bedreven had.

Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend

toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.

"Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!"

"_Bijna_ niet--magere Hein?" vroeg de heer verwonderd, "wat bedoel

je daarmee?"

"Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!"

"Wat meen je toch?"

Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:

"Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen."

Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.

"Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt."

"Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het

vak bent."

Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden

ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd

goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets

meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van

de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.

"Ziezoo! tot morgen," lachte hij.

Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:

"Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu

ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten,

watje meent."

Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken

tinkelden.

"Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf

een antwoord geven."

Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.

Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij

met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm,

de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de

slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de

schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land;

vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het

landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er

zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard

was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel

vaneen--een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening,

en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een

ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd

geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende

oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:

"Weerwolf! zoekt ge mij?"

Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend

naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen

in de verte.

"Weerwolf! booze wolf!" kreet hij.

Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was

een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren

fluisterde:

"Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van

den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem

van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp."

De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en

weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan

't glijden van een blad in den herfst.

"Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den

ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als .... Jij

kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je

te verzetten."

Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:

"Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht--toen

je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam

zegenen, en niet vervloeken."

De gestalte naast hem spotte:

"Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu

maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij

in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van

je is machteloos geworden."

Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:

"Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je

kunt nog terug--ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des

rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je

kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een

herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's

richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul

je God dan antwoorden?"

Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan

eenige seconden. Dan vleide ze:

"Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig,

Gerard. Men noemt je den schoonsten jongen man uit de streek, en zul je

nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is--Geloof

de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je,

dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te

zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht

hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein,

maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën

uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een

braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad."

Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard

voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.

Hij klopte.

Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.

De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide

handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef

voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en

mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig

hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot

vuisten gebald.

Zijn kleindochter spon vlas--het wiel snorde, doch ze zong er

geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de

toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij

moesten verlaten? Zij spon het vlas--het wiel snorde, doch ze zong

er niet bij.

Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.

Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek

gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus

haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen,

bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.

Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.

"'t Huis hieruit, slechte man," riep ze. "Je vriend is de weerwolf."

Hij antwoordde haar met een schellen lach:

"Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader."

"O! slechte man," fluisterde ze, "iedereen weet, dat weerwolf bij je

is geweest."

"Praatjes."

"Jan heeft 't mij gezegd."

Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:

"Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want

't is uit slechtheid, dat je bij me komt...."

Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief

zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.

"Hier ben ik de meester," riep hij, "en hier jaag ik weg."

"Kom vriendje," zei Gerard luchtig, "het was vanmorgen zoo boos

niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat

kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al

jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart

verkrijgen ...."

De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog

alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen

wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend,

smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd,

dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat

ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den

boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn;

uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep,

zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem

te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zijn

vinger wees Gerard de deur.

"Als ik nog een jonge kerel was," riep hij, "zou je er zoo genadig

niet afkomen."

Met gebogen hoofd verliet de heer de boerenhoeve. Hij meende, dat zich

nu zeker de schaduw weder bij hem voegen zoude, maar dit geschiedde

niet. Ook zweeg zijn geweten, en aldus was er noch een goede noch

een kwade stem sprekend, welke hem verweet of aanhitste.

Juist zou hij de laan, welke naar zijn kasteel voerde, ingaan,

toen hij achter zich haastige schreden hoorde. Hij wendde zich om,

en zag jan, den geliefde van het jonge meisje, op zich afkomen. Voor

hij wist, wat er gebeurde, lag hij al in een greppel naast den weg,

met een hoofd vol deuken en gaten.

Dat gaf den volgenden dag in de kroeg een schaterende vreugde, nadat

hij zich zijn vrienden had vertoond!

Gezellige janus sprak 't eerst.

"Ze hebben jou ook aardig de veeren uit-getrokken," zoo lachte hij,

"en ik moet zeggen, dat er weinig van je is overgebleven. Ben je

gevallen, broeder, of was je zoo buiten Westen, dat je tegen een muur

bent aangeloopen? Ze zeggen hier, dat je door een boerenjongen bent

toegetakeld, maar dat geloof ik niet. Of zou er toch soms iets van

waar zijn?"

Lange Dries nam de kaarten op, schudde ze, en sprak peinzend:

"Ik heb 't voor je opgenomen, want ik kon niet denken, dat je 't

getuigenis van een sterke vuist zoo op je gezicht zou dragen. Vertel

ons, kindlief, wat er gebeurd is."

Ze spotten nog langen tijd, doch eindelijk sloeg magere Hein met zijn

vuist op tafel en schreeuwde:

"Laten we 't hem zeggen, waarom geen van ons allen dergelijke

ongelukken gebeuren. Wij hebben er ons voor weten te vrijwaren. Wij

hebben een contract met den weerwolf afgesloten, die helpt ons,

als wij hem oproepen."

"Stil ...." zei Lange Dries, "zijn tijd is nog niet gekomen."

"Wat--niet gekomen! Heeft hij geen lust om zich te wreken?" Hij

richtte zich tot Gerard. "Heb jij geen lust, om je te wreken?"

"Ja."

"Dan moet je te middernacht naar een kruisweg gaan, daar komt de

weerwolf in menschelijke gedaante--Eerst zie je hem niet ... let dan op

het rammelen van den ketting--zeg dan: 'in naam van den Duivel ben ik

hier,' en je zult raad krijgen, zooals je nooit iemand heeft gegeven."

Gezellige Janus smakte met de lippen.

"Dan is 't klaverblad van vier gered."

"Hebben jullie--" vroeg Gerard dof, "allen een verbond met den

weerwolf afgesloten?"

Zij zwegen, de drie pratebroers. Ja, zij waren in weerwolf's macht,

en ze hoopten, dat hij Zou worden als zij. Als hij te middernacht naar

den kruisweg ging, zou hij een middel vinden, om zich op Jan te wreken.

Gedachteloos speelde hij kaart, en gedachteloos verloor hij.

Bijna te middernacht verlieten de vrienden elkander. Gerard was

vastbesloten den raad van mageren Hein op te volgen, en hij liep naar

den kruisweg.

't Klokje van den verren toren sloeg twaalf uur--hij hoorde 't rammelen

van een ketting, toen sprak hij met vaste stem:

"In naam van den Duivel ben ik hier."

Hij gevoelde, dat iemand op hem toe-trad, tot hij vlak bij hem was. 't

IJzer sleepte achter de gedaante aan, en ketste tegen de steenen,

met zacht-klingelend geluid. Hij hoorde een moede, treurige stem:

"Je hebt mij geroepen, Gerard. Hier ben ik."

Waar had hij die stem eerder vernomen?

"Magere Hein heeft je gezonden--" vervolgde de gestalte, "en je wilt

je op Jan wreken. Dat kan gebeuren. Ik heb gehoord, dat hij gauw wil

trouwen, en dat hij een eigen boerderij zal zetten. Dan is jouw tijd

gekomen en ik zal je helpen."

"Wat moet ik voor uw hulp geven?"

"Je hebt me in den naam des Duivels geroepen en daarom eisch ik

je ziel."

Gerard werd vervaard over deze woorden, en hij riep, dat hij zijn ziel

niet wilde verpanden. Hij wilde vluchten van deze plaats, maar de

weerwolf legde hem een klauw op zijn schouder, en beloofde hem, dat

hij niet voor niets zijn ziel behoefde te geven. Hij zou ongestraft

wraak mogen nemen, en tot den Oudejaarsavond zou hij over zooveel

geld mogen beschikken, als hij-zelf wilde. Op Oudejaarsavond echter

zouden de weerwolf en hij kaartspelen: zeven spelen, en de inzet was

Gerard's ziel. Wie 't meeste ervan won, zou de ziel mogen hebben.

Dit nam Gerard aan. Hij besloot bij zichzelf, om in het volgende

halfjaar nog meer te kaarten dan hij tot dusver had gedaan. De weerwolf

beloofde hem zooveel geld, als hij maar wilde, en dus zou hij nooit

arm kunnen worden. Den volgenden morgen was hij al vroeg in de herberg,

doch magere Hein zat er reeds, vóór zich een groote pot bier.'

"Je bent er ook gauw bij," lachte magere Hein, "de hanen hebben

waarentig nog niet allemaal gekraaid, en je bent toch zeker na

middernacht naar bed gegaan?"

"Kom! laten we spelen."

De waard bracht de smerige kaarten en legde ze op tafel.

Thans vonden zij het niet meer de moeite waard, om woorden te

verspillen. Ze haalden hun beurzen voor den dag, beide met goudgeld

gevuld, en ze smeten ze naast zich. Toen speelden ze. Buiten was

het schoone zonnelicht, de vogels zongen, en het geheele zeldzame

feest van den zomerdag nam een aanvang. Zij zaten in de berookte,

besmookte herberg, en zopen en kaartten. Ze loerden, om elkander te

verrassen; Gerard lette goed op zijn spel, hij waagde niets: zijn

oude tegenstander was hem echter de baas, en 't klonk onophoudelijk

van goudgeld naar Hein's kant. Eindelijk was de beurs van den heer

leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon

het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was

opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en

nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht--

Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den

avond kwijt.

Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:

"Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten geleerd."

"Dat zal ik mezelf leeren--en jij zult 't me leeren."

Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen

als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest

verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al

den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen

een maand was hij zijn roem al kwijt.

Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.

Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet

dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas

wijn toe, en vroeg:

"Zullen we eerst eens wat drinken?"

"Waarom?"

"Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat jan, die

jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?"

"Wat zeg je?"

"Een eigen boerderij .... Ja--ja--en je hebt 't hem nog niet betaald

gezet."

Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen

in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na

goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept

was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe

groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkele opmerking

sprak, klonk boos. Iedereen geloofde, dat het was om zijn ongeluk.

"Trek 't je niet aan," zeide magere Hein, toen zij eindelijk de kaarten

voor goed hadden neergelegd, "vandaag jij morgen ik." Hij meende dit

niet, doch hij wilde hem niet ontmoedigen.

"Geen nood," riep Gerard uit, "'t zal niet lang meer duren, of je

ziet me terug."

Recht-aan, recht-toe--hij dacht niet meer aan 't geld, dat hij

verspeeld had, want hij zou 't terug kunnen krijgen, wanneer hij 't

wenschte--ging hij naar den kruisweg. Daar wachtte hij tot middernacht,

toen fluisterde hij:

"In naam van den Duivel ben ik hier."

Er klonk zacht gerinkel van een ketting. Hij hoorde een stem:

"Mijn vrienden behoeven dat niet meer te zeggen. Ik ken ze al van

ver. Ik weet ook, waarom je komt. Het wordt je tijd, om je op Jan te

wreken. Hij zou nu spoedig met het meisje trouwen, wanneer wij het

hem niet zouden beletten. Wacht nog één maand, en je zult hem zijn

slagen betaald zetten! Heb je nog iets anders te wenschen?"

"Neen."

"Dan tot over een maand, als de boerderij gereed is."

Nog even rammelde de ketting. Toen was de stilte rondom hem.

Langzaam, als wieken van een molen bij tragen wind, gingen de

dagen voorbij--en in deze maand verloor Gerard meer dan drieduizend

goudstukken aan mageren Hein. Men gaf dezen weder de eer, dat hij

de beste kaartspeler was. Niemand wist, waarover de heer peinsde,

als hij met gefronst voorhoofd bij de tafel zat.

Het bouwen der hoeve ging voort.

Eindelijk kwam de dag, dat ze gereed was. Slechter dan ooit speelde

Gerard. Met ongeduld beidde hij den avond.

Toen hij om tien uur bij de boerderij stond, bemerkte hij tot zijn

verwondering, dat ze verlaten was. Hij lag lang uit bij de rivier,

hij hoorde zijn hart bonzen.

Wat zou er geschieden?

Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het

zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door

de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen

avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar

den hemel. Alle sterren en planeten echter van het heelal flonkerden,

en de glans stroomde over de lucht, over de aarde, een wijd meer

gelijk, waarop het zonnelicht is.

Ineens zag de heer, dat twee der sterren zich losmaakten van den

egalen gloed, en snel dalend, vlammender en vlammender, zich naar

hem bewogen. Het rammelen van den ketting werd een woeste ijzerdans,

dreunend als groote stukken ijzer op ijzer gesmeten. Hij borg zijn

handen voor de oogen ....

Naast hem lag de weerwolf.

"Je dag is gekomen, Gerard," zeide de droevige stem, "zooals ik je

beloofd heb. Ga mede--er is niemand in 't huis, daar heb ik voor

gezorgd."

De heer stond op, en liep naar de hoeve. Ze waren voor de schuur

gekomen.--Geen enkel woord zeide de weerwolf. Hij nam twee steenen,

sloeg die tegen elkaar, de vonken spatten eraf op droog rijs, dat voor

hem lag--even smookte het, een kleine vlam slingerde zich van takje

op takje, meerdere vlammen volgden, vermengden zich met elkander,

werden een vuurtje, een vuur, dat vonken en vlammen afdrong tegen

't hout der schuur, een laaiende tong lekte ook daar, vuur werd het,

vuur en vuur warrelden dooreen, het was brand!

"Kom," beval de weerwolf. "Niemand hoeft je hier te zien. Ga naar de

herberg, en blijf daar zitten--dan kan niemand je iets bewijzen."

Rustig zat Gerard in de kroeg. Hij vond er gezelligen janus,

en hij stelde hem voor, een spelletje te domineeren. Zij speelden

Russisch. Gerard had steeds de meeste zevenen, en dubbel blank scheen

hem niet te verlaten.

Iemand rukte de deur open, zag naar binnen, schreeuwde:

"Brand!" en verdween.

Tegelijkertijd sprongen de twee vrienden op, en renden buiten de kroeg.

Aan den hemel dreef een rossige rook, die breeder en dikker werd,

tot hij 't gansche firmament vulde. Het was niet te zien, waar het

vuur precies was, want 't geheele gehucht leek wel in vlammen te

staan. Zuilen van vuur rezen in de hoogte. Een luid geroep van stemmen

was er over de straat, en de klok luidde men, dat men in de nabijzijnde

dorpen hulp zou bieden. De brandweerkar rolde aan, en alle jongelingen

holden mee, om met het spuiten te helpen. Er formeerden zich ploegen,

om elkaar af te wisselen, en sissend sprong de eerste waterstraal, als

een stuk ijzer zoo sterk en blank, door den vurigen gloed, doovend,

wat in den weg kwam. Ook Gerard wilde zich bij een ploeg voegen. Men

wilde het niet. Bits riep één der jongelingen:

"Wie er schuld aan heeft, hoeft niet te helpen."

Gerard lachte en antwoordde:

"Ik heb er geen schuld aan. Vraag 't maar aan gezelligen janus."

De spuiten der andere dorpen renden aan, en in het hooge vuur drongen

van alle zijden waterstralen, als scherpe messen, die tegen elkaar

worden gewet. De vlammen slonken, en een benauwende rook sloeg uit de

puinhoopen van 't huis. Na uren werkens was in den morgen 't laatste

vuur tegen den grond geslagen. Er stond een wacht bij 't huis. Toen

sloop een eenzaam man, de eigenaar van deze ruïne, naar de plaats,

weenend en hij schreeuwde:

"De wraak des Hemels voor wien dit heeft gedaan."

Iemand der wacht troostte hem:

"Hij zal zijn wraak niet ontgaan."

Er waren er velen, die hoopten, dat de rechter zou straffen. Dit

geschiedde niet. Wel beval de rechter, dat Gerard bij hem zou

komen--hij was nog een oud vriend van zijn vader--en hij praatte

langen tijd met den heer.

"O Gerard!" sprak de rechter, "wat hoor ik slechte dingen van jou. Toen

je een klein kind was, heb ik nog met je gespeeld, en nu hoor ik,

dat je een kaartspeler bent, en met mageren Hein omgaat, die je zeker

tot gemeene dingen aanzet. Ik had dat vroeger nooit van je gedacht."

Dat heeft de rechter gezegd.

Wie er berouw had, niet de heer. Wanneer de nonvlinder in het

dennenbosch is, blijft er van het hout niets over. Had hij niet

den weerwolf--in ruil voor wraak en geld--zeven kaartspelen op

Oudejaarsavond beloofd? Nu hij de gevangenis niet inging, had hij zich

met mageren Hein te oefenen. Iederen dag kwam hij van 's morgens vroeg

tot 's avonds laat in de kroeg--en de beide menschen zaten tegenover

elkander, en kaartten. Nu weder wist niemand, wie van tweeën het

beste zes-en-zestigde. Met rustig hoofd overwoog Gerard zijn kansen.

Na eenige maanden mompelde men, dat de heer de overwinnaar was. Nooit

vergiste hij zich in het aantal, troeven, dat nog over was, op

het rechte oogenblik kondigde hij een twintig of een veertig aan,

zonder ooit een vrouw of heer voor den tijd weg te geven. Het was de

beurt van mageren Hein, om zijn goudstukken te betalen. Iederen dag

verminderde zijn rijkdom.

Magere Hein had een dochter, die van zijn slecht gedrag niets wist. Ze

begreep het niet, dat haar vader iederen dag met Gerard in de kroeg

zat, want haar ziel was jong en vol vertrouwen. Nooit duldde magere

Hein, dat er kwaads van zijn dochter werd gezegd. Er waren wel eens

aterlingen, die met haar spotten, doch niemand durfde dit in gezelschap

van den vader.

Het was het mooiste meisje der Betuwe, en zooals er geen schooner

kerselaren zijn dan in de Betuwe, zoo zijn er geen mooier meisjes dan

daar. In het voorjaar zien wij de witte bloesems, guirlanden van witte

bloesemen, tuinen van witte bloesemen, een wijde, witte schoonheid,

een duizelingwekkende belofte; nooit stelt de vervulling van zomer

en herfst teleur. Zang en dans hebben zij daarom lief, de meisjes

van de Betuwe. Ze zijn de schoonste der wereld: hoe wonderschoon

moet zij dan wel zijn, die haar koningin wordt genoemd? Zij is de

sprookjesachtige belofte en de werkelijke vervulling.

Dat was de dochter van mageren Hein. Het was een boos uur, dat Gerard

haar ontmoette, en zij, verwonderd, zijn knik beantwoordde. Een

valsche melodie speelde door zijn ziel.

Het duurde wel een maand vóór Gerard met den vader over 't meisje

praatte. Magere Hein was met een volle beurs gekomen--hij moest met

een leege heengaan. Verdrietig zeide hij:

"Daar blijft van mijn geld niets over."

Gerard boog zich naar hem over, en fluisterde:

"Ik heb je dochter lief, magere Hein! Als je mij je dochter geeft,

betaal ik je al je geld op den huwelijksdag weerom."

"Nooit--nooit--"

"Je hebt 't mij zoo geleerd," zeide Gerard met een duivelschen

glimlach, "weet je nog wel, datje mij een leerling in het vak noemde?"

"Zoo heb ik dat niet bedoeld."

"Hoe heb je 't dan anders bedoeld--'t is gelijk, of 't de dochter

van een boer is, of jouw dochter is 't!"

"Mijn dochter zal niet met iemand trouwen, die met den weerwolf heult."

Gerard liet zijn goudstukken in zijn zak rammelen.

"Zonder dát zul je niet kunnen kaartspelen, magere Hein.

"Dan laat ik 't vervloekte kaartspel."

"Dat kun je niet meer. 't Kaartspel heeft jou te pakken. Ik wil je eens

wat zeggen, magere Hein. Zullen wij om je dochter zes-en-zestigen? Wie

van dertien spelen er 't meest wint, heeft gewonnen. Jij zet je dochter

als inzet en ik duizend beurzen met goud gevuld. Is 't aangenomen?"

"Neen--"

"We zullen zien."

Twaalf dagen kwam magere Hein niet in de kroeg. Den dertienden dag

verscheen hij. Hij riep om een borrel en om kaarten. Het spel nam

een aanvang.

En van de dertien spelen won Gerard ze alle.

"Je dochter is de bruid," lachte de heer.

"Je zult haar hebben," zei magere Hein schor.

Het is geen vroolijke bruiloft geweest. De organist kon dien dag niet

spelen, daar hij ziek was. De dominé sprak slechts enkele woorden,

en buiten sloeg de regen met felle stroomen neer. In den avond was

er storm, zooals er nooit in de Betuwe was geweest. Alsof duizend

kettingen tegen elkaar stieten, zoo gierde de wind over de vlakte. Een

fel hahaha, nu eens gierlachend, dan weer klagelijk weenend, sloeg

door de lucht, en liet een angstwekkende echo na, welke niet breken

wilde. Een heksensabbath van woeste stemmen gilde ver en dichtbij,

vreemde geruchten waren er in schuur en stal, die geleken op buigen

en kraken van dood hout en toch in hun nameloos wee een levende

ziel verborgen.

De bruiloft van den slechten heer met 't mooie meisje voorspelde niets

goeds. De weerwolf zou zijn buit wel halen, zeide men in de Betuwe.

Gerard speelde nu met zijn schoonvader niet meer om geld. Het was hem

er alleen maar om te doen, dat hij oefening zou krijgen. O! hij zou

beter spelen dan de weerwolf. Toch verschool zich een geheime angst

in zijn bloed--: wat zou er op Oudejaarsavond gebeuren? Eerst laat in

den nacht kwam hij thuis--vroeg vertrok hij weder. Hij moest kaarten,

kaarten, kaarten .... Soms was 't hem, of een donkere gedaante achter

hem stond, wanneer hij speelde ... soms hoorde hij den sleependen

ketting .... Zijn droomen werden gekweld door dien sidderenden klank,

een bedreiging voor hem, die hem nooit rust liet. Hij werd als een

man, die geen jeugd heeft gekend, somber en in zich zelf pratend. Als

hij over een eenzamen weg ging, zag hij de vale, vluchtende gedaante

van den weerwolf steeds voor zich. Kwam hij op zijn slot, dan was

hij korzelig tegenover zijn vrouw, alsof zij 't helpen kon, dat hij

ongelukkig was. Het gerucht, dat hij haar sloeg, was de waarheid. 't

Meisje, dat eens zoo blijde en vertrouwend naar 't leven had gezien,

of het een bloesemende boomgaard ware, had nu lichtschuwe oogen. Haar

teere schouders waren gebogen, als rustte er een last op. Ze wist, dat

ze met een kaartspeler was getrouwd, die geheele dagen achter elkander

met haar vader in de kroeg zat, en wanneer ze aan de toekomst dacht,

zag zij in de eindelooze ellende, het langzaam-aan verdwijnen van

het verleden, en de onafwendbare nadering der dagen, die eens verre

waren. De tranen zouden tranen volgen. Het leed zou zijn teekening

in haar gelaat groeven.

De Oudejaarsavond was voor haar een marteling. Ze kon niet aan

het verleden denken, ze durfde niet denken aan de toekomst. Daarom

voorzeker is het geweest, dat zij om zeven uur uit het kasteel ging,

en Gerard alleen liet in de groote zaal.

Nog vijf uren had de heer te wachten, voor hij zijn vonnis zou

vernemen. Hij wilde het noodlot afwenden en hij deed drie grendelen

voor de poort. Hij had een grooten bloedhond: dien stelde hij

ter bewaking. Hij sloot de deur van de groote zaal, en stak alle

kaarsen aan, zoodat hij den nacht vergat. De vensters wapende hij

met luiken. Nu mocht de vijand probeeren te komen.

De wijzers der klok schreden voort, en de geluidlooze tijd deed zijn

plicht. Als er een kaars was uitgebrand, stak Gerard een nieuwe op

den blaker aan. Zóó bleef het volle glans tot elf uren.

Net of er een koelte wuifde langs de rossige vlammen, sloegen

ze heen en weer. Gerard ging naar de vensters en zette de luiken

vaster. Roerloos lag de bloedhond vóór de gegrendelde poort.

Het was koud in de zaal. Hij wierp eenige blokken op het vuur--wel

warrelden de vonken op, maar zij brandden niet. Hij strekte zijn

handen naar den haard uit--zijn vingers bleven koud.

Hij hoorde den koekoek van de klok twaalf malen, voor hij wist, dat

er een uur was verloopen. Een ketting rammelde ... hij wendde zich

om ... de weerwolf stond achter hem.

"Ik ben hier, om te kaarten," zeide hij, "heb je alles klaargelegd?"

"Nee," antwoordde Gerard.

"Zie dan naar de speeltafel--daar liggen de kaarten."

Hij zag 't spel liggen. Een hoopvolle gedachte verdrong zijn angst.

"Maar als de kaarten gemerkt zijn?"

"Dat zijn ze niet, doch jij mag schudden en geven, en ik zal met den

rug naar de kaarten gaan zitten. Jij zegt me dan, wat je opspeelt,

en schuift me mijn kaart toe."

Aldus speelden ze.

Het eerst won Gerard, toen de weerwolf.

"Quitte," riep deze.

't Volgend spel was voor Gerard, het vierde voor den weerwolf.

"Quitte alweer."

Het vijfde spel won de weerwolf, het zesde Gerard.

"Quitte ten derde male."

Het klonk spijtig, en nu was er vrees in weerwolf's stem. Zou de ziel

hem ontgaan?

Het ging om het zevende, of laatste. Hij rammelde met zijn ketting.

De heer sloeg de handen aan zijn hoofd. Alle oefenspelen met mageren

Hein waren in zijn denkend brein verzameld. Het zou er nu op aankomen,

wat hij had geleerd.

Schoppen was troef.

Bij den derden slag speelde Gerard een twintig uit. Hij beefde van

geluk. Ja, hij zou mogen winnen.

Het was de laatste tour en nog had geen van beiden zes-en-zestig

geroepen. En ineens kwam er een jubeling in Gerard. Hij zou het spel

niet verliezen. Hij nam een ruiten negen met een ruiten boer. Hij had

klaver-aas in de hand, en hij moest uitspelen. Alle troeven waren er

toch uit? Aas, heer, vrouw, boer, tien--ja--

En hij speelde den klaver-aas. Hij had één kaart vergeten.

"Troef," riep de weerwolf. Hij gooide met een behendigen zwaai

schoppen-negen op tafel en draaide zich meteen om, Gerard met zijn

klauwen grijpend.

"Troef--en zes-en-zestig."

Hij voer met Gerard's ziel ter helle.

VII

De Basiliscus van Utrecht

Ook in ons land, en wel in Utrecht, heeft een basiliscus zijn helsch

wezen vertoond, nadat hij lange jaren deze streken had gemeden. Reeds

had dit monster in het jaar 513 bij Dokkum achttien menschen geveld,

die zijn oogen hadden gezien, en acht eeuwen later vond men weder

een zeer grooten basiliscus in den put van Oldeboorne. Toen men

hem ophaalde, waren het weder achttien menschen, die door hem

werden gedood: even flikkerden zijn oogen, en dát vuur sloeg de

sterfelijke lichamen in, welke asch werden. Men gaf allerwege acht,

dat er geen basiliscus werd geboren, en men kon dit met eenige moeite

wel beletten. De duivel, die op de menschelijke ziel loert, weet,

dat hij gehaat wordt als vijand der wereld, en hij moet meer listig

zijn dan sterk, wil hij den schat van ongeloof en twijfel naar de hel

mededragen. Zijn trawanten vindt ge daarom onder onschuldige dieren,

welke hij onder betoovering brengt, waarvoor zij later dikwijls moeten

boeten, of het menschen waren. Evenals heksen mogen zij niet langer

leven, want wat met den Duivel heeft verkeerd, is gevaarlijk voor

het grootste goed ter aarde--slechts te betalen met hemelsch gewin:

de ziel.

Daarom handelden de menschen wijs, als ze acht sloegen op de

hanen. Sommige hanen waren er, die eieren legden zonder dooier, en

deze werden uitgebroed op een mesthoop; men zeide, dat een schildpad

ze stoofde. Als het ei openbarstte, kwam er een basiliscus uit,

een vervaarlijk monster, welks kop zoo vreeselijk was, dat niemand

dien aan kon zien, zonder den dood te sterven. Geen wezen op aarde,

dat hem niet ontvluchtte: ja, hij ontvluchtte, hoe vreemd het klinken

moge, zichzelf, want hij was bang, zijn eigen oogen te aanschouwen,

die ook hem den dood moesten brengen. Hij vlood in donkere putten en

kelders, liefst onder een brouwerij, en daar heeft ook de basiliscus

van Utrecht gewoond. Hij was uit het hanenei gekropen, en het

zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldere spiegels, zelfs

zonder rimpeling, nederlegt, had hij 's nachts onder een brouwerij

redding gezocht. Twee felle vlammen waren zijn oogen.

Een man ging naar beneden, in opdracht van den bierbrouwer: misschien

had hij 't schuimend vocht te schenken, frisch uit het vat, misschien

ook viel er iets te verplaatsen of te vertimmeren. Men was verwonderd,

dat hij niet wederkeerde, en men schertste een weinig, meenend, dat

hij zich op zijn eentje te goed had gedaan: ongetwijfeld was de zoete

slaap zijn geest en ziel binnengedrongen, en waren zijn gedachten

ver van de zorg dezer wereld. Ten leste werd de patroon ongeduldig;

hij riep en vloekte, dat de kerel boven moest komen, en men kreet met

luide stem in den kelder. Toen er geen antwoord kwam; meende men, dan

hij meer Danziger of Maastrichtsch of Leuvensch bier had gedronken,

dan voor een zwakken slaap paste, en wat woorden niet konden bereiken,

zou wellicht een flinke trap of oorvijg kunnen brengen. Een stevige

kornuit ging naar beneden, en hij zag, dat de man dood terneder

lag. Hij wilde roepen, maar zijn blik gleed af en hij staarde in de

oogen van den basiliscus.

"Nu moet ook ik sterven," dacht hij, want een vlam sloeg om zijn

hart. Met de handen greep hij naar de plek zijner pijn, en de

basiliscus bleef hem aanzien, den grooten hagedissenkop vooruit, en

de scherpe stekels op zijn lichaam stonden loodrecht opgericht. De

man gevoelde, dat de vlam in zijn lijf verder sloop, op de wijze van

het vuur, met een spits einde eerst lekkende, voor zij zich verbreedde.

Zoo ook dringt de smart der liefde vleiend en verterend in 't willoos

bloed des menschen, want het onvervuld verlangen is een basiliscus,

wiens oogen dooden, en dat zichzelven zou dooden, als het zichzelven

ooit zien kon.

De jonge man, die naar beneden was gezonden, viel ook terneder, en de

twee vuren in den kop van het monster staarden de duisternis tegemoet.

Hoevelen de basiliscus gedood heeft in Utrecht; is niet bekend.

Er is geen kroniek van, gelijk voor Dokkum en Oldeboorne: doch wel

afschuwwekkender moet zijn leven geweest zijn, daar men er nog vele

eeuwen over heeft gesproken.

Hij was niet te dooden, als draken of waterslangen, die immers een

dapper ridder met zijn zwaard kan verslaan, nadat ze veel menschen

ten verderve hebben gevoerd. 't Is een vreeselijker ondier dan alle

andere. Onbeweeglijk ligt hij in duisteren kelder, en hij heeft den

kop slechts te wenden naar zijn vijand, om dezen te doen wankelen en

te verteren. En wanneer er ook eens een mensch gevonden werd--maar

dit is bijkans onmogelijk--die niet sterft door de vlam om zijn hart,

dan is één prik der rechte stekels voldoende, om te dooden.

Hoe de stad Utrecht van den basiliscus te bevrijden?

Iemand, meer knaap dan man, bood zich aan, om met hem te kampen. Men

bezag hem vol deernis, want het is wel wreed, als een jongeling moet

sterven. Maar hij kwam vroolijk, en liet zich een blinddoek voor

't gelaat binden; opdat hij de vreeselijke oogen niet zou zien. Men

vroeg hem naar zijn wapen. Was 'teen speer of boog, of een slinger,

gelijk de knape David had, die Goliath wilde verslaan?

Hij wees op zijn borst, waarop een plank rustte, en niets anders.

"Weet ge dan niet?"--zoo vroeg men hem, "dat de basiliscus stekels

heeft? Hij is een groote hagedis, dien ge niet hooren kunt, zoo

hij nadert, en zien kunt ge hem ook niet, met uw blinddoek voor

het gelaat."

Hij lachte slechts, zooals een onbezorgde knaap, die 's levens strijd

en wreedheid nog niet kent, kan lachen. Hij behoorde tot hen, die

wereldsche smart tegemoet gaat met een blinddoek voor de oogen, doch

met het wapen van reinheid op zijn borst. Men aarzelde. Zou men hem

doen dalen, tot voor het vreeselijk monster? Weder lachte hij, en met

jongen, lichten tred liep hij naar beneden. De basiliscus hoorden zijn

schreden, en hief den kop. Zijn oogen waren vlammen, maar de knaap

stierf niet, neen, hij liep zorgeloos, en tastte slechts even. Nog

feller vlamden de oogen van den draak, en de jongeling lachte maar.

Langzaam kroop de hagedis naderbij. Zoo de vijand niet stierf door

het vuur, zou hij sterven door het vergift. Was er een mensch, die

den basiliscus kon ontgaan?

Toen wendde de knaap de plank, die op zijn borst rustte, en hij

hield de voorkant naar de richting der duisternis, welke vóór zijn

blinddoek was.

De basiliscus snelde op hem toe, en plotseling zag hij zijn eigen

oogen, daar het een spiegel was, dien den jongeling met zich had

meegedragen, glas der zuiverheid en der waarheid, dat hij voor het

monster plaatste.

De vlam, die allen hadden gevoeld, sloeg 't eigen lichaam van den

basiliscus binnen, en hij werd verteerd tot asch en tot niets.

VIII

Het Popje der Heks

Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen

uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen,

en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in

Bolsward ook zulk een heks gewoond.

Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde

kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden,

dat het wel betsjoend kon zijn.

Doch wie was de tsjoenster?

Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van

kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken,

en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel

liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei:

"Do earm skiep. Do earm skiep."

Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar

blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd,

alsof ze zeggen wilde:

"Kun je voor het arme schaap niets doen?"

Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken

staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die

ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige,

die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks

verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen

een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan!

"Weet je, wat ik doe?" zei eindelijk de man. "Ik ga den duivelbanner

opzoeken."

Dat dras een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de

raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg,

en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór

hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets

niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij

zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:

"Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen,

maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?"

"Ja," antwoordde de man.

"Kijk eens, deze kruiden helpen." De bezweerder gaf hem een klein

zakje, zeggend:

"Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken."

De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner

om raad had gevraagd!

Schuchter vroeg de man:

"En nummer twee?"

"Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgens

op de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 't

gaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt,

_mag er niets openstaan_. En dan is er nog nummer drie."

"En dat is, nummer drie?"

"Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden,

recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad

eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters,

wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je,

dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen."

Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem

menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster

ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de

Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed

iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen,

en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak

werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was

dat jammer!

Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schudde

haar hoofd en riep uit:

"Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de

Witheerensteeg."

"O! is 't die?" vroeg de man, geheel en al ontsteld.

"Wat meen je?"

"Men moet er 't beste van hopen," zuchtte hij. Ze greep hem bij

den arm.

"Wat bedoel je toch?"

Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd

angstig. Ze stamelde:

"Je zou zeggen ... je zou zeggen ...."

"O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was--"

"Denk je dat?"

"'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één

vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ...."

"En wat moeten we nu met 't kind doen?"

"'t Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg

eerst uitrooken."

Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle

deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met

was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen

kon ze niet. Geen doorkomen aan.

Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner

na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.

Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de

vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een

stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van,

vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de

kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht .... Het kind kreunde,

en buiten werd er aan het slot gemorreld.

"Niet opendoen!" hijgde de man. "De heks."

Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te

blazen en te krijschen en te jammeren ... een ware heksensabbath.

De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had

gelijk. Er waren booze machten in het spel. Het duurde eenigen tijd,

vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen

niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten

met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.

Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was

het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle

kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij

de gelagkamer van de "Valk" binnen en al zijn vrienden zwegen. Als

hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had

een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een

der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander

op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij

besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval,

want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde

toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar

men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?

Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede

raad gevonden.

"Je moet een klein gat in den zolder boren," zei hij, "zoodat je haar

bespieden kunt."

Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het

eenvoudigste is altijd het beste op de wereld.

De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat

zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend:

"Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen,

en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks."

Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.

"Waar ga je naar toe?" vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:

"Naar 'de Valk.' Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt."

Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij

weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij

sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het

gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der

kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond,

om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:

"Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin."

Ze ging naar de kast.

"Wat moet ze daar doen?" dacht hij.

Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden,

wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!

Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote,

scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje,

op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd

nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was

niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man

op zolder wist dit.

Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu

zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging

kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en

kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete

op tafel staan met geurige boter.

"Zoo--" glimlachte ze, "ben je al terug?"

Hij antwoordde niet.

"'t Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?"

Hij antwoordde niet.

Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend

stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:

"Geef me den sleutel van de kast." Ze deed heel verwonderd.

"Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?"

"Geef me den sleutel." Ze trachtte te schertsen.

"Daar is niets in ...."

"Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?"

"Neen," zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.

"Och--een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar

niets in is?"

"Er is wel wat in."

"Wat is er dan in?"

"Mijn kleeren zijn erin!"

"Laat ze me zien--of is er nog meer in?"

"Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden."

"Zoo--een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de

sleutel!"

Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keek

hij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om.

"Overal zijn speldeprikken," zei hij. Ze smeekte:

"Geef 't mij terug. Geef 't mij terug."

"Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer."

"Ik wou 't weggeven."

"Niet noodig! Ga jij maar naar bed."

"Geef 't mij maar terug."

"Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op."

"Nee--nee--terug ... het popje ... terug het popje." Hij tergde haar.

"Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen

kleine kinderen? Ga naar bed."

Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed.

Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er

midden tusschen.

"Zoo!" riep hij uit.

Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn

te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig. Hij zei:

"Ik verbrand het popje maar."

Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun

begeerenden, verterenden gloed.

Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het

bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op

hetzelfde oogenblik.

IX

De Roode Hemdrok

De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon

niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon

doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld

van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen

waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.

Midden in de kamer stond een doodkist.

Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie

lag erin? Zijzelve.

"Moet ik sterven?" dacht ze, en ze wekte haar man.

"Kijk de kist in de kamer," zei ze. De man richtte zich iets op,

en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste

duister.

"Wat moet ik zien?" vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden

der kamer staande:

"Deze baar, waarin ik als lijk lig." Hij werd kwaad, en zei korzelig:

"Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen."

Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze

weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:

"Dus moet ik sterven."

En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was

gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en

schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets

voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam,

een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen

zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok

trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand--ze

onderscheidde niet wie--legde op de dichte baar een witten doek. De

dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.

Toen werd alles stil en duister en gewoon. Wakende wachtte ze den dag

af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen

ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld,

en hij zei:

"Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de

doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd." De

vrouw echter antwoordde:

"Het was waar, zooals ik jou zie."

Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar

de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het

doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij

geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: "Was dit niet de man

in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat

zal 't wel geweest zijn?" Ze staarde hem met groote oogen aan, en

zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen

in haar schoot.

Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed,

en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang,

of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.

Deze was gekleed in een rooden hemdrok.

Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.

In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.

Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele

menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En

ze zeide:

"Dat is de man."

Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.

De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij

beval:

"Breng de kist in een andere kamer."

Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang

echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den

muur. Een der dragers zei:

"De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven

staan."

Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk

de vrouw ze had gezien.

Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De

predikant riep:

"Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op

de vensterbank."

"De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel

staan.

"Ik zal de kist dicht-schroeven," zei hij.

Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op

de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze

nam hij.

Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den

schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de

kist. Iedereen zag het. De predikant riep:

"Er mag geen witte doek op de kist." Allen knikten met 't

hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.

Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek

naar de kist.

"Dat is niet in orde," dacht ze. "Zoo zullen we dominé's vrouw niet

uitleiden."

Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.

Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het

wonder, dat 's menschen leven is.

X

Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen

Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren een groote visschershaven,

welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke

lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de

visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van

nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze

gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen

over de aarde schrijden.

"Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?" dachten ze.

Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee

zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en

men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou

loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen

naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun

heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd,

en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.

"Laat me gaan," zoo riep zij in vertwijfeling, "visschers van

Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn."

Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon,

klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten

boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen,

die zwakken mishandelen.

"Het is de zeemeerman," riep men elkaar van de schepen toe, "hij

zwemt met zijn kind in de armen."

Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagen

door den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeien

ze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur,

als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard

warrelt er in groene striemen omheen en over.

Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en

beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten

strekte de zeemeervrouw haar armen uit.

"O!" riep hij weenend, "geef me haar terug, want we waren gelukkig,

booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven."

Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven

tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven,

en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was,

en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods,

trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.

Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een

hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was,

en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de

verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat

men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand,

en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.

"In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld

schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en

wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen."

De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor

teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net

aan den watertoren.

Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog

oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om

't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede,

en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit

een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde

snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze

stierf met de gedachte aan 't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar

sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn,

en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.

Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners

der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden

hun lachlust aan zijn smart verzadigen.

Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen,

golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten,

bijl om te hakken?

Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze

hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers,

en schaterden.

Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks

macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even

was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat

de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen,

keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.

De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en

het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:

"Westerschouwen, Westerschouwen,

Het zal u berouwen,

dat ge genomen hebt mijne vrouwe ....

Westerschouwen zal daarom vergaan,

de toren alleen zal blijven staan."

Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje,

en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het

wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en

golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.

Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het

strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof

de woningen, het legde zich in de straten terneder. Als door den

storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de

opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn

scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en

het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen

de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer

zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen

grond, en het verzonk als een lichte last.

Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard,

terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om

zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar

de huizen begonnen.

XI

De Zeemeermin van Edam

Nog regeerde hertog Albrecht van Beieren over Holland, toen de

tijding kwam, dat in het Purmermeer een zeemeermin was gevangen. Zij

had geleefd in de Zuiderzee, en ze had zich steeds verborgen, als

de visschers kwamen. Zij haatte de menschen. Zij hield alleen van

het spel tusschen golven en zonneglans, als ze zwemmende niet wist,

of het schuim der zee was of warm licht, waartusschen haar blanke

armen kliefden.

De storm kwam op, en de wilde zee brak de dijken. De vloed voerde

haar mede, en zij dreef het Purmermeer binnen, willoos, als was ze

een stuk hout. Ze kon den weg niet meer terug vinden, en ze dook,

om voedsel te vinden. Met mos en zuiver wier was ze bekleed.

Men herstelde de dijken, en de Zuiderzee trad binnen haar gebied terug,

onmachtig ten slotte tegen de menschen.

Telkens moest de zeemeermin boven komen; en ze zwom dan rustig voort,

totdat menschen naderden. Dan dook ze, zoolang ze kon, en ze werd

angstig, als de menschen--meest waren het vrouwen, die booten met

vee voortroeiden--haar konden zien. Ze wist niet, dat ook de menschen

bang voor haar waren, al was hun nieuwsgierigheid even groot als hun

vrees. Telkens dichter kwamen de vrouwen en maagden met haar booten bij

de plaats, waar zij zwom, en ze bemerkten, dat het slechts een arme,

weerlooze zeemeermin was, en ze kon niets dan plassen en ploeteren

in het water.

Eindelijk hadden ze moeds genoeg, om heel dichtbij haar te komen,

en met sterke armen hieven ze haar, hoe ze zich ook verzette,

binnenboord. Ze voeren met haar in de stad Edam, en iedereen

verwonderde zich over haar wezen. Ze trachtte zich verstaanbaar te

maken, en men deed moeite haar woorden te begrijpen: deze waren echter

zoo vreemd, dat het geen taal van menschen kon zijn.

Men wiesch haar schoon van het wier en het mos, dat haar als een lange,

golvende mantel dekte, en men trok haar vrouwenkleederen aan. Ook

leerde men haar het voedsel der menschen eten: zij verzadigde er

zich aan.

Toch verlangde zij ernaar, om weer in het vrije water te leven, en met

wind en golven, haar vrienden te spelen. Telkens liep ze naar buiten,

om zich in het meer te werpen met groote moeite hield men haar tegen.

Veel volk kwam haar bezien, en men sprak allerwege van haar.

Ook de bewoners van Haarlem--een machtige stad--hoorden van het

wonder vertellen en ze zonden burgers uit, om haar in levenden lijve

te aanschouwen. Ze keerden terug en zeiden:

"Het is een mooie zeemeermin, die men ons in Edam getoond heeft."

"Wanneer het een mooie zeemeermin is," mompelde een burger, "dan komt

ze Haarlem méér toe dan Edam."

Toen keerden zij, die haar gezien hadden, naar het kleine stadje

aan de Zuiderzee terug, en ze vroegen, of Haarlem de zeemeermin

bezitten mocht.

De Edammers waren hierover zeer bedroefd. Zij gingen tot de burgers

der trotsche stad en vroegen:

"Wilt ge haar hebben?"

"Ja."

Er was geen keus. De Haarlemmers voerden de blanke buit met zich mede,

en ze deed haar intocht in Sint Bavo's veste.

Daar leerde men haar spinnen op een spinnewiel ... rrr! deden de

raderen.

Ze leefde er vele jaren lang, en nadat ze was gestorven, begroef men

haar op het kerkhof der menschen, want dikwijls had ze het teeken

des Kruises gemaakt.

XII

De Zeemeermin van Muiden

Gezongen hebben de zeemeerminnen met haar liefelijke stemmen, zegen

en vloek. Ze zijn in veel plaatsen van ons land geweest, en ook naar

Muiden zwom een zeemeermin, zingende:

"Muiden zal Muiden blijven,

Muiden zal nooit beklijven."

Toen verdween ze.

Vele dorpen en steden zijn tot bloei gekomen, doch Muiden is Muiden

gebleven, en zonder verandering Muiden, en zal Muiden blijven, tot

in eeuwigen dage.

Erasmus

Uit een kruis van ijzer is Erasmus beeld gegoten. Daarom wellicht

heeft het een wonderlijke macht.

Een boek draagt hij in zijn hand.

Onbeweeglijk blijft het boek, zoolang Rotterdam gelukkig is. Vrees

niet voor het gemeenebest, wanneer het boek niet door de vingers des

standbeelds wordt aangeroerd.

Wee! wee u! duizendmaal wee echter, gij trotsche Maasstad, als Erasmus

een bladzijde uit zijn boek omdraait, want dan wacht u onheil.

Telkens, als er ongeluk zou komen, las het standbeeld verder.

XIII

Kaïn

Nog is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt

zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten,

doch geen echo laat ze na.

Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden

beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef,

Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij

van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden

uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms

over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld,

nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.

Een waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een

geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij

lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide

Reginald:

"Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We

zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen."

Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij

betoomde zijn verlangen en antwoordde:

"Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?"

Zijn broeder haalde diep adem.

"Niets. Ik peinsde alleen over den grooten afstand."

Het was Waleram's beurt, om meer te zeggen dan hij wilde:

"Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van

Kleef is?"

Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij

toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.

"Waleram! heden ben ik te moede."

"Moede--gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen."

De wedloop begon. Ze zetten hun edele paarden aan, nu eens was Reginald

de eerste, dan weder Waleram. Zeker zouden ze tegelijkertijd nog

vóór den avond het slot hebben bereikt, zoo Waleram's paard niet was

gestruikeld, en dus Reginald eerder dan hij Kleef binnenreed. Nadat

hij zijn naam had geroepen, liet de wachter de slotbrug neer, en de

graaf met zijn dochter wachtten hem.

Het was niet met een blijden lach, dat ze hem begroette. Even slechts

zag ze hem aan, daarna staarde ze langs hem heen, over den weg,

en vroeg:

"Waar is Waleram, uw broeder?"

Liever had hij gewenscht, dat ze hem een dolk in 't hart had

gestoken. Bekommerde zij zich meer om zijn broeder dan om hem? Drift

deed zijn brein duizelen, en eerst met bovenmenschelijke moeite wist

hij zich te bedwingen, om arglistig te lachen:

"Ge weet misschien niet, Alixe, dat mijn broeder een slecht ruiter

is, zooals hij zich onbekwaam voelt in alle dingen, die eens ridders

zijn. Daarom heb ik hem verre achter mij gelaten, temeer, daar mijn

verlangen, om hier te zijn, mij aandreef."

"En hebt ge dan niet op uw broeder gewacht?"

"Mijn verlangen was sterker dan mijn broederliefde."

"Ge zult wel vermoeid en hongerig zijn van den langen tocht," sprak

de graaf hoffelijk, "volg ons naar de zaal."

Nauwelijks waren zij gezeten, of de wachter voegde zich bij hen, en

meldde, dat een tweede ruiter naderde. Toen schitterde Alixe's oogen,

en vroolijk riep ze:

"Dat is Waleram."

Hij trad binnen, met stof bedekt, en hinkende. Zij liep hem tegemoet,

en heette hem met juichende stem welkom. Reginald wendde zijn blik

van hem af; onwillekeurig zette zich Alixe naast Waleram.

"Ik was zeker tegelijkertijd met mijn broeder Reginald gekomen,"

zoo sprak hij, "zoo niet mijn paard gestruikeld was. Vandaar ben ik

met stof overdekt."

Alixe zeide:

"Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt."

Waleram ging voort:

"Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder

reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien,

dat mijn paard struikelde."

Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:

"Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het

Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik

bedrevener dan hij ben."

Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:

"Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons

beslissen."

"Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De

wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint."

"Neen!" riep de graaf van Kleef, "zoo moogt gij beiden niet

voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge

dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn."

Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:

"Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij

uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit

heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde." Ze zette zich

weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten

ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele

schaduw door 't licht der zaal.

Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel

wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij

aanzag.

Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen,

of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil

bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk--met moeite--zacht klonk zijn

stem--was het de graaf van Kleef, die sprak.

"Broeders! Waleram en Reginald--bij alles, wat u heilig is en mij,

gaarne gaf ik u beiden mijn dochter, Alixe, als dit mogelijk was. Daar

Gods bestuur niet veranderd kan worden, zeg ik u, dat mijn dochter

hem kan kiezen, dien ze mint. Zweer het mij, dat gij elkander als

broeders zult liefhebben, welken man zij ook nemen wil. Want zoowaar

als de vriendschap van vele mannen door de liefde verdwijnt, zoo zeg

ik u als oud man: verwerp de vriendschap nooit lichtvaardig."

De twee broeders zwegen, en de graaf ging voort als een smeekeling:

"Zweer het mij, Waleram en Reginald, dat gij elkander--"

"Waarom noemt ge den naam van Waleram het eerst?" riep Reginald

rauw. "Hebt gij hem evenals Alixe meer lief dan mij? Ge denkt het

eerst over hem."

Waleram liet zijn vuist op tafel zinken.

"Ik duld uw beleedigingen niet meer, en ik noem u geen broeder. Zoo

gij mij Alixe niet gunt, zij er vijandschap tusschen ons."

"Ik neem uw uitdaging aan, wanneer Alixe heeft verklaard, wie ze

liefheeft, mij of u! Van dat oogenblik zijn wij vijanden van elkander."

"Niet zoo," smeekte, de graaf van Kleef, "liever heb ik, dat geen

van beiden mijn dochter verwerven zal."

Zij drieën wisten, dat het onheil niet te keeren viel. Den volgenden

morgen reden de beide broeders heen, en Alixe's stem zong achter hen:

"Waleram! keer spoedig bij ons weder. Waleram! keer spoedig bij ons

weder. Reginald ... Waleram! Waleram! Waleram."

Het was kort daarna, dat Alixe Waleram beloofde, zijn vrouw

te worden. Reginald vluchtte uit het land, en men was daarom

gelukkig. "Want"--zoo meende men--"nu zal hij zichzelf tegen een booze

daad willen beschermen. Over eenige jaren zal hij op den Valkenberg

terugkeeren, en de twee broeders zullen weder tezamen uitrijden,

gelijk 't hun gewoonte was." Sommigen zeiden, dat hij als boeteling

ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe

op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het

loerende gevaar bekommerden.

In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun

paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in

't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten

zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden

zij niet meer.

Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was

stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het

slaapvertrek.

Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar,

waar zij gevallen was.

"Alixe!" riep hij.

Hij hoorde haar stem, verre--

"Vaarwel Waleram! Uw broeder--Zijn dolk was scherp--Waleram

... vaarwel!"

Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich

verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe, achterover ... de

linkerhand van zijn broeder omknelde zijn keel ... de rechter, met

het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij ....

"Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!"

Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij

boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.

O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet

verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich; en legde de handen neer in

de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs

zijn vingers--

Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op

den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje

mengde er zich door.

Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluizenaar. Tot hem

ging Reginald, en wankelend trad hij de eenzame cel binnen. Hij toonde

hem de bebloede hand.

"Vader!" zoo weende hij, "ziet mijne handen, rood van bloed. Ik heb

mijn broeder vermoord--red mijn ziel. Bid, dat mijn handen weder

worden als weleer. Bid voor mij, en geef mij uitkomst."

"Zulk een zonde," huiverde de kluizenaar, "is niet in mijn macht,

om te vergeven. Ik zal echter voor u bidden, van dezen avond tot aan

den morgen, en misschien, dat God uitkomst geeft."

Hij zonk op zijn knieën neder, zijn handen hemelwaarts vouwend. Hij

smeekte voor den armen zondaar om God's ontferming. Doch God antwoordde

hem niet, tot den morgen, nadat hij den geheelen nacht niets had

gedaan dan bidden.

Het was licht, toen hij opstond.

"Hoe vreeselijk telt uwe zonde bij God, die Kaïn niet heeft

vergeven. Één antwoord is er gekomen, ridder--moge zij tot uw heil

strekken. Reis Noordwaarts, steeds naar het Noorden--het is 't eenige,

dat ik u zeggen kan."

Ze scheidden.

Hij trok Noordwaarts.

Hij kwam door kleine dorpen en door groote steden. Landen, waarvan

hij nooit had gehoord, zwierf hij door. Hij at niet en rustte

niet. Wanneer hij honger had, of slaap zwaar over zijn oogleden lag,

zijn ziel met nevelen vullend, rook hij aan zijn handen, en de geur

van het bloed dreef hem. Menigmaal was er een schaduw in het bosch,

welke hij voorbijging--en dan had hij een duizeling, die dreigde hem

neder te storten. Dan keek hij naar zijn roode hand.

Soms, in een stad, hoorde hij den lach van een vrouw, en hij wilde

stil-staan, om haar te bezien. Zoo schoon was die lach--

Eens sprak een meisje tot hem. Haar stem klonk als die van Alixe.

"Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij."

Hij zag naar zijn hand.

"Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief."

Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat

het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.

"Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden,

mijnhanden moeten van het bloed bevrijd worden."

Als een nevel week ze.

Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.

In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een

milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles

voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan

den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken,

en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur

van het brood.

Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt

van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:

"Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier

binnentreedt."

Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten,

en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht

hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij

peinsde in zichzelf:

"Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil,

dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken."

Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder

tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit

gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van

het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht--Geen

hinderpaal bestond er voor hem.

Nadat vele dagen weder waren voorbij gegaan, zag hij aan den weg een

schoone jonkvrouw liggen, wier handen en voeten gebonden waren.

"Red me"--aldus smeekte ze, "een draak bewaakt mij, en eeuwig zal ik

geboeid blijven, als ik niet verlost word."

Het was hem, of hij uit een droom ontwaakte. Reeds wilde hij zijn

stem doen klinken, en haar vragen, waar zich de draak ophield. Hij

gevoelde met blijdschap, dat hij moedig was. Hij zou in staat zijn,

den draak te overwinnen. Vóórdat hij echter zijn zwaard trok, zag hij

zijn handen, en 't bloed stroomde op den grond. Hij sprak geen woord,

en volgde zijn noodlot. Haar stem klonk thans achter hem:

"Lafaard! uw moeder zal zich schamen, dat gij haar zoon zijt."

Zonder om te zien, liep hij verder. Eensklaps hield de stem op,

en hij wist ook, dat deze vrouw niet had bestaan, en dat hij weder

zichzelf had overwonnen.

Hij trok Noordwaarts.

Eindelijk zag hij in de verte een blauwe streep, lager dan de weg,

waarop hij ging. Verwonderd bemerkte hij, dat de blauwheid niet hoog

was, zoodat het geen woud of berg kon zijn, die hem tegen wilden

houden, en ook was het niet de horizon, daar de lijn te strak was

gespannen en er geen nevel aan rustte.

Wat was het daar vóór hem?

Hij hoorde een geruisch, dat aan den stormwind deed denken. Doch zelfs

bij den hevigen stormwind zijn er seconden, dat het gerucht luwt. Hier

was het een geluid, dat staag aanhield, en zichzelven gelijk bleef.

Plots doordrong het zijn bewustzijn, dat het de zee was, vóór hem. Het

was de wijde zee en de klank der zee. Het verbaasde hem, dat er

geen schip op dreef. Zou het zijn dood zijn, Noordwaarts trekkend,

te verdrinken? Of zou al dit water het bloed van zijne handen kunnen

wasschen? Al dit water ...?

Toen zag hij, dat er aan het strand een boot lag. Hoe ze daar zoo

plots was gekomen, wist hij niet. Op het vaartuig stond een man.

Hij naderde.

De man riep:

"Ben je daar eindelijk, Reginald van Valkenberg? Ik heb lang op

je gewacht."

"Wie zijt gij?" vroeg de ridder.

"Kom bij mij."

Zóó gebiedend werd dit gezegd, dat Reginald gehoorzaamde.

"Ga mede."

Reginald volgde hem. De boot schommelde--en voer weg naar de wijde zee.

In de verte was een groot schip. De wind sloeg bol door de zeilen.

De man noodigde hem met een stil gebaar, dat hij op het schip zou

overgaan, en hij liep hem voor naar't onderste ruim. Daar verdween hij.

Er stond een tafel en stoelen. Twee gedaanten, een witte en een zwarte,

zaten aan de tafel en wezen hem zijn plaats.

De zwarte gedaante haalde een paar beenen dobbelsteenen voor den dag,

en zij en de ridder begonnen te spelen om Reginald's ziel.

Zonder stuurman en roer vaart het schip, nu al bijna

zevenhonderdjaren. Zevenhonderdjaren wordt er gespeeld om Reginald's

ziel, en eerst op den jongsten dag zal het spel eindigen.

In Limburg klinkt Waleram's stem, en ze roept ten Noorden en ten

Westen, ten Zuiden en ten Oosten:

"Moord! moord!"

Twee lichten dwalen, als de stem, die geen echo heeft, klinkt.

En dit zal duren tot den jongsten dag.

XIV

Det Heilig Hout van Dordrecht

Weet, alle Christenmenschen, dat op de wijze, hierna verteld, in

Dordrecht is gebracht het waarachtig Heilig Hout, ofte een stuk van

het Heilige Kruis.

Lang geleden woonde er in Dordrecht een eerlijk jongeling, Claes

Scoutet was zijn naam; en hij diende zijn meester vele jaren lang,

onderdanig en getrouw.

Van zijn onovertref bare deugd vertelde men veel goeds, zoodat ook een

machtig Lombardijnsch koopman over hem hoorde spreken; bij hem trad

Claes Scoutet in dienst als knecht en klerk. De koopman vertrouwde

hem na korten tijd volkomen, en had hem lief, of het een zoon van

hem ware. Zij beiden dan dreven handel in Lombardije, ver weg gelegen.

Na eenigen tijd vertrokken de Lombard en Claes, naar een land

van heidenen, en daar verkochten zij juweelen aan allen, die deze

zaken begeerden. Ze leerden de taal der heidenen, en werden met hen

bevriend. Zij dreven eerlijken handel, zoodat de groote Soudaan

of Vorst van Babylonië met zijn vrouw en zijn dochter over hen

hoorden spreken. De vrouwen hebben de schittering lief, en de vrouw

en de dochter des Soudaans bedachten vele listen, om de juweelen te

verkrijgen, die de koopman bij zich had. Ze fluisterden en monkelden

onder elkaar, en wat de twee sluwe vorstinnen bedachten, is waard om

te vermelden.

Ze lieten den koopman komen, en lachten hem toe, en voerden het met

vleiende woorden in zijn geest, dat hij met den Soudaan van Babylonië

zou spreken.

"Wek op den Soudaan," zoo zeiden zij, "dat hij zijn schepter zal doen

vermaken. Fij! hoe plomp is hij voor zulk een heerscher."

Toen nu de Soudaan had toegestemd--want welke man is tegen de list

van vrouwen bestand?--dat hij zijn schepter zou doen vermaken, liet

zijn dochter den jongen Claes bij zich komen, en ze zeide:

"Onder het goud en de diamanten en paarlen van den schepter is een

groot stuk van 't hout verborgen, waaraan de God der Christenen

is gestorven."

Waarom sprak dit de dochter des Soudaans? Opdat ze enkele juweelen van

Claes te goedkooper zou krijgen, want ze wist wel, dat hij begeerig

naar het hout was, en ook zeide ze het, daar haar ziel gewend was

naar het zalige Christen-geloof.

Aldus was het, dat de koopman zijn juweelen gaf in pand voor den

schepter, en dat ze afscheid van den Soudaan namen, die hun mede

gaf twee trouwe heidensche knechten en een brief van vrijgeleide,

om te reizen door het land der Arabieren, die zeer wreed zijn; zeven

kameelen schonk de Soudaan hun bovendien.

Toen de koopman en Claes halverwege Alkarië en Jeruzalem waren gekomen,

wat geschiedde er? De koopman werd ziek aan den menisoen, en stierf,

na zijn ziel te hebben gegeven in de handen Gods.

Mogen allen, die God vreezen, sterven, als hij.

Ze waren nog twaalf dagreizen van Jeruzalem, en ook een der trouwe

heidensche knechten werd ziek, en stierf aan den menisoen. Nu was

Claes bijna alleen in 't land der Arabieren; in den nacht brak hij

het heilige hout, God smeekende om genade, want anders wist hij niet

te doen. De stukken verborg hij onder zijn kleeren.

Den dag daarop maakte hij zich gereed om naar Jeruzalem te trekken,

waar hij zonder veel avonturen aankwam, en vandaar reisde hij naar

Jaffa, waar hij een schip vond.

Hij vroeg de bootslieden:

"Waarheen gaat dit schip?" En ze antwoordden hem:

"Naar Venetië."

Nauwelijks had hij plaats genomen, of de wind werd goed, en waaiende,

waaiende, dreef de wind 't schip in zoo korten tijd naar Venetië,

dat het zeer mirakelijk was, een mirakel Gods.

In Venetië ontmoette hij alras een goed man, die met een groot schip

naar Londen wilde varen. Londen is een stad in Engeland.

Claes ging dan scheepwaart, en de wind woei. Zij kwamen in zoo korten

tijd in Engeland, dat iedereen, die 't hoorde, zich verbaasde. En

Claes ging naar Dover, en vandaar naar Vlaanderen, en hij kwam in

Brugge aan. Daar borg hij 't hout in een gesloten kist, en hij trok

naar Armegië en naar andere landen, drijvende koopmanschap, totdat de

tijd was gekomen, om te huwen: want hij had gelds genoeg. Zijn oogen

zochten, en ze vonden een jong meisje, Margaretha Tristram was haar

naam, en na Claes' dood is zij getrouwd met Uutenhoven.

Toen Claes twee jaren met haar in den echt had geleefd, toonde hij

haar het kistje, waarin geborgen was het heilige hout, en hij zeide

tot haar:

"Ik ga naar Dordrecht, omdat ik daar geboren ben, en ik neem mee een

stuk van het kruis."

Hij ging voor het kapittel der Groote Kerk, en hij deed de kerkmeesters

beloven, dat zij voor hem en zijn gezin zouden bidden en doen bidden,

eeuwiglijk. En zij beloofden het hem. Op deze voorwaarden gaf Claes

de kerk een stuk van 't kruis onzes Heeren, Jesu Christi.

De kerkmeesters lieten maken een kruis van fijn goud, waarin zij het

heilig hout legden, en ze zetten het kruis op een altaar, het altaar

van den Heiligen Hout, aan de noordzijde.

Dus alle geloovigen wilt aanbidden het Heilige Hout, waarin onze

zaligheid is gewrocht.

En in 't jaar één duizend vierhonderd zeven en vijftig verbrandde

de Groote Kerk met alle andere huizen, groote en kleine, staande

aan de poortzijde, en de huizen van de Vuylpoort tot aan het

Minnebroedersklooster.

En alles wat in de Groote Kerk was, verbrandde, behalve steen en

ijzer. Zilver, goud, koper, lood, en de klokken smolten en alles,

wat het Heilig hout bevatte, ja het verbrandde of smolt. Alleen

't Heilig hout spaarde God.

Toen de brand over was, trok de deken der kerk, meester Jan van

Egmond Aalbertsz--een zeer vroom man--met vele Heeren en burgers,

en kerkmeesters, Willem Duyck, den zoon van Arend Duyck en vrouwe van

Naarssen, en Jan van Muylwijck, die later de banier heeft gedragen voor

Utrecht en Deventer, en met ontelbaar volk, wereldlijk en geestelijk,

en ze zochten 't in de asch voor het verbrande altaar.

En toen ze 't vonden, was 't week, of 't van was geweest ware, maar

daarna werd het hard en stijf als hout. Men toonde het aan het volk,

en daarna elken Goeden Vrijdag en op den Paaschdag.

Het heilig hout heeft Claes Scoutet de kerk gegeven, en hij was vroeger

een burger van Dordrecht, en hij toog naar Brugge. Brugge is een stad

in Vlaanderen.

Aldaar werd hij burger en hij stierf aldaar.

God zij zijn ziel genadig. Deo gratias.

XV

Maria, het Venster

Er was een geleerd man, rijk van goed, maar onrein van leven. Al

zijn geld verspilde hij in zonde. En toen hij niets meer had, was hij

bedroefd en ver van der menschen huizen ging hij in eenzaamheid. Niet

wist hij, wat te beginnen zonder rijkdom, en alles wilde hij bedrijven,

om het geld weder te winnen. De Duivel kwam tot hem, zeggend:

"Waarom ben je zoo droeve?"

De geleerde man vertelde hem, wat er was geschied. De duivel sprak:

"Wil je doen, wat ik, raad--ik zal je geven aan rijkdom genoeg."

De man beloofde, dat hij den raad wilde opvolgen, wat het ook wezen

mocht.

"Dan moet je God verzaken en Zijne moeder Maria," zeide de Duivel.

Op dezen raad verzaakte hij zijn God, maar met zware moeite kwam hij

ertoe, om Maria, de moeder Gods, te verzaken. Maar hij verzaakte Haar

om der wille van den rijkdom. Daarom gaf de Duivel hem veel goud,

en hij leefde een langen tijd in groote zonde. Ten laatste keerde

hij tot zichzelven in:

"O! onzalig mensch, wat heb je gedaan? Je hebt God verzaakt en Zijn

moeder Maria. Sterf je in deze zonden, zoo ben je eeuwig verdoemd."

Hij ging in een kerk en viel op zijn knieën voor het beeld van Maria

en smeekte zeer innig, dat Zij zich zijner zou ontfermen en voor hem

bidden zoude. Hij liet niet af, bad altijd en bedreef grooten rouw

vanwege zijn zonde. Ten laatste sprak de barmhartige moeder Gods tot

den armen zondaar:

"Ik kan u niet helpen, want gij hebt uw God en uw Schepper en mij

verzaakt."

"O waarde moeder Gods, gij moet mij helpen, want anders ben ik verdoemd

voor eeuwig."

"Ik kan u niet helpen, want gij hebt het niet verdiend, dat men u

helpen zal."

"O Maria, hoe is Uw naam en hoe pleegt men U te noemen?"

"Sommigen noemen mij de moeder Gods, anderen de vrouwe der engelen of

de koningin van het Hemelrijk of een ster der zee of de lieve moeder

Gods Maria."

"O! waarde moeder Gods Maria--Gij hebt nog een anderen naam, zooals

het staat in salve regina."

"Men noemt mij ook de barmhartige moeder Gods."

"O lieve Maria en moeder der barmhartigheid, dien naam meen ik en ik

hoop, dat Gij dien door mij niet zult verliezen. En zoo Gij mij niet

helpt, verliest Gij Uwen goeden naam."

Toen sprak Maria, de moeder Gods, tot haar lief kind Jezus:

"O! lief kind, ontferm U over dezen zondaar."

"Lieve moeder, hij heeft mij verzaakt, ik keur hem geen genade

waardig."

Toen nam het beeld van Maria haar lieve kind Jezus en zette het op

het Altaar, en knielde neder voor het Altaar, biddend zonder einde,

en zeggend:

"Lieve kind! ontferm U over den zondaar."

"Lieve moeder, de deur des hemels is hem ontzegd."

"Lieve kind, is hem de deur ontzegd, laat mij dan het venster wezen,

opdat hij door Mij mag komen in het eeuwige leven. Want ik ben het

venster des Hemels."

"Lieve moeder! ik zal Uwen wil doen."

Maria, de barmhartige moeder Gods, zeide tot den zondaar:

"Ga heen en wil niet meer zonde bedrijven. Maar biecht uw boosheid

en beter uw leven."

De man dankte en loofde Maria, de moeder Gods en ging blijde en

vertroost heen. Hij ontdeed zich van al het goed des Duivels, en hij

ging in een klooster, waar hij God en Maria diende en zijn zondig

leven beterde.

XVI

Brammert en Ellert

Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan

geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat,

moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.

Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert

was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij

terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één

van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven:

òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.

's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde

klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een

touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden

naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat

hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij

niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en

moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld

zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel

wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger

hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden .... Ze waren

ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de

ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt,

en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden,

wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw,

als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.

Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim

kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen

meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde--daar Ellert niet

dadelijk wakker was geworden--eenigen tijd voor ook de zoon het

lijk ontdekte.

Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche

bron met water. Maar Ellert--met zijn domme verstand (had hij niet

drie duim minder aan hersenen?)--dacht dadelijk, dat Brammert den

sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:

"Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal,

ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.

Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den

volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert

Brammert met luide stem toe:

"Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje."

"Wat meen je daarmee, zoonlief?" vroeg Brammert.

"Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt."

"Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders

had de man niet bij zich en dat is niet veel."

"Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu

maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen

woord meer over."

"Haha," dacht Brammert, die de slimste was, "nu verklap je jezelf,

zoonlief.--Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel

in mijn bezit heb." Dit dacht hij, hij sprak echter:

"Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel

heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de

grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner

dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak."

Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen

later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was,

die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord

en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.

"Waarom," peinsde hij, "is Brammert altijd de eerste? Dat is

gemakkelijk te begrijpen ... hij wil den sleutel hebben, en mij

die niet geven." Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er

voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest

bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar

altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar

hem toe, en zeide:

"Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?"

"Hoe zou ik dat weten, zoonlief?" vroeg Brammert, die had geleerd,

dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.

"Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt."

"Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?"

"Bij den koopman!"

"Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door

zorgen gekweld."

"Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd."

In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:

"De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik

heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos

vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat

er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn

vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen

zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs

vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter

ben dan hij." Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd

over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning

hebben gevoeld.

"Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan

overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan

hij .... Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?"

Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust

elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden

naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend

volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade

menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen,

Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik

hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die

spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had

gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den

geur van 't bloed zouden behouden.

Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld:

hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen

gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en

telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de

dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen,

aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.

Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:

"Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan

hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan

kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is,

overwint hij me niet."

Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het

dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen

de klokken te luiden.

Brammert en Ellert schoten toe.

Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg--een vervolgd mensch:

de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste

der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.

"Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij

iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen,

als ze gewond zijn," schertste hij.

"Laat mij gaan" smeekte het meisje.

"Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je

ook niet dood maken.

Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden

Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van

vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken:

"Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat

ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich

kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat

er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden."

Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in

zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein

en ongelukkig schepsel ontmoet .... Een stille glimlach, en een

trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje

keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk,

dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te

beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was

tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot

het geluk ... Een doffe pijn was er om zijn hart ... dat het jonge

meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert

haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd

scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En

eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn

ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk

had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het

eind zijner dagen.

Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de

stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo

groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart,

als 't jonge meisje had gedaan.

"Brammert heeft den sleutel tot 't geluk," schokte het op in zijn

brein, "en ik mag toekijken .... Hoe moet ik me er van meester

maken? Ik wil zoo graag .... Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem

dooden, zoodra ik kan."

Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.

"Vannacht nog," fluisterde een booze stem, "als hij nederligt, 't

hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen,

en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven,

zoodra hij dood ternederligt."

Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert

hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in

zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld

verlaten, verre zijn van zijn verleden.

Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.

Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de

Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en

zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen,

toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk

was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer

wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans

daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een

glimlach bewaakte zijn slaap.

"Hij heeft den sleutel tot 't geluk" dacht Ellert.

Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd,

ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden

bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede

bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem

weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in

zijn bloed:

"Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in

verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit

zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ...."

Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt,

en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder

een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.

Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het

was een land van vloek en verdoemenis.

XVII

Zomersneeuw

Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het

klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren

beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte

bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond

onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in

wijden kring was geschaard.

Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met

haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij

meer dan zij vermocht.

Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht

was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok,

om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar

innerlijk wezen, bestond?

Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige

oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had

gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was

het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede,

besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen

ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.

"Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker," zeide ze iederen dag,

wanneer zij--vertrok.

Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning

een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men

week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den

kring liet.

Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw

opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't

water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar

verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende

hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.

"Moord," zoo fluisterde men.

De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze

weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er

om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel

daarin terneer als een steen in bodemloos water.

De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de

roerlooze groep, moeder en kind.

"Wat is hier geschied?" zoo vroeg hij.

Er was een stem uit de menigte:

"De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet

ver vandaan."

't Volk morde:

"De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen."

Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn

dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.

Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind

rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg

de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps

stiet ze een snerpenden gil uit.

"Jean--mijn kind."

Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.

"Hebben ze jou van me weggenomen?"

Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige

steenen van den wand. Ze richtte zich iets op--het was alles steen--dat

zij vond--klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte

iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had

aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been

tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht,

begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.

"'t Kot!" riep ze in angst. "O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn

kind dood ... en ik in 't gevang!"

Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van

den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte

niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was

het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een

bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of

een zegen?

De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij

den schouder.

"Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten," zoo bevalen zij.

Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen

ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam

zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.

Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.

Eens zaten daar de schepen, alle zeven,

't Is lang geleden, dat ik 't geschreven vond

Om recht te spreken over dood en leven,

Terwijl rondom vol vrees het volk stond.

"De schande," weende ze.

"En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen,

Die arme ziel, verlaten en veracht.

Maar toch ... ze hoort haar innerlijk vermanen

Een stem, die heimelijk vertrouwen bracht.

Ze wist het ... God was met haar.

Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke

kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende,

gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en

rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving

van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen,

en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als

slechts in den zomer.

De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het

eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen

in vertwijfeling. Hij was de voornaamste man van het dorp, en wie

zou haar, een arme weduwe, gelooven?

Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan

ook gezien--zoo zeide hij--hoe zij in den vroegen morgen met haar

knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat

zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan,

zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien,

en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij

het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep,

zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.

Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij,

de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord

der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar

misdrijf had gezien. Het was duidelijk--zij had den moord gepleegd;

het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen

van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze

zou alles bekennen--ze deinsde terug met een schrik, dien alleen

moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg--dat was

't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat

ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder

gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf

voor haar kon bestaan.

De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.

"Wat hebt gij te zeggen?" zoo vroeg hij.

Nog antwoordde ze niet.

Dringender werd zijn verhoor.

"Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij

schuldig zijt."

Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:

"Ik ben onschuldig."

Er was een klank in haar gepijnigde stem--de echo van haar

eerlijk geweten--die even, even een teerder gevoel wekte bij de

luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem

van den schout door de stilte.

"Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen

hebben? Hij een rijk man--gij een arme vrouw?"

"Ik ben onschuldig."

Toornig riep de schout:

"Gij hebt mannen voor u, geen kinderen."

De oudste der schepenen vroeg:

"Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?"

Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht

toegefluisterd:

"Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is,

zoo waar zal uw onschuld blijken."

Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij

spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar

uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het

luisterende volk.

De schout sprak:

Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf

ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar,

en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe

gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind

had vermoord, en in den Jeker had geworpen.

Zou zij het uit armoede hebben gedaan?

Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere

deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind

werk vroeg.

Twijfelde er iemand aan haar schuld?

Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe

valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk

vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd.

Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan waden

En 't nacht kan wezen in den dageschijn ...,

Zoo min moogt gij gebruik en wet versmaden

En mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.

Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag--als de nacht

onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht--zou hij in de

onschuld der vrouw gelooven.

Hij had uitgesproken.

Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en

verduisterden alle licht.

't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.

De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen,

noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis,

zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.

Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.

Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen

achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister,

doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd,

zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen

zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde

het graan tegen de heuvelen.

Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was

sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder

haar gloeide de zomer ... insecten kropen af en aan, een rups gleed,

een kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit

alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige,

woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken

bogen onder hun zwaren last.

En ieder schrikte over wat gebeurde,

Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer,

Toen kort daarop de zon weer alles kleurde

Toen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.

Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch

men zocht den aanklager en vond hem niet.

Moge hij zijn loon hebben ontvangen!

XVIII

Mirjam, sage uit den Achterhoek

Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote

Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde

eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij,

zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis,

waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.

Waar was Hij niet geweest?

Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen,

waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een

onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed

stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees

de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de

menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden

ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood

zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven,

en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.

Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij

niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige

Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder

verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron

getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare

gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken,

ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen

sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.

Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood,

doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek

getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En

de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed,

ze liepen tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de

oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want

Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door

den ridder van Ruurloo te worden beschermd.

De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen

afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.

Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat

men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen

vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf,

waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.

De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn

muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar

gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend

voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't

haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte

den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter

de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.

"Mirjam!" lachte de jonge ridder lichtzinnig, "kom met je vader,

den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat,

om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik

dit gevaar niet."

De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote

Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men

in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den

IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem,

den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen

tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder

lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.

Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de

Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide

hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide

hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.

Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder

tezamen waren:

"Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben,

gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken,

als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden

vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld."

Hij lachte, en antwoordde niet.

Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over

Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden,

die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn

geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen

zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na

over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.

Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij

de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar

rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder,

uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte,

met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou

ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.

Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier

was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar--hier was het

een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten

te zeggen.

Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.

"Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?" waren haar booze

woorden. "Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet

worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt."

Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.

"Het zal gebeuren," zeide hij onverschillig.

Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze

er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof,

en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds

ter dood.

En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het

kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op

Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om

hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over

Zijn schouder.

Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam

wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren

nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte

men niets meer van Hem.

Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze

vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een

gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze

gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos

geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?

Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.

Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.

Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was

de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud

verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.

Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun

aller verwachting.

"Wie eerst?" vroeg ze heesch.

"De bruid," riep de bruidegom.

Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.

"Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf," zeide

ze zachtjes.

"Ge liegt," schreeuwde de bruidegom.

Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer

verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.

De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.

"Mirjam."

"Mirjam," echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze

sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm

weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.

"Mijn vader is dood," klaagde ze.

"Haal haar van me af," wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond

den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.

De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood

stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen

en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:

"Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren

vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood--en ook gij--zult

sterven--als ik--"

Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven

hield ze hem vast--Even nog snikte ze ....

Toen was het stil.

En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem

een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge,

schoone bruid.

In eenzaamheid is hij gestorven.

XIX

De Gevangen Wolk

Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den

Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis

bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer

dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.

"'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur,

En woar dat blauwe dämpken kwam,

Doar störf an den heerd de heldre vlam,

Doar störf de boer, de vrouw, het keend

Et hoes verwöj duur weer en weend."

Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het

maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk

alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De

koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven

de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander,

telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de

melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze

wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op

dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen

om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de

weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge,

zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer

achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.

Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na

wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven

ging, en dat de menschen doodde?

Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot

hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te

worden voor langen tijd.

In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van

de huizen, waar hun machtigste vijanden woonden, die hen uit de verte

konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets

in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden

ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters

verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.

Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch,

een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.

De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen

hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten

dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en

rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente,

en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen

en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk:

wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt,

gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.

Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden

brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet

meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen,

en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.

"Et was in de tied van de zwatte dood,

Op den Enscheder Esch was bittere nood,

Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur."

En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het

witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit

te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens

binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen

de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er

niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde

het vangen. Zoo het gevangen was, zou weder het geluk kunnen keeren

in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.

Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo

gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier

op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en

dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.

Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?

"Met al wat leven har, was et edaon."

Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op

het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen,

en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen

geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in

de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond

aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.

De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:

Een menschenkind kwam er na jaar en dag,

Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lag

Zoo stil en verlaten 't huis en de stal,

Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral,

Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd;

In de bedstee iets zachtkens roert.

Leeft hier nog iets, al is 't niet veel?

Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel,

De wolvin, de wolvin in wilde draf

In de bedstee wierp ze de welpen af.

In dezen hoogen nood zal de Lappe wel niet veel geslapen hebben,

minder dan anders, en dat wil wat zeggen, want zij die op de Lappe

wonen, gebruiken in gewone tijden hun oogen terdege, des daags en des

nachts. [1] De Lappe moest op het witte wolkje letten, en wie weet,

of het niet angstig was, om den Lappe te ontmoeten: die zat al genoeg

vol streken, en duizend zwarte Dooden had hij kunnen bewaren, zonder

dat ze ooit konden ontsnappen.

"Hoe krijg ik hem?" dacht de Lappe.

"Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?" dacht 't kleine,

witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen,

ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te

dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.

Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van

den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre

maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn

eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen,

dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het

even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:

"Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij."

Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te

middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij

het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje

had hij gevolgd, peinzend:

"Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en

waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.

En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve

binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't

vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren

loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat

het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos,

of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.

Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens

op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte

paal, welke de "stipel" wordt genaamd. 't Witte wolkje wist wel, dat

't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.

Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en

met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het

witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en

het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers

was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat,

daar is 't raak ook.

Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn

gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel

nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den

wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom

en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk

had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.

Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar

de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog

altijd de "wolfkuil" noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door

een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.

"Maar zie, in den stipel, daar was een gat

In den stipel, die in de benedendeur zat,

Daar kroop 't wolkje zachtjes in,

De Lappe zag 't en met een houten pin

Sloeg hij 't wolkje in het kleine gat,

Tot de Zwarte Dood gevangen zat."

XX

De Gierige Mulder

Meer dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de

Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om

hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren,

en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele

vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van

de heilige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar Zij den

Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds

een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel;

menige knaap tastte naar dolk of zwaard; en de volwassenen gevoelden

zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men

wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren

verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.

Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het

schreien der vrouwen op, want zoo smartelijk werd de stem, dat niemand

meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en

onnoemelijk leed.

Wat--zoo vroeg Oliverus--was er van het land geworden, dat eens

de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden

betreden? Wee den Christenen! het was in handen van heidenen en

ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in

de macht der Saracenen blijven?

Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar doode kind,

smartelijker dan de stem van Oliverus, den Keulschen scholaster.

Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende

aarde zou verlaten?

Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de scheede had

getrokken, om zich te wreken op hen, die den Heere Jezus op deze

wijze ten tweede male kruisigden?

Een oude mulder stond temidden der menigte en hij dacht bij zichzelf:

"Van mij zal niemand verwachten, dat ik medetrek met deze jonge

dwazen. Maar mij zal men vragen om een som gelds, teneinde dit werk

te steunen. Oeie, oeie, men zal denken, dat ik honderd Mark zilvers

dien te geven, daar men mij voor rijk houdt. Dit zal niet geschieden,

zoowaar ik Godeslas ben, de eigenaar van den 'Zwarten Molen' bij

Maastricht. Niets meer dan vijf Mark zilvers zal ik uit mijn beurs

schudden."

Velen, die aan de Maas woonden, konden Oliverus niet vergeten, noch

de stem, die in toorn had geklonken, noch die in leed. Vrouwen gaven

haar laatste penningske voor het vrome doel, om het land des Heeren

weder voor de Christenen te winnen. Mannen, jonge en oude, sloten

zich aaneen, om te strijden tegen de booze heidenen, die heerschten

over Jezus' graf.

Toen kwam men bij Godeslas, den mulder.

"Geef, geef met volle handen," zeide men. "Ge zijt oud, en Hemel of

Hel is niet ver meer van U. Geef, geef, om Godes wil, Godeslas."

"Geven? Wie spreekt er niet van geven? Alle menschen vragen om te

geven. 'Geef mij,' zegt het kind. 'Geef mij,' zegt de jongeling. 'Geef

mij,' zegt de man. 'Geef mij,' zegt de grijsaard. Want het kind wil

groeien, de jongeling groei verleenen, de man groei onderhouden en

de grijsaard groei voleindigen. Doch om te geven, is een vreemde hand

van noode, en allen grijpen naar deze vreemde hand, allen willen ervan

plukken. Luister! ik heb een boom gezien, vol van blad, en eenige weken

later was er geen groen meer aan, omdat de rupsen in grooten getale

langs stam en tak hadden gekropen, om zijn leven af te knabbelen. Ga

naar buurman's huis. Buurman is rijk genoeg, om te geven."

"Hebt ge niet gehoord, wat Oliverus zeide?"

"Och wat--Oliverus!--moeten anderen ons hier komen vertellen, wat

wij te doen en te laten hebben? Maar toch wil ik u niet ongetroost

laten heengaan. Ge behoeft van mij in het dorp niet te kallen, dat ik

gierig ben. Ik zal u wat schenken: vijf Mark zilvers. Hoe! verlangt

ge soms meer van me? Gaat dan liever mijn deur voorbij."

"Ge zijt rijk, mulder, en het zal u niet deren, zoo ge honderd

Mark geeft."

"Hoho! wist ik 't niet, dat ge dit deuntje wildet gaan zingen? O ja,

wel zegt men van mij, dat ik rijk ben, doch met welke maat meet ge

een's ander's rijkdom? Ik kan nazien, hoe diep het water in een put

staat, of hoe breed een veld is, hoe zwaar een zak meel weegt. Echter

kan ik niet weten, hoeveel geld een ander mensch heeft."

"Weigert ge dan geld te geven?"

"Ik weiger niet, ik geef van mijn armoede," en hiermede smeet de

gierige mulder vijf Mark zilvers op tafel. Zijn bezoekers vertrokken,

woedend over zijn vrekkigheid, zonder hem te danken. Zoodra Godeslas

alleen was, lachte hij, mompelend:

"Die dwazen."

Ja, hij vond het dwaas, dat er menschen werden gevonden, die hun

leven waagden, om met de Saracenen te strijden. Daar was hij goedkoop

van afgekomen! 's Daags en 's nachts was hij zeker van zijn leven,

en hij sliep er niet te minder om in zijn woning.

Eens kwamen hem kruisvaarders voorbij, die naar het Heilige Land wilden

trekken. Ze liepen rechtop, denkende aan de woorden van Oliverus. Wat

riep hun Godeslas spottende toe? Aldus moet het wel geklonken hebben:

"Hoevelen van u zullen er wederkeeren? Waarom begeeft ge u in den

dood?"

Niemand antwoordde hem. Toen hoonde hij hen met wreeder woorden:

"Ik behoef niets te wagen, ik heb mezelf voor vijf Mark zilvers

afgekocht. Weet gij nu, wat ge waard zijt, vrome krijgslieden? Vijf

Mark zilvers iedere man!"

Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer konden hooren. Daarna

keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Voor

hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim

was geweest.

Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen

van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de

mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon

niet anders dan een droom zijn.

Voer de wind wellicht door de takken?

Neen, het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de

weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos. Welke onverlaat dreef

hem midden in den nacht zijn molen? Hij riep den knecht, en het duurde

niet lang, of deze stond voor hem.

"Rrrrrt," zeiden de steenen van den molen. Wat maalden ze?

"Ga zien," riep de mulder tot zijn knecht, "wat er in den molen

geschiedt."

Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek,

als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij

hield zijn hoofd in de handen verborgen, en luisterde.

"Wanneer komt de knecht terug," dacht hij. "Als de knecht terugkomt,

zal ik weten, waarom mijn molen draait."

Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en

langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer

staan, het hoofd gebogen.

"Wat is er met den molen?" vroeg de mulder heesch.

De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze

luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en

gestamp der raderen, en 't sissen en schuimen der roerige beek. De

één wist niet en de ander wist.

"Ik zal--zelf--gaan zien--" stamelde de mulder.

Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen. Wankelend trad

hij binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug.

Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte.

Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd.

Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te

vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de rijke mulder zich had

vrijgekocht.

"Ik heb twee paarden bij me," zeide de duistere gedaante. "We gaan

rijden, Godeslas."

De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hij

begreep, welke straf hij zou moeten lijden. De zwarte man beval:

"Doe uw buis uit."

Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend, en de zwarte

man was hier angstig voor, daar 't het teeken is, dat hem verjaagt. Had

Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was

gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds vast. Of hij een

veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper

en dieper den nacht in.

Er werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht

was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht.

XXI

Duif en Doffer

Reynout van Valkenburg ... u heeft uw vrouw meer liefgehad dan

haar kind.

Hij was uitgereden, de trotsche held.

"Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is,

waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen

weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal

hij zingen ...: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is

geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel

ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is

mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en

wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik--wees

daarom niet versaagd. Vaarwel!"

Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk

op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging,

waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.

"Reynout van Valkenburg!" klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó

rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend

in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers

zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in

Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare

krankheid en ze fluisterde tot haar kind:

"O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over

de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen

zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen."

Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen,

kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar

blijdschap jubelen--want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe

hij ook wederkwam, hij was haar zoon.

Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij

liep hen tegemoet.

"Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke."

Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.

"Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek."

"Reynold! Reynold! zone mijn,

Din vrouw gewan een kindekijn,"

"So leget mi in die coetse blank,

Opdat ic ruste. Ic ben crank."

"Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven."

Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.

"Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen."

"Laat mij sterven, moeder ...."

"Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die

naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet."

"De lansepunt drong mij in den rug--niet in mijn borst ben ik

gewond. Een verrader was het, die mij doodde."

"Spreek niet van den dood."

"Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer

ik gestorven ben .... Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel--zeg

mijn kind vaarwel."

Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.

De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze

droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was

er in den klank dezer klokken.

"Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?"

"Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang."

"Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held."

Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros,

en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend

zijnen naam.

"Reynout van Valkenburg!"

Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen,

die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder

ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde,

dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.

Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in

den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij

luisterde niet naar het juichen der makkers.

Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die

de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn

oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan

alle jubeling rondom hem.

"Een kindeke is ons geboren, Reynout."

Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde

niet om zijn gesloten mond.

Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste

wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde,

dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar

ridder had.

Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu

slechts den eentonigen stap van het paard.

Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den

grond, dat het klonk als klop na klop.

Schrikkend ontwaakte ze.

Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo

zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had

hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had

gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?

Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?

Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer

't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.

Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:

Mer segh mi, 't geruchte op den ganck

Is dat niet kloppen planck bi planck?

De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen,

dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.

Zij glimlachte.

"Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt."

"'t Is als 't maken van een doodkist," huiverde de jonge vrouw,

en ze drong het kind dichter tegen zich aan.

"'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts."

Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde

weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten

weg--Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.

Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt

aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging--een

schemerende angst.

"Moeder--moeder," klaagde de jonge vrouw.

"Wat wilt gij, mijn dochter?"

En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk

een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de

lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat

nu refreinde, was slechts een echo.

"Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?"

"Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago."

"Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren

voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was."

"Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij

gelooven."

"Dan zal ik weder slapen--"

Zij sliep en droomde.

Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde het toe. Het

dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van

ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit

van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven

geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om

haar geluk voortschreed--telkens zag ze op naar 't gelaat van haar

ridder--schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte

ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden

moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf

hij haar niet.

Zij hoorde hem zeggen--zijn stem was toornig:

"Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor

mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des

velds waart gij toch welkom geweest."

"Hoort dan!" zoo antwoordde zij treurig, "een kindeke is ons geboren,

en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen,

en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom

niet vertoornd."

De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar

afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.

"Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder."

Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde,

dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar

moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.

"Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad,

in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete."

Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.

"Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve

kind."

"Min kind, ic 't niet meer bergen kan,

Dood en gesonken is din man"

Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die

het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de

jonge vrouw, wat er gebeurd was.

Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:

"O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot

Bi Reynold wesen in der doot."

De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee,

hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.

"Dit is een leed, dat wij niet kennen," spraken ze, "en als wij kunnen

helpen, laten wij het doen!"

De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde

stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:

"Wat is er geschied, dat gij spreekt?"

"Wee--wee," antwoordden de steenen, "bij uw hart ligt Reynout van

Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin,

om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan,

dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige."

Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende

zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de

klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.

Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van

tak, een breede schaduw vleiend over den weg.

Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke

vlucht zocht den hoogen hemel.

Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen

zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven.

XXII

Emma van Haarlem

Op het slot van Haarlem woonde een slecht en wreed ridder, die door

het volk werd gehaat, en door zijn vrouw bemind. Want elke vrouw

is de draagster der liefde, ze heeft al lief om der liefde wil, ja,

dikwijls vraagt zij niet, wien ze nu eigenlijk liefheeft. Zij zelve

heeft zachte handen en haar oogen schreien gemakkelijk; doch haar

vingers spelen gaarne met den forschen nek, en, een vroolijk kind

gelijk, woelt ze dartel in den ruigen baard.

Emma van Haarlem wist wel, dat men haar man verafschuwde, en ook wist

zij, dat het met reden was. Het volk moest het onduldbare dulden,

en hij ging het vertredend en vertrappend voorbij. Hij meende, dat

zijn macht eeuwig zou duren, zoo hij angst uitwierp. Hij roofde en

moordde en brandde. Ja, hij was als een beest zoo wreed in het dooden,

doch als een mensch deed hij doelloos lijden.

Het volk morde. De mannen hielden hun oogen ternedergeslagen, zoo ze

den ridder ontmoetten, maar geen der arme schobbejakken vergat het

hoofd te ontblooten, ten teeken, dat ze hun haren kort droegen. Hij

zag langs hun gebogen ruggen, en de teugels van zijn paard greep hij

vaster. Wee hem! den tyran.

Het mokken en mopperen smeulde voort, zonder dat de burchtheer 't

bemerkte. Hij bleef een genadeloos man en eindelijk begreep men,

dat niemand voor hem veilig was. Men liep te wapen, toen hij op zijn

kasteel toefde. Het arme volk belegerde den trotschen burcht en geen

hulp was er voor den slechten ridder, die angstig werd om de macht van

het gepeupel. Doch zijn vrouw, Emma van Haarlem, glimlachte en zeide:

"Ik zal uw leven redden."

Had hij er ooit op gerekend, dat men zijn slot zou omsingelen? Waarom

had hij niet voor leeftocht gezorgd? Wat gaf het hem, dat hij en

zijn garnizoen uitvallen deden, waarbij velen der kerels gedood

werden? De moed zelve is te breken, echter niet de vrees, die den

moed verwekt. Uit vrees, dat de ridder weder zou rooven en moorden,

bleven de belegeraars tezamen, en ze trotseerden 't heden, om zich

voor de toekomst te vrijwaren. Geen, die het beter begreep, dan de

burchtvrouw: zij stelde tegenover de angst des volks haar liefde,

en ze berustte onversaagd. Ja, wellicht was ze blijde; dat haar heer

niet heen kon gaan, en dat hij altijd bij haar was.

Zoo er ook van het volk tientallen sneuvelden, het volhardde om gracht

en muur. De honger werd zijn bondgenoot, vernielender dan de steenen

uit een katapult. Van de gewelven braken de steenen los, en 't hout

der brug vermolmde. De wachter op den toren kon zijn instrument niet

ver doen klinken, en spatten roest kringelden er op de zwaarden.

"We zullen ons moeten overgeven," zeide de ridder. "We kunnen ons

tegen den honger niet verweren."

Emma zag hem aan, en vroeg:

"Laat mij met het volk spreken!"

De oude kronieken zeggen niet, waarom hij zijn toestemming gaf. In

den nevel der sage is haar liefelijk wezen verborgen. Zij ging tot

het volk, en men raakte haar niet aan. Heilig moet haar glimlach zij n

geweest, omdat men naar haar luisterde. Ja, men moet haar hebben bemind

en aanbeden, en zij kon weten, dat men haar wensch wilde vervullen.

Was er een man, die aan 't hoofd der troepen stond? Of heeft zij

tot den wilden troep zelve gesproken, welke slechts één doel had:

den wreedaard te vernietigen?

"Wat wilt gij?" vroeg men haar. Zij antwoordde:

"Laat mij en mijn vrouwen uit het kasteel trekken."

Ze sprak geen woord over den ridder, dien men wilde treffen, en men was

gerust. Het volk verzette zich niet tegen de vrouwen; Emma van Haarlem

en haar dienaressen mochten het kasteel vrijelijk verlaten. Voor den

wreeden man zou dan geen genade gelden.

"Maar--" aldus smeekte ze--"moet ik dan arm en berooid door 't land

trekken? Zal mij niets van mijn rijkdom overblijven?"

"Wij strijden niet tegen uw schatten," antwoordde men. "Wat wilt

gij medenerven?"

"Laat mij het kostbaarste, dat ik heb, mededragen,"

"Het is u toegestaan."

Nog aarzelde ze, en men vroeg haar, wat ze meer verlangde.

"Zweer het, dat ge mij vrij zult laten gaan, als ik mijn kostbaarste

bezit in mijn armen draag. Zweer, dat ge mij noch mijn schat zult

vernietigen."

Men zwoer het gaarne, want men wilde haar toonen, dat 's volks toorn

naar vrijheid streefde, niet naar doelloozen dood of doelloozen

rijkdom.

Zij ging naar het slot terug, en zeide tot den burchtheer:

"We zijn gered."

Ze droeg den wreeden ridder van Haarlem in haar armen, want hij was

haar kostbaarst bezit. En met moeizame schreden wankelde zij, gebogen

door haar last, langs de rijen van het zwijgende volk, dat zijn eed

getrouw bleef. Misschien, dat enkelen hun handen tot vuisten balden,

denkend aan de slechte daden, die niet door den dood werden verzoend.

Toen zij eindelijk den laatsten man had bereikt, liet zij haar schat

los, en zij tweeën, de ridder en zijn vrouw, zagen achter zich. Een

wolkje rook, als een nevel, hing reeds boven het kasteel, en plots

schoot een spitse vlam uit den toren.

XXIII

Eleonora's Poll

Het waren blijde dagen voor de schoone Eleonora, toen zij heer

Herman had ontmoet. Want _hij_ was het, om wiens wil zij tot dusver

had geleefd, zonder dat ze dit wist. Zoo zij vroeger had gelachen,

was het door hem geweest, die niet nabij stond en toch nabij; en zoo

zij had geleden in onbewuste droefgeestigheid, welke der vrouwen is,

geschiedde dit, omdat ze hem nog niet had gezien en toch al van hem

droomde. Zooals de mannen het werk hebben, bezitten de vrouwen de

liefde. Heer Herman dacht, nadat hij haar aanschouwd had:

"Voor deze vrouw zal ik willen strijden," en hij zeide haar dit. Wat

antwoordde ze hem? Het eeuwig antwoord der liefde:

"Mijn leven is het uwe."

Doch toen ze haar moeder bekende, dat ze heer Herman minde, zei deze:

"Voor een ander heb ik u bestemd, mijn kind!" Ze fluisterde:

"Wie is die ander, moeder?"

"Zweder."

Zij wist, dat hij haar niet liefhad, doch wel haar goed, en ze smeekte:

"Dezen man niet." Men luisterde niet naar haar. Men wilde, dat ze

Zweder zou huwen, en op haar sterfbed zei de moeder:

"Ge moet heer Herman verzaken, mijn kind!" Ze fluisterde:

"Moet ik?"

"Zweer, dat ge Zweder zult volgen." Zij zwoer het, en de moeder stierf,

gelukkig glimlachend na haar dood, zooals zij allen, die het leven

welbereid achter zich laten. Eleonora wilde haar eed niet gestand

doen en niet breken. Als Zweder haar vroeg, hem te huwen, zocht ze

listige voorwendsels, want ze hoopte, dat het geluk zou komen. Ze zat

eenzaam op den Wildenborch en ze wachtte ... ja, inderdaad wachtte

zij op heer Herman, ocharme! Ze wilde hem tegemoet gaan, om tegen

zijn borst te rusten, en zwijgend bij hem te zijn. Ze glimlachte:

immers, ze wist zeker, dat hun dag komen moest.

"Ik heb lief," fluisterde ze tot zichzelf.

Het zonlicht was over de wegen naar den Wildenborch, het slot, waar

zij toefde.

Ze stond, en riep den torenwachter.

"Zeg mij--blaas den hoorn--als er een ridder nadert."

Het was een droevige dag, dat hij den hoorn blies, luide over het

veld. De brug werd opgelaten, en Eleonora's dienaren grepen hun

wapenen. Niet een enkele ridder naderde, neen! het was Diebald,

die in Zweder's naam kwam. Hij zond zijn heraut, en deze zeide:

Vrouwe Eleonora! ge zijt heer Zweder's bruid, en zult zijn vrouw

worden. Wat blijft ge hem verre, vrouwe Eleonora! Waarom onthoudt ge

hem den Wildenborch?"

Ze antwoordde:

"Zoo de Wildenborch heer Zweder's bezit is, waarom wil hij dan den

burcht met geweld nemen? Verlangt hij zóó naar mijn erfdeel, dat hij

niet wachten kan?"

"De Wildenborch komt heer Zweder rechtens toe, vrouwe Eleonora!"

Hij ging heen, en Diebald legerde zijn mannen om den

Wildenborch. Zij wachtten geduldig, want er was weinig leeftocht

in den burcht. Vrouwe Eleonora leerde de trouw harer lieden kennen,

die den langzaam-martelenden honger niet vreesden, welke hun vleesch

afvrat als een dier met scherpe tanden. Ze versaagden niet, zij leden,

zoolang zij dit wilde.

Zij bad om uitkomst, want ze was angstig voor den heer Zweder, haar

toekomstigen gemaal. Des nachts had ze niet geslapen en thans wachtte

ze hulp, want veel zulke troostelooze nachten kon ze niet leven.

Buiten kletterden wapenen, zwaard sloeg tegen zwaard, en de brug

sloeg neder met dof gedreun. De burcht was verloren, meende ze. Op

het voorplein stond een ridder, nu de meester van den Wildenborch. Het

vizier was gesloten, en hoog en zwijgend stond hij. De schoone Eleonora

knielde, en omknelde met haar armen den ijzeren voet.

"Diebald! heer Diebald," zoo smeekte ze weenend, "nu gij overwonnen

hebt in naam van Zweder, val ik neer in het stof, zie me liggen! Dit

is Wildenborch en hier hebt ge mij. Begeert gij nog meer? Dood mijn

dienaren niet, ze hebben de muren verdedigd op mijn bevel."

"En braaf hebben zij gehandeld."

Op het vizier.

"Herman," jubelde zij.

"Eleonora!"

"Ik dank u, Herman!"

"Ik ben ter bruiloft gekomen. Morgen zal het bruiloft zijn."

"Van wie?" vroeg ze schalksch.

"Van ons beiden!" lachte hij.

Waar was het leed, waar was de honger? De lieden togen met boog

en spies ten poorte uit, om herten en evers te jagen. De spitten

blonken al, en de vrouwen gingen in het woud, om hout te sprokkelen,

opdat het vuur zou laaien. Er zijn veel grootscher feesten geweest,

maar geen gelukkiger. Men zong liederen ter eere van Herman en zijn

vrouw; en deze dag scheen zonder begin en zonder einde, gelijk de

eeuwigheid. Ja, in dezen dag was eigenlijk al hun geluk besloten, want

de booze Zweder wilde zich wreken, en niet lang liet hij wachten. Men

zegt, dat reeds den volgenden ochtend Herman uitreed, en dat hem toen

de speer in den rug trof. De moordenaars vloden.

De knapen vlochten een baar van sterke takken, en hierop legden ze

den held. Langzaam droegen ze hem naar den Wildenborch, zonder hem

te wiegelen, opdat zijn pijn zoo licht mogelijk zou zijn. Wel wilde

hij sterven, hoe jong hij ook was, doch dan in Eleonora's armen,

en met haar zoeten troost gezegend.

De fakkels brandden in den avond.

Eleonora ging naar buiten, en ze zag haar Herman, nederliggende op de

baar. Ze zag bij den glans van het vuur, dat er bloed was aan de takken

en twijgen en bladeren, welke den held als laatste rustbed dienden. Met

al haarliefde kuste ze hem en in dezen kus stierf hij, glimlachend.

Op een stille plaats werd zijn graf gedolven. Het lijk lag op het

slotplein.

De moordenaars kwamen tot den heer Zweder, en zeiden:

"Uw vijand is niet meer."

Toen trok hij-zelf met zijn heir naar den Wildenborch. De trompetten

schalden.

"Geef over den Wildenborch! De rechtmatige heer is gekomen."

De brug viel terneder, en de heer Zweder deed zijn intocht. Hij kwam

met geopend vizier, en hij zag den doode en de levende, die erbij

stond. Hij zeide:

"We zullen dat lijk dezen avond begraven." Zij antwoordde met zachte

stem:

"Het graf is reeds gedolven." Hij lachte, of hij zeggen wilde, dat

dit des te beter was. Zoodra het duister werd, reed men uit, om den

doode naar de groeve te voeren. Onder de boomen was het reeds nacht,

en naar de zijde der boomen dreef Eleonora haar paard. De bladeren

ruischten--was er nog een ander geluid?

Nadat men den heer Herman ter aarde had besteld, ging men naar

den Wildenborch terug. Alom was het nacht, en men kon elkaar niet

onderscheiden. Toen gleed Eleonora van haar paard en het trouwe dier

liep door. Ze ging in een greppel liggen--en het duurde niet lang,

of alle klanken van den stoet, het stappen der paarden, het praten

van ridders en knechten, waren vervloeid. Ze stond op, en liep naar

Herman's graf.

Wat nam ze van den grond? Wat zand, en niets meer. Bleef ze nog langen

tijd? Neen, ze vluchtte voor den boozen Zweder.

Ze verborg zich als het dag was. In den nacht ging ze verder.

De regen sloeg neer, en de wilde winden woeien. Op den weg--zoo zij

althans een weg ging--schramde zij haar voeten aan puntige steenen.

Het was in den morgen, dat ze bij Staveren's burcht stond, en voor

't eerst trok ze overdag verder, want hertog Reinold zou haar hier

beschermen. Ze had den heer Zweder nu nooit meer te duchten, zoolang

ze leefde.

Ze klopte aan de poort, en ze werd binnengelaten. Ze was gekleed in het

gewaad, dat ze ten uitvaart van Herman had gedragen; gebogen ging de

zwarte vrouw naar de kamer, waar hertog Reinold's vrouw haar wachtte.

"Niet lang zal ik meer leven," zoo zeide zij; "laat mij hier sterven."

Neen, het duurde slechts korten tijd, of men groef bij het slot

een graf voor de jonge vrouw, doch de meeste graven zijn dood en

't hare leeft. Des nachts ziet men haar rijzen uit Eleonora's Poll,

en ze neemt van de aarde wat zand, gelijk ze eens heeft genomen van

het graf bij den Wildenborch. De wind verwaait het.

Hoe vreemd ritselen er de bladeren in den herfst ....

XXIV

De Kamper Raadslieden

Het was een koude winterdag, en bij den haard van het stadhuis

zaten de Kamper raadslieden tezamen, heel gezellig na lange en wijze

debatten over diverse resolutiën, welke op de burgers zouden worden

uitgestort. Men durfde eigenlijk niet goed heen te gaan: want de

vinnige Oostenwind had zelfs voor de raadsleden geen clementie over,

en men besloot nog wat te redeneeren over alles en nog wat.

"Wat een storm!" rilde een der raadsheeren. "'t Heeft vannacht harder

gevroren dan ik 't ooit gekend heb, en mijn vrouw's tante zegt, dat

het de strengste winter is, dien ze ooit heeft meegemaakt. En dat

wil wat zeggen, want ze wordt met 't voorjaar zeven en negentig jaar."

"Hu--," riep de burgemeester. "Laten we den bode roepen, opdat deze

nog wat houtblokken op de haard legge."

De bode werd geroepen. Hij kwam, en groette de edelachtbare heeren

met een zeer bijzondere reverentie, waaraan niemand eenige aandacht

schonk. Met een stem echter, of hij een veldheer ware, die bevel

geeft een lang belegerde veste te bestormen, riep de burgemeester:

"Wij hebben 't koud. Leg blokken op den haard."

Toen de blokken gebracht waren, en naar den eisch nederlagen op de

vlammen, om hun vonnis te ondergaan, schikten de wijze raadslieden

nog dichterbij het vuur dan tot dusver. De zegenrijke hitte vleide

zich zoet over 't kippevel hunner armen, en de handen, welke wit van

de kou geweest waren, werden teeder-rood geroosterd.

"'t Is hier beter dan buiten," zei de burgemeester, en hij schoof

nog wat dichter naar voren, in den rug gevolgd door zijn raadsheeren.

"Dat is een waar woord," antwoordde het oudste raadslid.

"Dat zou ik denken," voegde er het jongste aan toe.

De burgemeester dacht een oogenblik na. Eindelijk sprak hij:

"Buiten gaatje de wind door merg en been." 't Oudste raadslid zuchtte.

"Als 't maar weer voorjaar wordt," en zijn buurman peinsde luid:

"Hier zitten we gelukkig goed."

De burgemeester zette zijn zetel weder iets meer vlammenwaarts, en de

wijze raadslieden drongen met hem een paar duim op. De burgemeester

deed opmerken:

"Over een bevroren rivier kunnen de schepen ook niet varen." 't Oudste

raadslid was 't met hem eens.

"Sinds de rivier dicht is, komen er ook geen schepen meer aan." En

't jongste, de optimist van 't gezelschap, troostte:

"In den zomer zal de rivier wel weer open zijn."

Plotseling zwegen ze allen, en keken elkaar verschrikt aan. Er was

brandlucht. De bode werd geroepen, en de burgemeester vroeg:

"Is er brand hier in de buurt?"

"Neen," zei de bode, "maar met oorlof der edele heeren is

burgemeester's pantalon aan 't schroeien."

"'t Is goed, we zullen hierover beraadslagen."

Langen tijd dacht men over 't geval na. Het kwam niet te pas, dat het

vuur zoo vermetel was, om de broek van den Kampenschen magistraat aan

te tasten. Doch hoe kon men dit verhelpen? Niemand durfde een woord

te spreken, totdat de burgemeester zijn oordeel had gezegd.

"Edele heeren van den raad dezer stad," sprak deze eindelijk, "de

zaak is van een bijzonder perikel. Ik, uw burgemeester, ken slechts

één middel, om het kwaad te verhelpen."

Met spanning wachtte en luisterde men.

"Edele heeren van den raad dezer stad .... De schoorsteen moet naar

achteren worden gebouwd. Wanneer dit is geschied, zullen wij voortaan

van de vlammen geen last meer hebben."

En aldus werd met veel bijval besloten.

XXV

De Weerter Rogstekers

In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er

tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die

gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten

de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de

wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand

bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik

in te pekelen.

Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede

burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in

gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.

De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij

't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der

straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met

't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende

schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het

in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven,

door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke

vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male

goed tegen de helden verdedigd.

Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar

het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met

steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't

rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!

Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de

jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was

klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn

slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.

Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout

had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met

strenge passen en met vreeswekkende rimpels in zijn voorhoofd over

de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den

grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk

gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan,

of hij de goede burgerij verzekeren wilde: "Zoolang ik schout ben,

zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden."

Aan den anderen kant ... áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan

waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte

tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij

weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers

zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen

al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun

wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder

't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit

naar de eischen der hoogste kunst.

Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale

had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid

snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:

"De schout! de schout!" en ze trok hem naar voren.

Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de

verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed,

die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een

toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig

veldheer, die zeer goed zijn _troepen_ moed weet te verschaffen,

doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar

hem niet bereiken kan.

"Burgers!" zoo sprak hij, "de eer onzer goede vaderstad eischt, ja

eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens

van Sint Joris gehoord."

De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis,

maakten, dat ze weg kwamen.

Op een afstand zette de schout zijn rede voort.

"Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient

men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over

Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten

is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals

ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen,

wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op

den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij

hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets

schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het

vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek

open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen

vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen

en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één,

twee, drie."

En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door

de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij

schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, om _hun_

man maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van

noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de

strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen;

booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn

hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den

anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt

door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief,

en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden weg _terug_

snelden, dien ze met zooveel voorzichtigheid _heen_ hadden afgelegd.

De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.

"Mannen van Weert!" zeide hij, "ge zult 't me niet euvel duiden,

wanneer ik verklaar, dat ik meer van u had verwacht! Leer van mij,

dat iedereen wel zeggen kan: 'Ik heb moed.' Maar moed, burgers van

Weert, is moed, dien men toont."

Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.

"Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg

te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een

gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe

bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in

Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer

de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen,

want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht,

om later een aanval des te beter te doen slagen."

De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in

groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze

maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze

kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis

en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen

drongen ze de stad binnen.

"Wat is er hier te doen?"

"Waarmede kunnen wij helpen?"

"We konden niet eerder komen!"

De schout knikte hen vriendelijk toe.

"Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt

verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland

is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met

huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn

onverzadiglijken honger."

De stedelingen en boeren rilden.

"Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een

koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods,

en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij

hiermede gereed was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder

het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder,

een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was

't al in zijn keelgat verdwenen."

Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog

starende. Eindelijk riep één der boeren:

"'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan

ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?"

Maar de burgers mokten:

"Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want

anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij

één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem

aan onze spietsen steken."

Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te

sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman,

die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de

Weertsche helden.

"Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren,

heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is

maar een visch!"

Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder

op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.

De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.

"Jullie moeten eens weer de klok luiden, domme _rogstekers!_"

Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en

Limburg: "de rogstekers," en ze zullen dien naam behouden, zoolang

Weert Weert blijft.

XXVI

Kabouterwraak of de vrijage van Hilbert en Japikje

Ze konden bij malkander niet komen ....

Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van

de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen

ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.

Hilbert peinsde:

"Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen."

En Japikje dacht:

"Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien

te vrijen."

Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels

niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden,

waar de wichten zich niet laten kennen.

Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:

"Moeder zet mien mussien teregt,

t' Aovend kump mien vraoijer,

Komp ie niet, ik hael um niet,

Al komp ie van mien levent niet."

Zingende antwoordde Hilbert:

"Spien mooi meissien spien

Spienst du niet

Dan wienst du niet

Dan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet."

Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen

elkaar.

"Hoe heet je?" riep hij voortgaande.

"Alberts Japikje."

"Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen."

"Dat mag om mien part wel wezen."

Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.

Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:

"Rondom de ketel!

Wat zullen wi t' aovend eten

Broam, broam, sprikken,

Leêr, leêr, lappien leêr

Doe er uut en ik er weêr."

Uit de verte schalde haar vroolijke stem:

"Haken en oogen,

Tikke, takke, toogen,

Wit pampier

Zwart pampier

Zoo komt Pouwel Jones hier."

Toen tegelijkertijd:

"Lange, lange riegel

Twintig is de stiegel,

Dartig is de riegellang,

Veertig is de ummegang."

Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den

volgenden Zaterdag zou vrijen.

De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en

twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een

plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden

niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der

klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit

zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.

Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De

Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep

over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.

De avond was donker.

En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze

nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder

nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen

had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den

zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed

er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de

blijde overwinning bazuinden.

Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:

"We mosten mit menner [2] wat eten."

Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het ... wel

vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou

't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren

kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde;

om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel

minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht,

doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.

"Mi lust niet, 'k doe bedanken," lachte zij.

"Japikje," vervolgde hij smeekend, en hij streek haar over 't

jak--onwillig liet ze het toe--"ik vind oe zoo'n himmel wicht [3]. Ik

mag oe zoo geern. Och, mien wiggien, mien wiggien [4]. Ben ik geen

knap jonk kerrel? Zullen wij trouwen?"

"Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander

kriegt."

"Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?"

"Nee!"

"Mag ik dan nooit weerom kommen?"

"'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden

dag kommen, en dan wi'k--dan wi'k--" ze schaterde, "met oe trouwen,

allenig met oe." Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde,

en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid

keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.

Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een

week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't

Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk

avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was

donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't

Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.

Lammert krabde zich 't hoofd.

"Was ik maar in 't dorp gebleven," peinsde hij wijsgeerig, "daar had

ik met Trientien een puossien kunnen vrijen."

"Waar zou ze wezen?" vroeg Hilbert.

"Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel

nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten."

Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was

een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even

de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet

ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende,

en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.

"Wie zouden 't wezen"? fluisterde Hilbert.

"Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten

grauw."

"Mij dunkt, dat 't Japikje is ...."

"Met een vrijer."

"Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien."

"Stil! stil! ze hoort ons."

"Ze zijn daar menaer aan 't smokken."

"Mien dunkt dat ook."

Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen

komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den

genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep,

dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het

Noorden van het veld terug behoefde te keeren.

Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of

er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar,

week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden

en toekomst eindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk,

want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden,

en tuurde, of Japikje toch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd

een voorbeeld was geweest van een struischen, jongen kerel, werd nu

zoo mieserig als een stadsmensch. Zingen en fluiten was eruit bij

hem. 't Klonk niets anders in zijn geest dan "Japikje, Japikje" en

"wat duurt een jaar toch lang."

Één jaar?

Vijf jaar, zes jaar waren er in dat ééne jaar besloten. Maar

gelukkig! ook vijf, zes jaar volgen elkander en gaan voorbij. Als van

het vuur de asch, zoo blijft steeds van den tijd het verleden over,

en er kwam een dag--hei! 't was in de Mei--dat Hilbert zich weder op

weg begaf, naar Japikje toe, in het Noorden van het veld.

Hoe Hilbert gekleed was?

Niet op zijn piekfijnst! In zijn daagsche plunje. Zijn Zondagsche pak

droeg hij over den arm, want dat wilde hij eerst aantrekken, als hij

Japikje's huis zou naderen, want 't stoof leelijk op het witte land,

en zóó kwam hij er des te beter aan. In zijn linker-broekzak had hij

een flesch jenever gestoken, en in zijn rechter een stuk schinken [5],

om den honger te stillen, en den dorst te wekken. Telkens nam hij een

beet en een slok, en halverwege op 't Ellertsveld was 't vleesch op

en de flesch al flink aangesproken.

Hij kwam aan een kuil en stond stil.

Van de ruige hoogte zag hij naar beneden, en op den grond, wriemelend

door elkander, waren honderden kaboutertjes tezamen. Zij hadden het

druk! Tientallen deden niets anders dan hun handen in de hoogte steken,

tientallen stampten met hun voetjes op den grond, anderen gingen af en

aan, 't was een gewirwar, een schuddebotsen, een op en neer getril,

dat je oogen je pijn deden. Ze waren allen eender gekleed: allemaal

in een groen pak en met een groene broek, en witte klompen aan de

voeten. Ze hadden allen grijze baarden, en een heel klein pijpje in

den mond. Dunne rookwolkjes bliezen ze in de lucht.

Ineens zag een hunner Hilbert, hij stiet een ander aan, deze ander

weer een ander, en eindelijk wisten zij het allen, dat er een mensch

bij hen stond. Fluisterend beraadslaagden zij onder elkander. Nu had

een mensch hun geheime vergaderplaats ontdekt! Jarenlang hadden zij

er zich in vrede verzameld, ongestoord, en thans stond er iemand

voor de kuil, en had precies gezien, wat ze deden. En ware het

geweten bij allen maar zuiver geweest .... Liepen er niet onder,

die de boeren op velerlei wijzen hadden geplaagd? Sommigen hadden

allerlei nuttig werk verricht, de vloer in de huizen geveegd, het

linnen gewasschen, de koffie gezet, het vuur aangelegd, doch anderen

hadden de boter bedorven, de melk van de koeien gedronken, het touw

van de geit losgemaakt, de klompen weggezet, en duizend schelmsche

streken uitgehaald. 't Meest van allen vreesde een heel klein dwergje

met een langen baard. Hij kroop gauw achter de anderen weg.

Hilbert van zijn kant was ook niet op zijn gemak. Al waren die

honderden kaboutertje ook nog zoo klein, vereend konden ze hem heel wat

moeilijkheden veroorzaken. Hij had lust terug te keeren .... Hij zou

geen oogwenk hebben geaarzeld, wanneer Japikje hem niet zou gewacht

hebben. Dat het juist op dezen dag geschiedde ....

De twee partijen bleven zwijgend tegenover elkander staan. Toch moest

er iets gebeuren, dat toenadering bracht of afstooting.

Plotseling dacht Hilbert aan de flesch jenever, die hij bij zich

had gestoken. Hij haalde ze te voorschijn, bekeek ze tegen 't licht,

en lachte. De oudste der kabouters, die den langsten baard droeg, en

't grootste pijpje in den mond geklemd hield, grijnsde zoo, dat de

pijp hem bijna uit den mond viel, en klapte in de handen. De overigen

volgden zijn voorbeeld, en aangemoedigd door zijn vriendelijkheid,

ging Hilbert bij hen in de kuil zitten. Alle kabouters verdrongen

zich om hem, behalve het kleine dwergje, dat de menschen altijd zoo

geplaagd had.

De oudste vroeg hem, wat hij op 't veld kwam doen. Hilbert vertelde

de gansche historie, en de deutels [6] knikten allen met hun grijze

kopkes, het hoofdmans-guurke vooraan, behalve dat ééne, booze

aardmannetje weder, dat zich zoo gauw mogelijk ging verstoppen.

"Blijf vanmiddag bij ons," stelde 't oudste kabouterke voor, "dan

heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen."

"Jawel," zei Hilbert, "'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik

moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan."

"Kom, kom--je zult er geen berouw van hebben."

Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend

houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht

een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut

van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem

kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in

smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen,

melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen,

koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam,

verrichtten zij.

Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de

guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken

begeerig naar den kostelijken drank.

"Da's klare jenever," zeide Hilbert, "en nou wil ik dat onder jullie

allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt

zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!"

Hij reikte de flesch 't eerst aan den hoofdman, die, de zware vracht

handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten

vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden

druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe--en

ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.

Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten in de mondhoeken, of

er soms nog een spritseltje was overgebleven. Ze werden allen vroolijk,

dansten hand in hand, en allen waren ze vergeten, dat er nog een klein

kaboutertje bestond, dat nog niets had gekregen. Het had zijn kopje

boven den kuil gestoken, waarin het zich verstopt had--eerst kwam

't voorhoofd met diepe rimpels, toen de glinsterende, graag-kijkende

oogen, toen de snuffelende neus, en eindelijk de mond. Ook hij stak

zijn tong uit, echter niet, omdat hij nog wat wilde likkebaarden,

doch omdat hij van de kostelijke gave verstoken werd. Hij zag, dat

de flesch bij Hilbert lag. Voorzichtig, op zijn handen en voeten

kroop hij erheen. Telkens lag hij even stil, gelijk een rups doet,

die een hinderend takje of boomblad op haar weg vindt. Dan gluurde

hij naar Hilbert, want hij vreesde, dat het mensch hem bij nadering

zou grijpen en aframmelen. Eindelijk was hij bij de flesch.

Hilbert had tot nu toe gedaan, of hij hem niet zag. Toen 't kleine

kaboutertje dichtbij hem stond, en de flesch aan de lippen wilde

brengen, keek hij hem aan en zeide:

"Er is niets meer in."

Meteen begon hij te lachen.

"Dat valt ook niet mee, kabouter."

Het guurke zette een boos gezicht. De rimpels van zijn voorhoofd

trok hij in de hoogte, zijn oogen vernauwde hij, zijn mond zette

hij vooruit. Zijn kleine handjes balde hij tot vuisten, en dreigend

schudde hij ze.

"Dat zal ik je betaald zetten, boer," zeide hij ten laatste.

Hilbert schaterde het uit.

"Probeer 't maar, kleine kleuter, als je kunt."

Niemand van de overige kabouters, die 't veel te druk hadden met zang

en dans, bemerkte, wat er was geschied. Anders hadden ze hem zeker

gewaarschuwd, want het was een gevaarlijk guurke, dat het anderen

terdege lastig wist te maken. Een kwaadaardig en eigengereid ventje,

even listig als hij klein was, de eerste bij plagerijen, de laatste

als een moedige daad moest worden verricht. En bang voor zijn hachje

...! Een echte slechte kabouter was hij. Dien had Hilbert nu tot

vijand! Ware hij maar niet bij het kleine volkje gebleven.

Hij keek glimlachend toe, hoe de kabouters rondom hem sprongen en

dansten, en, toen het eindelijk tijd voor hem werd--hij moest nog

vóór middernacht bij Japikje zijn--drukte hij bij het oudste guurke

zijn spijt uit, dat hij niet langer kon blijven.

"Kom maar gauw bij ons terug," noodigde deze.

"Zeker, zeker, dat beloof ik je."

"En als je ons noodig hebt, kom dan maar héél gauw bij ons. We zullen

je overal mee helpen."

De slechte kabouter stak weer zijn tong uit, en vloog gauw in 't

holletje, om te bespieden, welken kant Hilbert gaan zou.

Zoodra hij het had gezien, sprong hij uit zijn schuilplaats te

voorschijn, en hij hem na! Hij dook als Hilbert zijn gang matigde,

in een groef of spleet, achter een struikje, in een wagenspoor,

en dan draafde hij weer, om den verloren afstand te herwinnen.

Hilbert bleef even voor de Gietensche herberg staan, ging naar binnen,

en deed zijn flesch weer vullen. Hierna kwam hij buiten, keek naar

de flesch, nam een stevigen slok, en trok verder.

Telkens keek hij op zijn horloge, en zuchtte dan. Hij was veel te

lang bij de kabouters gebleven. Hij zou zich moeten haasten. Hij had

zich ook nog te verkleeden. Waarom had hij dat niet in de Gietensche

herberg gedaan? Hij repte zich, wat hij kon. De kabouter had moeite

hem bij te houden: voortdurend moest hij kleine sprongetjes maken,

om geen terrein te verspelen. Hij ook hoopte, dat 't avontuur spoedig

geëindigd zou zijn ... want na twaalf uur 's nachts hebben kwade

geesten geen toovermacht meer ... en 't was al bij tienen.

Wat die mensch ook voor vreemdigheid uithaalde. Hij liep weer een

herberg binnen. 't Kaboutertje keek door de ruiten, wat hij daar in

't schild voerde. 't Zag ... 't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak

uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep

het haastig de gelagkamer in--door niemand bemerkt en voor Hilbert

begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek

en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ....

Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een

rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij

vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij

had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij

er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de

rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest,

wanneer Hilbert's handen juist lot grijpen stonden, weder opvlogen,

vlugge vogels gelijk.

Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's

huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker

te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij

Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.

Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte

kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken.

Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hij had zijn daagsche pak

in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht

kosten, wat het wilde, hij zou en moest zijn beste kleeren terughebben.

De woeste jacht begon.

't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich

met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen

bijhouden. 't Ging over gebaande en ongebaande wegen, over slooten,

greppels, heggen, kuilen, en gelijk in een droom--maar 't was de

spottende werkelijkheid, helaas--liep Hilbert achter zijn kleeren

aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze soms op hem schenen te wachten,

daar zij vlugger waren dan hij. Als hij ze dan pakken wilde, vlogen

ze weg, en dan hoorde Hilbert ergens dichtbij hem een honenden lach

... van den kleinen kabouter, die tegen zijn beenen leunde.

Bij Japikje's huis hielden zij stil.

Hijgende rende Hilbert erheen. Het was zijn laatste kans.

De kleeren konden niet verder, meende hij. Haastig keek hij op zijn

horloge. Het was op slag van twaalven. Hij zag door 't venster. In

de kamer zat Japikje met drie vrijers. Hij had zich te haasten.

Woest snelde hij naar de kleeren.

Ze ijlden in de hoogte, ze bleven zweven in de lucht, ze doken in

den schoorsteen, en, nadat hij weder naar het venster was geloopen,

bemerkte hij, dat ze zich kalm tegen de schouw hadden gevleid, en

dat Japikje met de vrijers vol verwondering het vreemde schouwspel

bestaarden.

Op dit oogenblik sloeg het twaalf uren.

Hilbert zag, dat het kaboutertje van zijn beenen sprong, een langen

neus maakte, en weg-ijlde. Hij begreep, wie hem zoo leelijke poets

had gebakken.

Toen riep hij naar binnen, dat men 't pak zou reiken, en hij kleedde

zich aan, om zijn vonnis te vernemen.

Dat was lang niet malsch!

Waarom hij zoo laat kwam?

Dan had hij zich maar niet bij de kabouters moeten ophouden!

Waarom zijn pak zoo stoffig was?

Dan had hij maar beter uit zijn oogen moeten kijken.

Of ze nog met hem zou trouwen?

Ja, maar dit jaar niet! Hij moest het volgend jaar op denzelfden dag

terugkomen. Want ze vond hem wel een aardige vent ....

Dit is de historie van Hilbert en Japikje die niet konden trouwen,

daar hij een kabouter tot vijand had. Houd allen de kabouters tot

vriend, want nuttige kereltjes zijn het, als ze willen, in huis en

hof, en schuur en stal, bekwaam vooral met ijzerwerk. Daarom ook zijn

ze als de smeden, blijde om een lied. Doch waar zij huns gelijke

niet in hebben, dat is in 't bedenken van een plagerij. Wees dus

voorzichtiger dan Hilbert, als ge uw Japikje op tijd wilt krijgen;

en trek uw Zondagsche pak aan.

Het is de moraal van deze historie, en een andere moraal is er niet

te vinden.

XXVII

Het Vrouwenzand

Een paleis van prinsen, hertogen en koningen is geweest in de stad

Stavoren, en de deuren der burgerhuizen waren van zuiver goud. Gelegen

was het op den oever van het Flevus-meer, waarin vele rijke rivieren

hun water stortten, de Cuyner, de Vecht, de IJsel, en een stroom van

het Rijnwater, komende uit het sticht Utrecht. Geen schooner haven

dan die van Stavoren, en de burgers van Holland spraken met afgunst

van de fraaie stede, welker schepen talloos waren op de Noordzee.

Er woonde in Stavoren een weduwe, de rijkste van alle menschen. Ook

was zij de hoogmoedigste, en iedereen vreesde haar.

Eens, dat een harer vaartuigen zeilree lag, liet zij den schipper bij

zich komen, en zij beval hem te gaan, waar hij nog niet geweest was,

en het kostbaarste voor haar mede te brengen, wat hij vinden kon. Den

prijs, dien men vroeg, mocht hij betalen. "Het zij het schoonste,

wat ooit menschenoogen aanschouwd hebben. Het zij heerlijker om te

bezitten dan goud en zilver, en ieder in de stad zal er van moeten

spreken, mij benijdend en huldigend tegelijkertijd om dat bezit! Ga!"

"Maar edele vrouw!" zeide de schipper angstig, "hoe zal ik weten,

wat het schoonste is? Nooit heb ik iets gezien heerlijker om te

bezitten dan goud en zilver. Is er geen ander, dien ge met deze taak

kunt belasten?"

"Gij zijt de oudste van mijn schippers, gij hebt de verste reizen

gemaakt, en daarom draag ik u op het voor mij te zoeken. Zoo gij

iets vindt, dat gij zegt: 'voorwaar! voorwaar! het is edeler dan

menschenhanden ooit schiepen, zie deze kleur en vorm,' dan zult ge

weten, dat gij voor mij hebt gevonden. Zoo niet, weet dan, dat gij

nooit behoeft weder te keeren."

"Ik zal mijn plicht volvoeren," sprak de man, "en het rijkste, wat

ik ooit heb gezien, zal ik voor u medebrengen."

Den volgenden dag voer zijn schip af.

In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de

rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag,

alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog

nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog

kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten,

geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen

en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en

huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren

der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw

spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen,

terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad

kon koopen? Menigen koopman en kramer vroeg hij:

"Toon mij 't schoonste, wat gij hebt," maar als 't hem getoond was,

schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:

"Dat zoek ik niet."

Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij

nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen,

wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En

weder vond hij niet.

Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts

te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden

verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde

hij koopen.

Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.

Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.

De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit

gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan

ooit menschenhanden hadden gewrocht.

Blijde dacht hij:

"Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook

zal vragen, dit kan ik rustig koopen, want 't heeft grooter waarde dan

't goud, dat in mijn schip geborgen is, ja dan alle goud ter wereld."

Hij ging naar binnen, en was het spoedig met den koopman eens. Men

laadde de kostbare waar in zijn schip, en eenige uren later zeilde

hij van Danzig weder naar Stavoren.

De rijke vrouw had daar allang op zijn terugkomst gewacht. Ze was reeds

hoovaardig op haar schat, en ze glimlachte in haar fel verlangen. Wat

zou 't wezen?

Ze bezag peinzend haar blanke pols. Haar handen vleiden heur blonde

haar. Ze lachte tegen haarzelve om haar schoonheid, die nog machtiger

zou worden door wat de schipper medebrengen zou. Ze vertelde het alom,

en ze spotte met alle vrouwen. Thans evenaarden ze haar bijna, doch

als het schip er zou zijn, zou zij zich boven ieder mogen verheffen.

Zij hield haar gedachten niet geheim. Openlijk sprak ze van het

naderend geluk.

"Zooals een ander een schip geladen heeft met houtwerk of met visch,

zóó deed ik het laden met goudgeld. Ik weet wel, dat gij allen rijk

zijt, maar zooveel hebt gij nog nooit tezamen gezien, en wat ervoor,

gekocht zal worden, zal van mij zijn. O! niet zal het lang meer duren."

Het was reeds eenige morgens daarna, dat ze gewekt werd door een luid

geroep op straat. Ze hoorde den naam van den schipper, en ijlings

kleedde zij zich, om naar de haven te gaan. Er was niemand in Stavoren,

die tehuis bleef. Kinderen drongen in dichte menigte op, nieuwsgierig

naar de kostbare schat.

Men waagde al gissingen, wat ze wezen kon. Men zag het aan des

schippers gelaat, dat hij verheugd was.

De edele vrouw trad naar voren, en riep met een stem, trillend van

verwachting:

"Zeg, wat gij hebt medegevoerd."

Niet lang wachtte hij met zijn antwoord, dat juichend luidde:

"O edele vrouw! zulke schoone tarwe als gij nooit hebt gezien."

Toen gevoelde zij, hoe men met haar spotte. Instee, dat zij anderen

minachten kon, minachtte men haar. Wat zou haar kunnen redden van den

hoon, dat zij een kostbare schat verwachtte en slechts tarwe ontving?

Hij beidde haar geluk. Zijn eenvoudig, oprecht gelaat moet wel

zorgeloos geweest zijn. Wat was er voor hem inderdaad schooner dan

deze zware tarwe, heerlijk voedsel! Hij had veel graan gezien op zijne

reizen--doch bij den eersten blik in de onaanzienlijke Danzigsche

schuur had zijn volkshart geweten, dat er niets beters dan deze tarwe

kon bestaan. Hij had zich van zijn opdracht gekweten. Het was het

schoonste, dat ooit menschenoogen hadden aanschouwd. Het was heerlijker

om te bezitten dan goud en zilver, en wie in de stad zou er niet van

moeten spreken, de vrouw benijdend en huldigend tegelijkertijd? Konden

menschenhanden dit vervaardigen? Het was een goddelijke gave, die in

zijn schip geladen was.

Ach! hoe slecht kende hij de rijke weduwe, die hem had uitgezonden,

en wier ijdelheid had willen pronken. Wat wist hij weinig van 't hart

der Stavorensche burgers, die stoepen hadden gebouwd van louter goud,

alleen om meer te schijnen dan de Hollanders! Zij hadden slechts

achting voor voos vertoon, en ze lachten wat om de Danzigsche tarwe.

De rijke vrouw wist, dat zij den spot, den grootsten vijand der

ijdelheid, had te bestrijden, en ze riep den schipper toe:

"Tarwe hebt ge? En aan welken kant hebt gij ze geladen?"

"Aan bakboord."

"Welnu," hoonde ze, en ze wendde zich tot het volk, "werp ze dan over

stuurboord weer in zee."

Zonder verweer voldeed hij aan haar bevel. Het graan, dat hij geladen

had, loste hij in de golven. Lachende keken zij toe, de burgers van

Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?

Die lach voerde hen ten verderve.

Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden

der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen,

en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de

haven van Stavoren open geweest voor ieder schip--nu bedwongen door

den tyran was haar vrijheid geknot.

De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met

weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.

't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten

had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.

Op het zand--'t heette het Vrouwenzand--begon den volgenden zomer

graan te groeien. 't Volk was verheugd. Een rijkdom was hun ontnomen,

een nieuwe rijkdom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide,

en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn!

Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was,

hoog van halm.

Doch het had geen aren--en men noemde het "wonderkoren."--Er was geen

korrel voedsel in.

Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog en verging doelloos

gelijk schijn en ijdelheid.

XXVIII

De Ridder van Stenhuisheerd

Eens stond er in het Noorden van ons land een groot kasteel, dat

heette Stenhuisheerd. Het waren trotsche, driftige ridderen, die er

heerschten, willoos tegen hun woede, die meer verderf over de streek

hadden gebracht dan honger, ziekte of overstrooming.

Het driftigst van alle ridders was hij, die in het begin der 14e eeuw

Stenhuisheerd regeerde.

Hij had een jong, adellijk meisje lief, en hij vroeg haar, of ze zijn

vrouw wilde worden.

"Ja," zeide ze, "als ge uw grootsten vijand overwint!"

"Dat zal ik," zwoer hij.

"Weet ge, wie het is?"

"Ik zal hem vinden."

"Wilt ge van mij zijn naam niet hooren?"

"Ik verlang dit niet."

Hij reed heen, en ze zag, hoe hij zijn paard aanzette. Nog eens riep

hij haar toe:

"Wacht nog eenige dagen, en ge zult zijn naam van mij hooren."

Vele vijanden had de ridder, want hier had hij in drift een mensch

gekrenkt, daar iemand in drift gedood. Terwijl hij reed, bedacht hij,

wie zijn grootste vijand kon zijn, en hij meende, dat het een ridder

was, wiens broeder hij had verslagen. Tallooze malen had hij gehoord,

dat deze op wraak zon.

Zijn paard deed hij wenden naar de richting van des vijand's slot.

Wat deed hem echter plots weder de vaart van het dier inhouden?

Hij sloeg zichzelven tegen het voorhoofd.

Wat zou 't hem baten, als hij dezen versloeg. Zou het jonge meisje

niet zeggen:

"Ge hebt u door 't dooden van dezen man weder een nieuwen tegenstander

geschapen, een nog grooter vijand dan den vorigen. Bloed eischt bloed?"

Het duizelde hem.

Wie was zijn grootste vijand?

Hij keerde naar zijn eigen kasteel terug. In den nacht was alle rust

hem verre. Gekweld door zichzelven, liep hij de zaal heen en weer,

altijd nadenkend:

"Wie is mijn grootste vijand?"

De morgen was geen troost voor hem. Voor zijn oogen bleef een donker

floers, gespannen als het duister in den nacht, en zonder ophouden

pijnigde hem de angstige vraag. Hij trachtte rustig te bedenken,

wien zij wel meenen kon. Nooit zou hij het haar kunnen vragen. Hij

gevoelde 't als een vernedering, om weder bij haar te komen, zonder

haar wensch te hebben gehoorzaamd. Een nog dieper schande ware het,

haar nu te vragen, wien zij bedoelde. Had hij haar niet gezegd,

dat hij den vijand wel kende?

Tien nachten en dagen hield hij 't uit. Daarna maakte hem de

eeuwig-vragende vraag tot een willoos mensch. Hij reed tot haar,

en zonder begroeting riep hij rauw:

"Wie is het, dien ge hebt gemeend! Mensch of duivel ... ik zal hem

overwinnen."

Zacht antwoordde ze hem:

"Het is geen mensch en het is geen duivel, die uw grootste vijand

mag heeten. Het is uw drift, edele ridder! Geen grooter vijand hebt

ge dan dezen."

Hij deinsde terug, en riep angstig:

"Hoe zal ik dien overwinnen?"

"Gaat ter kerke, en luister geduldig naar de mis. Bid tot God."

Hij boog zijn hoofd, gelijk een vroom man, en zeide plechtig:

"Om uwentwil zal ik het zwaarste volbrengen."

"Ik zal u wachten."

Den volgenden dag wilde hij ter kerke gaan, en hij reed vroegtijdig

uit. Hij had 't eene vaste voornemen te doen, wat ze bevolen had.

Hij nam den kortsten weg, en dat juist bracht hem ongeluk. Want,

nadat hij het boschpad, welk onmiddellijk naar 't bedehuis voerde,

had gekozen, zag hij een hert voor zich, dat even den kop met 't

zwaar-vertakt gewei naar hem keerde, en vervolgens vluchtte. Toen

vergat de ridder van Stenhuisheerd, waarom hij gegaan was. Zijn ziel

wist slechts van één verlangen: te jagen.

't Hert vluchtte in dicht bosschage, en met moeite volgde hij het. Dan

was 't licht geritsel van den vluggen hoef, strijkend tegen den grond,

verre, tot 't dier weder kwam op een open plek, waar 't paard opnieuw

won. De ridder herinnerde zich zelfs zijn liefde niet meer. Met

driftige stem, met driftige voet en hand zette hij zijn ros aan tot

vervolging. In 't kerkje werd de mis al gelezen. Hij had, zonder het

te beseffen, zijn geluk verspeeld. En zelfs 't hert zou hij nog niet

krijgen. Het lokte hem steeds verder van zijn doel.

Eindelijk was er een beek, waarover het vervolgde dier, even aarzelend,

zwom. Daar tegenover werd de grond moerassiger. Licht-zwevend, zonder

dat de hoeven den grond even drukten, meer glijdend dan loopend, drong

het door het riet, en verdween. Wel kwam de ridder aan den anderen

oever--zijn paard daarentegen, al vermoeid van den snellen rit,

wist niet te ijlen over den weeken bodem, en, nadat hij vloekend op

den grond gesprongen was, vond hij het spoor niet terug. Zooals een

waanzinnige, uit onnaspeurlijke oorzaak, weder de dingen bemerkt,

zooals hij ze vroeger heeft gezien--wat is er in den tijd geschied,

dat hij zichzelven niet kende?--zoo was hij zich ook bewust van de

werkelijkheid, en hij ging terug, met woeste gebaren zijn vermoeid

paard aandrijvend.

Zoodra het zijn vaart minderde, sloeg hij het, en woest lachte hij,

als het steigerend sprong. Hij zwoer en vloekte, dat hij nog op tijd

zou komen. Met vreeselijke woorden verdoemde hij het hert, dat hem

van de kerk gelokt had. Zeker was de mis al gelezen ...

Hij naderde het dorpje.

Uit de kerk zag hij de menschen reeds komen, in vrome aandacht nog 't

hoofd gebogen. Hij reed midden door de schaar, riep één hunner kort

toe, dat hij 't paard zou vasthouden, sprong op den grond, en holde

't bedehuis binnen.

De priester was alleen in de kerk. Hij had zich reeds naar de poort

gekeerd, om heen te gaan, en verwonderd zag hij den ridder komen.

Diens stem riep hem reeds van de deur luid tegemoet:

"Zeg voor de tweede maal de mis! Zeg voor de tweede maal de mis."

Zonder angst luisterde de priester. Goed en rustig antwoordde hij:

"Ge vergist u, mijn zoon! Hoe kunt gij van mij verlangen, dat ik de

mis ten tweeden male leze?"

Toen toonde hem de ridder zijn zwaard, en hoonde:

"Ik zal u dooden met dit zwaard, zoo gij mij niet gehoorzaamt."

"Mijn leven is in uw macht, doch niet mijn wil. Ik vrees den dood

niet."

Weder was het den heer van Stenhuisheerd, of hij het zwarte floers

voor zich zag, en het scheen hem toe, dat hij nederstortte. Het

zwarte floers werd rood, het week terug voor het daglicht. Hij zag

den priester ruggelings op den grond terneder liggen, hemzelf omstuwd

van het volk; hij had 't bloedende zwaard in zijn hand, en hij zwaaide

ermede, dat iedereen ter zijde liep.

"Moeten er nog meer gedood worden dan deze ellendige priester?" zoo

dreigde bij.

Buiten sprong hij op zijn paard. Nogmaals dreef hij 't met wild

dreigen aan.

't Was in den laten middag, dat hij 't slot van zijn meisje

bereikte. Zij wachtte hem.

"Hebt gij de mis gehoord?" zoo vroeg ze glimlachend.

"Neen."

Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog

richtte zij zich op.

"Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?"

Hij hernam met doffe stem:

"Ik kwam te laat."

Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn

zwaard, welk geen blankheid meer had.

"Wien hebt ge gedood?"

"Den priester."

"Waarom?"

"Omdat hij de mis niet ten tweede male las."

"Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge

mij hebt liefgehad. Vloek over u."

Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij slechts smeeken,

hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:

"Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt,

den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen."

"Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u

heb ontmoet."

"Verdoemd," fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde

naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen

kasteel.

Hij had geen berouw.

De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij

gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend,

een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had

hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand

was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden ....

Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.

Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?

Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeuren

ging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een

verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere

gedaante. Niet op een paard--op een bok. Hij zat achterstevoren,

zoodat de heer van Stenhuisheerd het gezicht kon onderkennen. Het

was de duivel, met zijn grijnzend gelaat, en hij wenkte hem.

Achter elkander reden ze over de slotbrug, hun beide dieren gingen

stapvoets, het een onmiddellijk bij 't andere.

"Wat wilt ge van mij?" riep de ridder.

De duivel schaterde.

In den grond zonk het rijke slot, honderden vademen diep, en mèt zijn

steenen zonk de heer van Stenhuisheerd, zittend boven op 't paard. De

vlakke, kale bodem dekte alles, en wat er overbleef van den trotschen

ridder, die over honderden had geheerscht, was niets dan zwavelstank.

XXIX

Doodendroom

In den nacht lag het doodenschip voor 't eiland Walcheren. Op het dek

stond de zwijgende schipper. Geluidloos werkte de bemanning, en de

stuurman bij het roer zag peinzend vóór zich. Op alle gezichten was

't licht der maan--maar buiten hen viel geen licht.

Er was een onzichtbare hand, die, wanneer iemand dood zou gaan,

aan het venster klopte. Dan weder gleed de gedaante, wien de hand

behoorde, verder, één met den nacht, zonder een trilling, zonder een

nevel. Overal, waar een mensch moest sterven, klopte zij, zoo zacht,

dat 't stiller was dan het ritselen van een blad. Wie kan zeggen, wat

het voor geluid was? Een klanklooze klank, onweerstaanbaar voor hem,

die van 't leven scheidde. Zooals in den avond een uil wiekt door

de stilte, of gelijk een luwte ondeelbaar-even vaagt en vervaagt,

zoo moet 't zijn geweest, dat het voor den stervende klonk--klonk?

Er was een jonge knaap, die lang ziek geweest was, en de hand

aarzelde nog even. Toen gleed ze langs 't venster, en zooals een

ander kind droomerig volgt 't blij geluid van trommel en fluit,

wanneer 't zonnelicht schijnt, zoo stond de jonge knaap op, en

volgde de geluidloosheid, die hem voorafging. Het vreemde was,

dat hij zijn weg wist. Telkens stond hij even stil, als de hand der

schrijdende gestalte een venster beroerde--om dan weder te volgen,

wat een vormlooze, kleurlooze, alleen maar voortgaande gedaante was.

Voor een huis had hij langer te wachten dan anders.

Het was een man, iets ouder dan hij, die tot den dood werd

gewekt. Altijd was deze gewoon geweest de dingen des levens te

beheerschen, en hij was over de wereld gegaan, of ze een danszaal

ware. Nu moest hij sterven, en hij wilde zich tegen den dood

verzetten. Het wordt verteld, dat hij een meisje liefhad, en daarom

niet met het doodenschip wilde varen. Toen de hand aan het raam

tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking,

en stil wachtte hij.

De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij

overal zacht gekerm, en 't was, als klaagden en riepen duizenden

stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene

gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn

legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap

hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.

"Een enkel jaar!" zoo riep hij. "Laat mij nog een jaar van de wereld

genieten."

Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de

knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden

was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde

de geroepene.

Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden

gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het

schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp

raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door

de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun

vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.

De knaap vroeg den schipper--hij kende zijn stem niet weder--en hij

meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:

"Waarheen varen wij?"

Zacht antwoordde de schipper:

"Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen

het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan."

"Voor hoelang?"

"Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd

millioen jaren zijn?"

"En dan--?"

"Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe eeuwigheid!"

"Zal ik nooit meer naar 't levende leven terugkeeren?"

"Verlangt gij?"

"Ik hoor mijn moeder schreien."

"Eens zult gij terugkeeren--maar niet om bij uw moeder te zijn!"

"Waarom dan?"

"Ge zult 't weten."

In de nevelen van Engelland voer het schip. Schimmen van schemering

wachtte hen, en leidden hen in 't geheimzinnig rijk. Werden ze één met

den nevel, bleven zij toch bestaan binnen den nevel? Eeuwig was het

stil, en er woei geen klank meer over van Zeeland, waar de levenden

wonen. Als in een bosch, wanneer de nacht nabij is--iedere klank zou

bevreemding wekken waren zij tezamen. Hoelang? Wie meet den tijd in

de eeuwigheid?

Het was den jongen knaap, als had hij even slechts in den nevel

getoefd, toen hij de gedaante weder op hem zag toeschrijden, die hem

wenkte. Hij volgde haar. Het schip lag zeilree, het was met dezelfden

bemand. De schipper stond op het dek, de stuurman aan het roer. Weder

gleed hij over de zee.

"Hoelang is het geleden, dat ik gegaan ben?"

"Zij, die leven, noemen het een jaar."

"Waarheen voert men mij?"

"Gij zult 't weten."

Als een jaar geleden, zeilden zij over de zee, geen golven raakten

het schip, geen ander vaartuig ontweken zij. Zelfs door de branding,

in bruisend, brekend water, gleden ze ijl, en zonder schok kwamen

zij aan land.

"Volg uw weg," sprak de schipper.

Teerder dan een damp, die bij het overvloeien van den ochtend in den

vollen dag het laatst op den akker blijft (even voor 't zonnelicht

ze gelijk stemt met de gansche atmosfeer) sluierde zijn nevel langs

de dingen des levens. Hij wist niet, of het dag was of nacht. Hij

ging verder, totdat hij voor 't huis van den man stond, die vorig

jaar niet sterven wilde.

Weder ging de gedaante langs de huizen. Soms bleef ze wachten, en

haar, hand raakte de ruiten aan, zonder te kloppen. Toen kwam ze aan

de hoeve, waar de doode hem beidde, en tezamen zagen ze naar binnen.

De man en een vrouw zaten bij de wieg van een kind, en de vrouw

neuriede een lied. Hij had zich voorovergebogen, om 't gezicht beter

te zien. Daarna klopte de gedaante, onbewogen, als trof ze den man

in ongeluk aan: deze stond op.

"Wat is er?" vroeg de vrouw verschrikt:

"Niet dit jaar--niet dit jaar. Ik kan dit jaar nog niet gemist

worden. Ik ben gelukkig, neem een ongelukkige voor mij in de plaats."

Weder gevoelde de doode een hevige pijn, en van alle zijden hoorden

hij de klagende stemmen der gestorvenen:

"Neem weg die smart. Breng hem bij ons."

"Spreek!" beval nu de gestalte den knaap.

Toen hoorde hij zichzelf spreken. Hij noemde den man bij zijn voornaam.

"Ga mee met ons. Je bent den dood vervallen."

"Neen--neem" kreet de man in angst, "kom het volgend jaar weerom. Dan

zeker zal ik u volgen."

"Wat is er toch?" riep de vrouw. "Tegen wien praat je?"

"Stil ... stil ... 't gaat voorbij. Dit jaar niet. 't Volgend jaar."

De doode en de gedaante schreden voort. Bij hen voegden zich de

schimmen van dezen nacht. 't Schip lag klaar. Het was als altijd.

Weder werd de knaap in de nevelen opgenomen, en hij herinnerde zich

niets van wat er was geschied. Het leven was niet voor en niet achter

hem. Er was geen tijd geweest, en er zou geen tijd komen. Als in

een diepen droom was zijn geest gezonken, doch nog peilloozer. Zoo

't leven een droom is, welk een droom is dan de dood?

Maar eensklaps, als schrok hij wakker, en met hem alle nevelen,

hoorde hij duidelijk 't geluid van een menschelijke stem:

"Laat mij nog één jaar leven," en tegelijkertijd gevoelde hij een

hevige pijn, en hij hoorde zijn eigen stem en de stem der andere

dooden weeklagen:

"Breng hem hier. Laat hem niet leven."

Het ging voorbij, en de schemering herbegon. Hoevele malen dit zich

herhaalde? Hoevele malen zij hoorden, dit?!:

"Ik ben gelukkig! Laat mij niet in 't geluk sterven."

Na wat menschen jaren noemen, werd de nevel weder losgemaakt, en

nogmaals voer hij van Engelland, het rijk der dooden, over de zee. De

schipper zeide hem niets, nadat zij aan land waren gekomen. In

onbewustheid wist hij, wat hij moest doen, en hij gleed tot aan

't huis, waar de man woonde.

De doode kon de gedachten van den levende hooren, als waren zij

stemmen. Zij spraken:

"Dit jaar zal ik evenals vorig jaar weer geroepen worden. Het zal

nu ook mijn tijd niet zijn .... Ik zal wel het medelijden weten op

te wekken. Het is nu, dat ik in zorg verkeer, want mijn jongen moet

een ambacht leeren, en voor dien mag ik niet sterven. Wie zou voor

den jongen zorgen, als hij zonder vader was?"

De doode hoorde dit zoo duidelijk, of de levende met hem praatte. Hij

wist, dat 't onmogelijk was, den man te waarschuwen, die de orde

der wereld had verstoord. Toch trachtte hij hem te zeggen, wat hij

peinsde. Hij begon weder met den voornaam.

"Je weet niet, watje wacht. Het was reeds de laatste maal, dat je het

leven kon houden. Er zijn al zooveel anderen voor jou in de plaats

gedood. Jij behoort niet meer in het licht, in den nevel is je woning."

De man wist niet, dat er iets tegenover hem stond, en hij ging voort

te denken:

"Ik durf niet te denken, wat er gebeurd zou zijn, wanneer ik voor

dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen

achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te

helpen. Nog veel jaren moet ik leven--misschien over twintig, dertig

jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog--Neen! ik wil wachten,

tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet--voor

dien tijd niet."

Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze

spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het

zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij

elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan

en vruchten.

"Wanneer het vannacht regenen zal," zeide de vader, "mogen wij wel

't allerbeste hopen."

"Er is daarop geen kans," meende de zoon. "Er zweeft geen wolkje aan

de lucht."

"Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt men zegt wel eens uit

een onbewolkten hemel."

"Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren."

De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.

Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den

horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan,

en het groen der boomen werd donkerder, ervoor was een violette tint.

"Onweer zal er niet komen," zeide de jongen.

Ze zwegen beiden.

Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder

een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de

zon een vuurbol--thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken

gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan,

ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen

van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het

in den dag had gestaan, verdwijnende.

Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zag schrijden, schrijdend

door het koren, met rustige schreden, als iemand, die zijn plicht

vervult. Ze kwam rechtstreeks naar den man, die niet sterven wilde. Ze

liep niet naar het venster, om daar te kloppen. Ze bleef staan,

waar de man stond, en ze sprak in menschentaal, en met menschenstem,

zoodat vader en zoon haar beide verstonden.

"Jijt gij bereid?" vroeg ze zacht en mild.

"Nog één jaar."

"Jijt gij bereid?"

"Ik moet voor mijn zoon zorgen."

"Dat behoeft ge niet meer," zeide ze streng.

Een bliksemstraal laaide langs den hemel, schoot naar de aarde,

en doodde den jongen. De vader was ongedeerd. Twee dooden volgden

de gedaante.

Achter hen klonk de wanhopige klacht van den man. "Laat mij nu ook

sterven. Neem mij nu ook mede."

"Kom," fluisterde de gedaante. "Het schip wacht ons weder. Over dertig

jaar kom ik bij den man terug. Dertig jaar heeft hij nog te leven."

XXX

Mooi-Ann van Velp

Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het

begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en den jonker bij Biljoen.

In den zomer, als de boschbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen

en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe

vrucht in karren, waarmede ze naar de steden rijden. Dan roepen ze en

't klinkt droefgeestig, daar zij zich niet thuis gevoelen binnen deze

vijandige wereld:

"Mooie boschbessén. Prachtige boschbessén," heel langgerekt, in

eentonigen deun.

Wie het eens heeft gehoord, vergeet het niet.

Sommigen zeggen, dat mooi-Ann de dochter was van den heer van Velp

[7], en dezen vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar

dit is nietwaar. Zij hoorde tot de boschbessenpluksters, en de heer

bij Biljoen zag haar voor 't eerst, toen zij aan het werk was.

Het zonlicht speelde in het bosch--de vogels zongen. Haar jong figuur

had zich over de struiken gebogen, en haar fijne handen plukten. Zoo

moogt ge hen zien, een eenvoudig meisje uit het volk, en de trotsche,

slechte heer, die lachte.

Ze keek om, en was verschrikt. Hij naderde haar.

"Wie ben je?" vroeg hij.

Ze durfde hem niet te antwoorden.

"Ik zal je niet opeten," lachte hij. "Wist je wel, mijn kind, dat je

mooi bent?"

Wat zou ze moeten zeggen? Ze bedacht, om weder aan 't werk te gaan,

maar ze moest naar hem zien, zooals hij daar stond, zelfbewust en

zeker van zijn onweerstaanbaarheid.

"Weet je wel, hoe ik heet?" Nauwelijks hoorbaar zeide ze:

"Ja--ge zijt de heer bij Biljoen."

"Goed--maar nu moet ik jouw naam ook weten."

"Men noemt me Ann van Velp."

"Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan,

en op mijn kasteel wonen?"

"'t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm

meisje?"

De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze

hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal

liefhebben? Hij stond forsch voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit

zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn

lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze

oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier,

dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan

zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden

omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien

glimlach werd hij nog machtiger voor haar.

Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid

hebben gewaagd, en een spreekt van "biddend albast." Ze was misschien

kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te

staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer,

in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit

was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar

wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was

vertrouwend--ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het

eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?

De dobbelsteenen worden geschud en geworpen geen menschenhand heeft

meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten

werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel

de punten. Drie zessen of drie eenen--ge hebt het te wachten.

"Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?"

"Ik werk voor mijn moeder."

"Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal,

In 't huis en op den akker, overal."

En hij:

"Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn,

Wanneer gij mij wilt volgen, zult gij zonder zorgen zijn!"

"Neen! neen!" riep zij in vertwijfeling, "ik wil u niet volgen,

ik ben bang voor u."

"Waarom dan? Zie ik er zoo naar uit, om bang voor mij te zijn?" Hij

kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar oogen neer. Toen

begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in

zijn armen.

Van dit oogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een

moeder had. Hij gaf haar kostbare kleeren, want wreed wilde hij,

dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat boschbessen

had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen?

Er woonde op het kasteel bij Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig

was, dat mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had

zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen

in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel?

Ze was een listig karonje, de oude meid.

Ze wachtte 't oogenblik af, dat de jonker minder van mooi-Ann hield

dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann?

Het was niet lang geleden, dat ze mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat

was er van haar schoonheid gebleven?

Als de jonker een dag uitgereden was; zat zij alleen te schreien. Er

was niet even geluk geweest, sinds zij den heer had ontmoet. Had zij

gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had

den jonker lief, die haar in mooie kleeren kleedde, doch die nooit

anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij

schreide: de eerste tranen hadden geen sporen gelaten. Hoe zou het

zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonker dan zeker

de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde. Als zij van het

kasteel werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande ....

Ze wist, dat de oude meid haar haatte.

Dikwijls had zij dien haat gevoeld, altijd-gezwegen, als een scherp

woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet

ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vroolijk, opdat de ander niets zou

merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme,

verlatene kind. Lang kon dit niet duren.

Want eens, toen de jonker verveeld en moede en knorrig tehuis gekomen

was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan

de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat mooi-Ann gehuild had,

dien middag, en ze wist wel waarom. Ze fluisterde. Hij vloekte. Toornig

riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen.

't Was anders dan eenige maanden geleden, nadat hij haar in het bosch

had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het

was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn

vorschende vragen antwoordde ze "ja."

Hij vroeg:

"En als ik je uit 't kasteel jaag, zul je mijn naam te schande maken?"

"Neen heer!"

"Je bent leelijk geworden! Dat ik het nu eerst zie."

Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: "door uw

schuld"--wat kan men echter van zoo'n meisje verwachten?

Dreigend verhief hij zich.

"Dat zal niet gebeuren," zoo zwoer hij.

"Wat zult ge met me doen?" wilde ze angstig vragen. Ze

zweeg. Minachtend bezag hij haar.

"Het is nog tijd."

Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde.

"Doe alles, wat ge met me wilt--Dood me, dat is beter."

Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zoo spreken tegen een vrouw, als

hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was

beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien. _In

den dood zou zij zich wreken_.

Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet

één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water.

Toen klonk er een schrei. 't Kon van een vogel geweest zijn, die in

zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een

vos werd gegrepen. Waarom van een mensch?

't Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er

ergens geluid is.

't Water van den vijver spatte hoog.

Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms

deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was,

om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest.

Den volgenden ochtend vond men het lijk van mooi-Ann tusschen de

biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde den jonker bij

Biljoen te verdenken!

Twee jaren waren voorbijgegaan.

Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In 't

bosch, waar hij doorging stond een hooge eikeboom. Terwijl hij bedaard

doorstapte, zag hij eensklaps tegen den stam geleund, een hooge, witte

gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte

wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk:

"Zoo gij van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk

van mij."

De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend:

"Ken je me dan niet weer? Ik ben mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals."

Den volgenden avond keerde hij terug. Door den dag had hij geworsteld

als door een breeden stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder

uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts

één gedachte:

"Hoe zal het eindigen?"

De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn oogen half-gesloten,

en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed,

dat de jonker van Biljoen haar had geschonken, en in 't goud-blonde

haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelsteenen. Ze had

zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar

blanken hals droeg ze een ketting van paarlen.

Hoe wist hij, dat haar oogen blauw waren? Het was toch een avond

schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was

mooi-Ann anders dan een nevel?

Hij stond stil.

Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van den duivel

was ze. Het zou 't beste zijn, dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij?

Aan 't eind van het bosch wachtte hem mooi-Ann. Ze hield haar armen

naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar

haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij;

hij vond de woorden niet, welke hij den avond te voren had gezegd:

"Zoo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij."

Het was, of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelven

zeggen:

"Zoo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van den Duivel, nader dan."

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur

woei uit haar kleeren. Haar oogen, die hem star aanzagen, waren de

lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om

haar blanke armen te kussen. Haar roode lippen waren het verderf der

ziel. Haar voeten stonden op 't gras, en vertrapten de madelieven.

Hij kon niet meer vluchten.

Was dit mooi-Ann, die eens door den wreeden jonker verrast werd bij

het plukken der boschbessen, en die zich angstig gevoelde, om met

den heer mede te gaan?

Ze trad naderbij, en sloeg haar armen om hem heen.

"'t Is goed, dat je gekomen bent," zeide ze met matte stem, "ik

heb naar je verlangd, maar ik wist, dat je komen zou, anders had ik

niet gewacht."

"Hoe wist je dan, dat ik komen zou?"

Ze lachte.

"Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen."

Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg:

"Je hebt zeker een meisje lief?"

"Neen," antwoordde hij zuchtend, "sinds gisteravond niet meer. Ik

was verloofd--nu ken ik er maar één, en dat ben jij, mooi-Ann."

"Dat is beter dan een ander," lachte ze. "Ben ik niet mooi?"

Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem.

"Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt."

Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden, en een muur was de

stilte van het bosch. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruischen

van den tijd niet, zóó verre was het. Vol medelijden wachtte het licht

van den morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen.

De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had

gedroomd ....

Toch, hij hield in zijn hand een bleek-roze roos. Hij rook er

aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij gansch den nacht

had liefgehad. Met loome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou

er geschieden, wanneer hij zijn meisje weder ontmoette? Wat zou

hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos

kwam. Wanneer ze hem dezen avond bij de berken wachtte, opdat ze samen

zouden gaan, zooals 't vroeger hun gewoonte was. Een hevige pijn

was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte,

dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij

schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar

stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden?

"Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?"

"Nee--" zeide hij somber, "ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?"

"Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?"

"Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?"

Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken,

en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan

de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een

boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat

was haar liefde en haar geluk.

"Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten," sprak ze lachend. Ze

meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig.

"Je hoeft niet op me te wachten," zeide hij, "ik kom nooit weer."

Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand.

"Ben je gisteravond naar de herberg geweest?"

"Nee."

"Waar was je dan?"

"Daar heb je niets mee te maken."

Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet

geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd

hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen,

maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de

toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de koeien. Een

donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen.

"Je hoeft me nooit meer te wachten," zeide hij norsch. O! de eerste

schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar

eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats

was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht

ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje

niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze

gluurde over den boezelaar.

"Wie is 't?" vroeg ze.

Hij staarde haar verwonderd aan.

"Wat meen je?"

De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit.

"Met wie heb je nou verkeering?"

Hij schaterde van het lachen.

"Met mooi-Ann."

Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden

zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor

ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal,

de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de

melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.

"Wat ben je d'r eentje," zeide ze.

"Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien."

Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging

ze heen.

Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hem dien avond

geschiedde. Ze stond in 't bosch, en zag haar jongen, die haar

voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel,

die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje

stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de

nevel naderden elkander.

Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat 't een nevel was?

"Mooi-Ann," gilde ze.

Mooi-Ann was nu vlak bij den jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het

meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot

tegemoet.

Aan den vijver beidde mooi-Ann hem.

"Kom," fluisterde ze, "ik heb je lief."

Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam

boog hij zich voorover.

"Kom."

Hij liet zich in den vijver vallen. Toen hoorde 't meisje een

schaterenden lach. Het was mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het

eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.

Zoo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te

leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bosch, en hij kende

nog slechts den eersten angst en het eerste verlangen, om het leven

te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging:

"Kom als een man terug."

Zijn moeder had geschreid:

"Blijf altijd dezelfde, die je nu bent."

Zoo was hij heengegaan. Welken raad had hij te volgen?

Op een avond naderde hij Velp. Bij den vijver van't kasteel van

Biljoen bleef hij even staan, en toen gevoelde hij, dat hij moede

was. Hij besloot, om te gaan rusten. Hij legde zich op den weeken

grond, en spoedig sliep hij.

Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijden,

onwezenlijken droom ontwaakt was. 't Was al nacht. Het maanlicht en

't sterrelicht legden een witten sluier over alle dingen, een zelfden

glans over grond en water. Er waren geen geheimen, dien nacht! De

jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien.

Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij

was verlegen, dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn

verwarring.

"Wie ben je?" zoo vroeg zij.

Hij noemde zijn naam.

"Dan ben je niet uit Velp?"

"Nee," zeide hij.

Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand.

"'t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb

je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?"

"Nee--nog nooit."

"Heb je nooit van me gehoord?" vroeg ze weder.

"Nee nooit!"

"Ik ben mooi-Ann van Velp. Er is niemand in 't dorp, die me niet kent."

Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij gevoelde, hoelang hij

gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen droomen,

terwijl zij hem aanzag. Al het leed en geluk dezer wereld zouden haar

kussen hem kunnen geven. Voor 't eerst strekte hij zijn armen naar

een vrouw uit.

"Kom aan den vijver zitten," noodigde hem mooi-Ann.

Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met

wankelende passen ging hij, blind-starende. Als mooi-Ann eens,

toen ze den jonker van Biljoen had gezien, was hij. Den naam zijner

moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja,

zoo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van den eersten,

teederen droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mede te gaan,

bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf.

Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij wist het niet,

dat hij met haar in den vijver schreed. Hij zonk in de diepte neder,

en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht

verloor niets van den gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan

haar eigen ondergang terug.

Dit is de sage van mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart, welke zij

ontvangen had, eerlijk terug, en ze was een schakel uit den ketting

des verderfs.

XXXI

De Verborgen Schat

Dichtbij Echt, in het Limburgsch land, is een groote schat verborgen,

en wie hem vinden kan, verlost de juffrouw zonder kop van den nood,

om te moeten zwerven, waar aardsche menschen wonen.

In het schuchtere voorjaar, als nauwelijks nog de blaadjes durven te

gluren, en de lucht van bedeesde blauwheid is, en het zonnelicht zich

heel verlegen verschuilt, gelijk een jonge knaap, die zijn liefde niet

vermag te uiten, lag bij de ruïne van het Sleutje een boerenjongen te

slapen. Wellicht--wie zal het zeggen?--had hem het bier uit Susteren

tegoed gesmaakt, en hij verdroomde den eersten lentedag. De verliefde

zon vluchtte, zoodra de avond kwam, héél snel, en een gure wind

verdrong meedoogenloos alles, wat er nog restte van de onvolkomen,

teedere poëzie. Drikus, de boerenjongen, bleef snorken, eerst de milde

warmte, daarna de barre kou ten spijt, ja, hij ontwaakte zelfs niet,

toen er drie eikels op zijn neus vielen. Toch had hij wakend bewustzijn

genoeg--een ondeelbaar deel eener seconde--om zich te verbazen, dat

er eikels daalden in de vroege lente, een tijd, die meer is aangewezen

op het moeizaam _zetten_, dan wel op het _rijpen_ der vrucht. 't Bleef

echter slechts bij deze haast-wezenlooze verwondering, en het snorken

ging bijna geheel onverbroken verder, zonder dat hij lette op den

tijd, die verging, en op de plaats, waar hij nederlag .... Het ware

beter geweest, dat hij erover had nagedacht: want middernacht naderde,

en op deze plek spookt de juffrouw zonder kop, die den bewoners van

Echt wraak heeft gezworen. Eeuwen geleden is ze door de burgers dier

stad aangevallen, en zonder absolutie gestorven. Wee hem, die haar

op Woensdag of Vrijdag ontmoet!

Gelukkig was het een andere dag, dat Drikus bij de ruïne lag te slapen!

Nauwelijks was de klok van middernacht uitgeslagen, of hij ontwaakte

door een allervreemdste hitte, dichtbij hem. Hij richtte zich op,

en wreef zich over zijn oogen.

"Wat is dat?" vroeg hij bevend.

Wat beteekende dat? Een blauwe vlam spartelde en sprankelde, en

ineens rammelde een ketel door de lucht, welke haast je rep je op

het vuur aanvloog, en daar juist boven bleef hangen. Daar begon het

in den ketel te broddelen en te pruttelen en te sissen en te zieden,

en de damp kwam eraf, niet aangenaam-riekend als wanneer tante Trees

pannekoeken bakte, doch het stonk zonder genade.

"Hatsji!" zei Drikus. "Hatsji! Hatsji!"

Boven tegen den hemel begon het te rommel-donderen. De wilde wind

woei en teisterde de takken der boomen. Drikus durfde niet omhoog

te zien, en toch kon hij er niets aan doen, dat zijn nekspieren zich

kromden en hij zijn hoofd ophief. O ijselijkheid! Aan den hemel reed

een gloeiende koets, getrokken door twee zwarte bokken met knoestige

hoornen en in hun razende vlucht klapwiekten de vleermuis-vleugelen,

die uit de zijden der spookdieren schoten. In den wagen zat een dame

in witten mantel. Drikus had nog net den tij d, om zich achter een

struik te verstoppen.

Reeds was de juffrouw zonder kop uitgestapt, en vlug liep ze op den

ketel toe. Zij nam er het deksel af, maar eensklaps wendde zij zich

om, en liep tot Drikus' schrik recht naar den struik. Ze wierp het

witte gewaad van zich, en zoo zag de jongen haar bloedrood lichaam,

dat eindigde inden afgesneden strot. Bloed droop in groote druppelen

van haar keel naar beneden, en bloed droop van haar nederhangende

linkerhand, en bloed droop van 't hoofd, dat zij in de rechter

hield. Bloed mengde zich met bloed, het daalde naar de aarde, en

scheen weder 't roode lichaam op te kruipen, als het gevallen was. Ze

was een fontein des bloeds, en niets ging er verloren, het keerde

tot de bron weder, waaruit het ten tweeden male, ten derden male,

ten duizendsten male ontvlood.

Van haar wendde de ongelukkige man zijn blik naar den ketel, die op

't blauwe vuur stond, en welks stank een angstwekkend geheim verborg.

"Menschenhoofden," zeide zij. "Ik braad menschenhoofden uit Echt."

In den ketel lag het vleesch ros te roosteren, de oogen der dooden

(melk-wit opgezet met in het midden den appel van zielloos zwart)

staarden onafgewend naar den jongen man, die met afschuw zag, hoe

reeds het vuur de oogen naderde ....

"Stil!" beval de juffrouw zonder hoofd, "en luister naar mij."

Drikus stond bevende voor haar.

"Het was in tijden van oorlog, dat ik gedood werd, maar vóór dien heb

ik mijn goud en mijn juweelen in drie kisten geborgen, en ze onder

de aarde begraven, hier op deze plek. Neem dit berkenrijsje en plant

het, opdat gij niet vergeten kunt, waar het is! Het is voor mij ook

van belang ... want ik moet blijven zwerven, zoolang de schat nog

niet door menschenhanden op een Dinsdag is opgedolven. Hoe moet gij

graven? Met een nieuwe spade. Hoe diep moet gij graven? Zeven, zeven,

zeven voeten. Wat moet gij spreken? Geen woord, geen woord .... Neem

een helper mede."

Één kist--één kist

Is voor de armen,

De tweede, geef de kerk

Uit uw erbarmen

Met de derde, moogt gij

Uzelf verwarmen

Rrrrt! daarmede verdween ze, en Drikus bleef alleen achter, zich

de ooren krabbende. Hij liep zoo haastig hij kon naar Echt, om een

gezel te zoeken, die hem den volgenden Dinsdag zou willen helpen, en

wie was daar beter geschikt voor dan Hannes, zijn vrouw's broer? Hij

zeide tegen hem:

"Je mag geen woord spreken," en Hannes antwoordde:

"Natuurlijk niet."

Wonderlijk-langzaam gaan de uren voorbij, wanneer ge wacht. Het

zonlicht weigert te verschijnen na den langen, lijzigen nacht en

als het eindelijk komen _moet_, op het allerlaatste oogenblik, dan

klimt het zijn vaste baan aan den hemel treuzelig en traag, net of

het zeggen wil:

"Kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen," en vóór het twaalf uur

is, heeft het wel een etmaal geduurd. Zijn gang van het Zuiden naar het

Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de

aarde maar weder te verlaten, dan bezint het zich plotseling, en doet,

of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake

van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon

rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en

werpt een laatsten, zéér langen, weemoedigen blik naar de tintelende

vlakte. Het heeft ruim spel, want de avond weigert ondertusschen op

zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er

geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet

verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat

veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een

visite maakt, niet weg is te krijgen.

Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het

ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond,

en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en

de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één

geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende

spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in

de toekomst hun vertrouwen stellen.

Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.

Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. "Zeven, zeven,

zeven voeten," zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat

hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen

stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.

"Drikus! daar zit de heks," schreeuwde hij.

Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen,

diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten

laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.

En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is

geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden.

XXXII

Waarom de Reuzen in Limburg zijn uitgestorven

Men weet het, dat ons land vroeger door reuzen werd bewoond. Er waren

reuzen in Drenthe, die hebben de Hunebedden gebouwd. Er waren reuzen

op de Veluwe, die hebben daar de hooge bergen neergegooid. Er waren

reuzen bij Hilligersberg; reuzen in Holland en Friesland.

Bij Haarlem leefde een reuzin, Walberech was haar naam. Ze was voor

haar doen nogal groot. In één stap stak zij de Noordzee over, en eens,

toen roovers haar vee hadden geroofd, en al een nacht zeilens verder

waren, bereikte ze hun schip in één schrede, nam 't met één van haar

vingers op, en wierp het in de lucht. Toen alle roovers dood waren,

at ze hen met huid en haar, nam haar kudde mede, en kwam weer behouden

aan land. De koeien had ze onder den linkerarm, de paarden onder den

rechterarm en de schapen liet ze op haar hoofd weiden.

Niemand minder dan Picardt vertelt al verhalen van deze reuzen.

Hij zegt, dat er ongelijk meer reuzen in deze landen hebben gewoond,

dan er steenhoopen gevonden worden. Want in sommige landen heeft

men geen steenen, terwijl er evenwel reuzengebeentes met lang haar

uit de aarde zijn gegraven. Bij Westerborg is dit geschied, te Sneek

in Friesland. In 't jaar 1488 (het is aan geen twijfel onderhevig)

spoelde er op het eiland Terschelling een reuzenlichaam aan, dat

door den vloed uit zijn graf was gerukt. De reuzen waren bekleed

met vellen van dieren en gewapend met knodsen. Wat ze aten? Beren,

wolven, leeuwen, elanden, paarden, wilde zwijnen, herten, reeën,

dassen, vossen, hazen, zwanen, raven, ganzen en visch! Hoe lang

ze leefden? Het waren frissche en sterke lieden, en sommigen zijn

driemaal zoo oud geworden als een mensch.

Ook in Limburg woonden de reuzen. Hun koning heette Halichem, en hij

was ongetrouwd. Het was een ernstige kerel, die er weinig woorden

op nahield. Als er iets moest gebeuren, sprak hij het kortaf, en wee

hem! die zijn bevel niet gehoorzaamde.

Hij was zoo om en bij de vijftig jaar, toen vonden zijn onderdanen,

dat het tijd voor hem was, om te trouwen. Niemand durfde 't hem recht

te zeggen. Toch ging het op den duur niet langer. Het volk moest een

vorst hebben, als Halichem eens iets menschelijks passeerde.

Eindelijk besloot een hunner met den koning te gaan spreken. Wat ze

met elkander verhandeld hebben, weet niemand. Halichem bulderde zoo

luid, dat 't huilen van den storm er een zefiertje bij is, en alle

reuzen maakten zich uit de voeten. Daarbij zijn heel veel heuvelen

en dalen ontstaan, te veel om op te noemen.

Halichem hield van zijn vrijgezellenleven! Waarom? De oude kronijken

zwijgen hierover. Misschien had hij over eten en drinken niet

te klagen. Het dierenvel, dat hij over de schouderen droeg, zag

er zeker steeds keurig uit. Ook kon hij 't waarschijnlijk met zijn

vrienden goed vinden. Bovendien kon hij wel wat verlegen geweest zijn

tegenover de teedere sekse, want dat heb je tegenwoordig zelfs vaak

met groote kerels.

't Doet er ook eigenlijk niets toe.

Halichem wilde niet trouwen, en de eerste poging, om hem van zijn

plan af te brengen, mislukte geheel en al. Eerst na dagen durfden

zijn onderdanen terug te komen.

Met zijn weigering was het immers nog niet geheel afgeloopen.

Op een zomerdag kwam zijn volk in een geheime vergadering tezamen. Wat

daar besproken is, weet niemand. Het besluit echter is algemeen

bekend. Men zou een deputatie van sterke reuzen naar Halichem

afvaardigen, en hem tot rede brengen.

Aldus geschiedde. Zeven van de sterkste reuzen organiseerden zich,

en de petitie werd overgereikt. De vorst had zich naar den wensch

zijner natie te schikken. Hij ontving de gedeputeerden allergenadigst,

en beloofde hun verlangen in overweging te nemen.

Maar ... wie was er waardig, om koninginne te worden?

Halichem ging zelf op den zoek. Hij vond een aardig meisje, zoowat

vier voeten kleiner dan hij. Alle bestanddeelen van een goed huwelijk

waren dus aanwezig, want voor een nette, fatsoenlijke bruiloft behoort

't meisje niet zoo groot te zijn als de jongen. 't Andere staat niet.

Het volk was dronken van vreugde.

Inderhaast werd het paleis gebouwd. Daar de trouwplechtigheid

spoedig zou plaats vinden, werd er niet veel zorg aan de architectuur

besteed. Dit behoefde ook niet. In 't nederigste hutje immers kan

geluk wonen?

Maar ....

't Volk was tevreden--maar .... Maar Halichem, de vorst,

vond zijn poging, gedaan in het belang van zijn volk een groote

teleurstelling. 't Was wel een aardig meisje, om te zien, doch hetgeen

eraan ontbrak, was eigenlijk, wat ze te veel had.

Ze kon alleronmenschelijkst, allerongedanigst, allerverduiverkaterst

veel praten. Ze praatte van den vroegen morgen tot den laten avond.

"Ratteretalleratatteratattertatatatterteta," ging het den heelen

dag, dat het den armen Halichem duizelde in zijn ooren. Waar ze

over praatte? Over de reuzin die en over de reuzin zoo; over den

armband van de reuzin zus, en de oorbellen van reuzin gindsche. Over

den ouden reus, dien ze niet had willen hebben, en over den jongen,

dien ze had geweigerd. Over de nicht van reuzin X, die de oud-tante

van reuzin IJ had beleedigd, en wat de reus Z daarover had gezegd,

wat de reus Dubbel X daarover zou zeggen, en wat Halichem meende van

de nicht van reuzin IJ, die altijd anderen zoo bekladde. Ook had de

reuzin dubbel IJ haar eens zoo gekrenkt, door haar met een mensch te

vergelijken. Daarom wilde ze de reuzin dubbel IJ niet op de bruiloft

vragen; zóó ze haar toch op de bruiloft vroeg, koel bejegenen.

"Ratadeplantadeplan--allodadadadada--"

Den ganschen dag.

Nu was Halichem in het begin verwonderd geweest, dat iemand zoolang

achtereen kon redeneeren. Hij had ademloos gewacht, wanneer ze zou

ophouden. Zoon wezen had hij nog nooit ontmoet. 't Eten liet ze ervoor

staan, om met hem te babbelen. 't Merkwaardigst was, dat ze nimmer

naar zijn antwoord verlangde. Ze vroeg hem wel, wat hij over een of

ander onderwerp dacht, maar op het oogenblik, dat hij zijn meening

zou zeggen, riep ze uit:

"Stil! jij praat den heelen dag--laat mij nu ook eens wat zeggen,"

en dan begon 't van voren af aan, over alle dingen der wereld, van

de paplepel tot aan de liefde toe. Eerst de nacht bracht rust.

Wanneer dan de afgetobde reus probeerde te slapen, drong hem de echo

van haar stem weer in zijn bewustzijn, en dan herkauwde zijn brein

al het geestelijk voedsel van den dag, zonder ophouden. Als de morgen

kwam, bemerkte het meisje in het geheel niet, dat Halichem moede was,

en, daar zij een uitmuntenden slaap had genoten, begon zij frisch,

van voren af aan.

Halichem werd nog stiller dan vroeger. Doch zijn verloofde lette

daar niet op. Het waren eenige oude reuzen van zijn volk, die 't

eerst bemerkten, dat hun vorst er slecht uitzag. Ze vorschten naar de

reden. Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen

zóó met woorden, dat zelfs hun wijsheid haar niet begreep. Langzaam,

't hoofd schuddend, gingen ze terug. De jongste zeide:

"Ik heb op de wereld geleerd, dat alles zijn grond heeft."

Die op hem in jaren volgde, voegde hieraan toe:

"'t Is beter ten heele gekeerd, dan ten halve gedraaid."

Toen eindigde de oudste ernstig:

"Er is veel kwaad ontstaan, doordat men te weinig heeft gesproken. Maar

te veel is nog gevaarlijker. We moeten den vorst waarschuwen."

In den nacht, toen hij alleen was, gingen ze naar hem toe. Ze kwamen in

zijn vorstelijk slaapvertrek, waar hij nederlag, de oogen brandend en

wijd-open. Hij sprong overeind, op het oogenblik, dat hij voetstappen

hoorde. Arme man! hij meende, dat het zijn verloofde was, die met

hem nog wat wilde babbelen.

"Wij zijn 't," sprak de oudste grijsaard, "om met u de zaken des

lands te bespreken."

Woest schudde Halichem zijn vuist, zoodat ze bijna den neus van den

ouden reus raakte.

"Bespreken?" zoo schreeuwde hij. "Bespreken?" En toen afgemat:

"bespreken." Wat moet er nu nog besproken worden?"

"Ge moogt niet trouwen."

Halichem viel hem, snikkend van vreugde, om den hals.

"Dat zijn de eerste wijze woorden, die ik sinds lang heb

gehoord. O! wijze raadslieden, zoo gij wist de smart, die ik om der

wille van mijn volk heb geleden. Maar nu! hoort mij aan! Nu wil ik mijn

volk gelukkig maken. Van deze stonde aan, roepen wij de mannen toe:

"als gij uw wijsheid wilt bewaren, zoo gij wilt werken naar uwen

aard, trouw dan niet." Het zal morgen bij het krieken van den dag

door mijne herauten alom worden bekendgemaakt."

Aldus is geschied, dat de reuzen in Limburg niet meer trouwden,

en daarom is hun geslacht uitgestorven. Het zijn nu de eens zoo

verachte menschen, die in het land van Maastricht, van Roermond en

Venloo heerschen.

Doch ter eeuwiger gedachtenis aan het mislukte huwelijk staat nog de

half-voltooide woning der reuzen bij het plaatsje Echt, als een stille

waarschuwing voor de Limburgers, die er zich echter niet aan storen!

XXXIII

De Stille Ronde van Bergen-op-Zoom

Een graf houdt beider asch vereend;

Maar 's ouden geest vindt rust noch vrede

In d' ijsbren nacht van 't lijkgesteent',

En vaak ontsluipt hij aan die stede

Te middernacht als 't stormt en tiert,

En regent, als men de uilen

Hun grafgezang hoort huilen

De weerhaan knersend giert.

Het klinkt in den stillen nacht. Leeft de sage dan nog? Verhaalt men

ze, wanneer het lamplicht uit is, en geen vreemde kan luisteren? In

het duister vagen stemmen. Nu wordt verteld de historie van den

plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom, bijgenaamd de Duivel. Eensklaps is

er een oude stem, hortend en angstig ....

"Ik heb 't dikwijls gehoord. Heel dikwijls hebben ze 't mij verteld."

Een streng militair was de Duivel. Wanneer hij door de stad reed, door

de Steenbergsche straat, de Blauwe Handstraat, of over de Groote Markt,

zagen de burgers hem vreezende na, en menigeen dacht bij zichzelven:

"Liever zou ik willen sterven dan onder den Duivel te staan."

In zijn hand droeg hij een kleine karwats, die één scheen te zijn

met zijn hand. Graag drukte hij 't paard de sporen in de zijden,

dat het steigerde, en vonken uit de steenen sloegen. Wanneer dan de

voorbijgangers angstig wegstoven, lachte hij schor, en schudde de

karwats, of hij zeggen wilde:

"Ik wou, dat ik ze allemaal kon ranselen, en dat ik de bloedige

striemen zag over hun gezicht en hun handen. Of dat ze onder de hoeve

van 't paard raakten, en dat ik ze van pijn zag kruipen."

Hij had een zoon, die als vaandrig bij het regiment diende: Alfons

was zijn naam. Het was een vroolijke kornuit, die geen enkele vreugde

versmaadde, en die de meisjes van Bergen-op-Zoom liever had dan de

krijgstucht. Hoezee en hier ginder! de Brabantsche meisjes, die anders

zoo kieskeurig zijn, noemden hem den schoonen Alfons, ziedegij!

"Een schooneren jongen dan Alfons vindt gij in Brabant niet," zoo

zeiden ze.

Wie kon begrijpen, dat hij de zoon was van den stuurschen plaatsmajoor,

die in geheime lust niets liever deed dan pijn te doen, en die eerst

genoot, wanneer hij een levend lichaam kwellen kon?

Een morgen waren de officieren op de binnenplaats der kazerne

tezamen, toen zij dof tromgeroffel hoorden. Zij staakten hun gesprek,

en luisterden.

"Zou er weer iets met den Duivel zijn gebeurd?" vroeg een jong

luitenant.

Nooit noemde men den plaatsmajoor anders, zelfs niet in

tegenwoordigheid van den zoon. 't Was een Duivel, dat wist ieder. Ja,

velen zeiden, dat hij erger dan de Duivel was, slimmer in zijn streken

en onmenschelijker in zijn wreedheid.

De plaatsmajoor trad op hen toe. Op dertig el afstands schreeuwde

hij al:

"Dat moest uit zijn. Als ik een schildwacht in slaap zie, schiet

ik hem dood. Hoe kan ik op mijn soldaten vertrouwen, wanneer ze in

slaap vallen?"

In de verte werd een baar gedragen, waaraan een zwart kleed hing. Dof

rommelde de trom.

"Nu zal 't ze duidelijk zijn," grijnsde de Duivel. "Ik heb er vannacht

een gesnapt, die stond net als een paard te slapen. Hij kan er in

den Hemel of hel over nadenken."

De officieren zwegen steeds. Wie durfde een woord te spreken? De

Duivel zag hen aan en gromde:

"Ik ben blij, dat ge 't mij eens zijt, en, versta me wel, ik verwacht

van u hetzelfde. Geen genade voor den schildwacht, die niet waakt. Ik

dank u!"

Hij groette met kort, dreigend gebaar. Heel in de verte bromde de

trom. Niemand zag den zoon aan. Men gevoelde lust, om buiten hem de

zaak te bespreken.

Toen zeide Alfons rauw:

"Mijn vader is een goed militair."

Misschien hoorden zij allen, dat er angst en schaamte in hem was. Zij

wisten het allen, dat de man zijn straf had verdiend, doch er was

wroeging in hun ziel, omdat de Duivel hem had gedood. Een huivering

voer langs hen heen. Hun gezichten werden strak, en menigeen bemerkte,

dat hij onwillekeurig de hand aan den degen had geslagen.

Alfons vooral bestreed zijn jeugd. Hij hoopte, dat een der anderen iets

beleedigends over zijn vader zou zeggen, opdat hij dezen zou kunnen

aangrijpen. Toch was hij zichzelven niet meester, en voortdurend

hoorde hij een stem spreken:

"Duivel! duivel! jij bent een duivel's zoon."

Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor, om heen te gaan.

"Wij hebben niet te oordeelen ...."

Langzamerhand scheen het, dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij

er met elkander over. Het waren meerendeels jonge menschen, die 't

leven liefhadden, en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen

eenige dagen was het weder tusschen hen als steeds.

Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen, die op zijn post

was ingeslapen, was 't een geheime overeenkomst, dat ze hem wekten.

Had de Duivel dit bemerkt?

Hij liet een order bekend maken, die ineens weder de oude, geleden

geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde

het bevel.

Alwie een schildwacht slapende zou aantreffen, had 't recht hem te

dooden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht--zoo

hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.

Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij, dat

de wrok langer bleef in de oogen zijner kameraden, en dat ze hem

ontweken. Dikwijls zag hij, dat ze onder elkander fluisterden,

maar als hij hen naderde, was 't altijd over onbeduidende dingen,

dat zij spraken.

Zijn vader hield van hem.

Dat het een vreemde liefde was, van Duivel, kunt gij wel

begrijpen. Toen de knaap jong was, had hem de vader naar Den Haag

gestuurd--de moeder was jong gestorven--en daar was hij bij een

tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht, om hem te halen. Op den

huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Eerst op het oogenblik,

dat zij Bergen-op-Zoom in 't zicht kregen, zeide hij enkele woorden:

"Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik

niet met je praten."

Zoo was 't gebleven.

Thans weder wist Alfons, dat hij gehoorzamen moest, al gevoelde hij,

dat men een deel van den haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion

dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de Duivel alles zoo

nauwkeurig, wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger

zijn dan Alfons?

De jonge vaandrig wist, dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen

kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij

verklaard. 't Gerucht sloop door in de stad Bergen-op-Zoom. De meisjes

gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.

Niemand vermoedde, dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te

trotsch, om dit te vertellen.

Een avond had hij den Duivel buiten de Steenbergsche poort

ontmoet. Even had hij geaarzeld ... toen besloot hij hem te zeggen,

wat er in hem omging. De Duivel hield zijn schreden niet in. Met

lange passen liep hij over den weg. Hij had den kraag tegen 't hoofd

geschoven, en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat

gaf zijn geheele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de

vaandrig terzijde.

"Vader!" riep hij.

De plaatsmajoor matigde zijn rhytmisch-snellen tred niet.

"Vader! een verzoek ...."

Nog altijd zweeg de Duivel.

"Vader! ik verzoek ... om mijn overplaatsing."

"Overplaatsing?" gromde de oude militair. "Waarom?"

"Omdat ik hier niet op mijn plaats ben."

"Niet op je plaats?"

"Vader! ik wil overal zijn, behalve hier. 't Is een hel voor mij,

hier!"

"Meen je--dat ik--je zal--overplaatsen?"

"Als u me niet overplaatst--"

"Bewaar--den afstand--jonge kemphaan. Jij wordt niet--overgeplaatst. En

daarmee--zeg ik je--ingerukt--marsch! Val mij niet weer--lastig!"

Als een echo van zijn vader's scherpen tred was de smart voortaan

in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner

kameraden? En hoelang zou het duren, dat hij nog in Bergen-op-Zoom

moest blijven?

Eerst een jaar later bewees hij zijn makkers, wie hij inderdaad was,

trouw tot in den dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van

den Duivel? Alles mocht men van hem zeggen, dit niet.

Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek, tot diep in

den nacht. Men kon niet begrijpen, dat er ooit eenige smart in

Bergen-op-Zoom was geleden. De beenen werden niet moe van het dansen,

de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep, en waar was al

het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien--een Vlaamsche

reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in

Bergen-op-Zoom. Op de Markt blies en stampte een doedelzak-man, een

beer sprong duizend sprongen, een heidin zeide de toekomst. Marskramers

klopten aan de huizen, en ze lieten de schoonste kralen in de zon

schitteren. Want het waren dagen van zonlicht, waarin men leefde! 't

Kan in Brabant niet regenen, als er feest is. 't Zonlicht werd niet

moede tot laat in den avond, en het was een festijn, waarin de heele

wereld schik had, van 't kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De

soldaten en officieren waren vooraan.

Niet de Duivel, en niet de jonge vaandrig.

Wee den soldaat, die op het appèl ontbrak! Iederen avond hield de

plaatsmajoor zijn stille ronde. Het pistool hield hij stevig in

zijn vuist.

Niemand bemoeide zich met den zoon. Stil ging hij zijn weg. Er was op

zijn jong, roerloos gelaat geen leed. Het leed was binnen hem besloten.

Den derden avond van het feest passeerde een troep jonge officieren,

luid-lachend, een schildwacht. Hij riep geen "werda," toen ze hem

voorbij gingen.

"De Duivel zal hem halen," lachte een luitenant, "de kerel is in slaap

gevallen. Hij mag blij zijn, dat de plaatsmajoor de ronde niet heeft

gedaan." Goedhartig wekte hij hem.

"Vooruit kerel! uit den dut. 't Is goed dat jou de Duivel niet

gesnapt heeft."

Verschrikt was de soldaat opgesprongen. Hij was niet in staat,

om een woord te zeggen, want de angstige werkelijkheid, dat hij

ternauwernood den dood ontgaan was, deed hem den roes vergeten. Zij

hadden hem getracteerd, en de slaap had gemakkelijk ingang gevonden

in zijn beneveld brein.

De officieren lachten.

"Arme kerel! die vandaag niet kan feestvieren."

"Vooruit!" riep een jong luitenant, die nooit genoeg van het leven kon

krijgen, "daarginder wacht ons Bergen-op-Zoom. We hebben de Vlaamsche

reuzin nog niet gezien. En avant!"

Zingend en jubelend verliet de vroolijke schare de eenzame post. In

de verte klonk de duizendstemmige muziek der stad. Wat is ieder feest

ter wereld tegen de echte Hollandsche kermis? Een week per jaar is

de Hollander uitbundig--leve de vreugde!

De soldaat luisterde naar 't gejoel en geraas. Zijn handen beefden

.... Als de officieren niet toevallig voorbij waren gekorven, zou

hij dood geweest zijn.

Nu kon hij luisteren naar de geluiden van het verre geluk.

Een half uur later kwam de Duivel de post voorbij.

Hij zag, dat de schildwacht was ingeslapen. Zonder een oogenblik te

aarzelen, trok hij zijn pistool, en schoot. Hij ging verder in zijn

stille ronde.

Den volgenden dag vond men Alfons dood terneder liggen bij het

schildwachthuisje.

Toen de officieren hun weg waren gegaan, kwam Alfons te voorschijn,

en met rustige schreden liep hij naar de schildwacht.

"Je wilt zeker wel graag feestvieren?"

De arme kerel wist niet, wat hem geschiedde. Zou 's Duivels zoon

geen listen willen gebruiken, om hem in 't verderf te storten? En

toch ... hoe lokte de kermis. Alle stemmen van jeugd en blijdschap

lokten hem.

"Kom,"--zeide Alfons, en zijn eerlijke woorden hadden den trillenden

klank der geheime smart, "ga maar gerust heen, vriend. Ik zal waken,

als de Duivel komt. Het is donker weer."

De schildwacht geloofde hem. Hij moest hem gelooven. Hij bedankte hem

met geen woord. Hij groette zwijgend en ging heen. Zijn stem zou een

golf zijn van het bruisende feest, zijn vreugde zou teloor gaan en toch

een deel zijn van deze ontzaglijke vreugde, welke geen grenzen kende.

Alfons stond op zijn verlaten post.

Het zou niet lang meer duren, of de Duivel zou zijn ronde gaan. Dan

zou hij vinden, dat alles in orde was. Hij loerde er natuurlijk op,

om weder iemand te snappen!

Thans bedacht de jonge vaandrig, dat hij moede was. Niet moede van

lichaam, doch moede van ziel. Meden niet alle kameraden hem? Vroeger

was hij de eerste geweest bij ieder feest, elk jaar weder. Men

minachtte hem. Men beschouwde hem als een spion. Niemand gaf hem

gelegenheid, zich te verdedigen.

De vreugde in de stad, welke hij in zijn verlatenheid hoorde, lokte

hem in geen enkel opzicht. Ze voerde stroomen van droefgeestigheid

door zijn bloed. Hij weende niet. Hij gevoelde zijn leed, zooals men

angst gevoelt: in heel zijn wezen.

Voetstappen naderden.

Door al het gedruisch hoorde hij den klank der naderende voetstappen,

ja zelfs hun echo trilde in zijn geest en zijn ziel. Dat was de

stille ronde, sluipende, gereed om te springen. Dat was de vloek van

zijn jeugd.

Zijn smart was als een vuist, die zijn keel dicht knelde, en hem

ruggelings ter aarde wierp. Wilde hij opzettelijk doen, of hij

sliep? Was het buiten zijn wil om, dat hij zijn adem inhield, terwijl

de dreigende voetstappen naderden?

Hij lag stil. Uit de stad kwamen de klanken van het feest, doch al

zwakker en zwakker werden ze, en ze verstomden tegen den regelmatigen

tred van zijn vader, den strengen plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom. Het

was niet waar, dat er een andere klank bestond.

Hij kende geen vrees. Hij was een held gelijk, stervend voor zijn

plicht.

't Heeft niet één seconde geduurd, dat de Duivel zich over hem

heen-boog.

"Dat is de derde maal," mompelde hij, toen hij zijn pistool had

afgevuurd.

Eensklaps, fel-uit, klonk het blijde feest weder door. Niemand had 't

gehoord, dat er een schot was gevallen. 't Geluid is er nooit anders

geweest dan als een echo van verre, en ongehinderd ging alles verder.

Men was verwonderd, toen men den volgenden morgen Alfons vond. Men

berichtte den plaatsmajoor, dat zijn zoon door een pistoolschot was

gedood, op de plaats, waar de schildwacht was geweest. Recht-op hoorde

de Duivel het bericht aan.

"Ik zal mijn eigen zoon dooden, als hij zijn plicht niet doet." Zijn

handen bleven strak op tafel liggen, en geen oogwenk beefden ze. Zijn

oogen zagen star voor zich uit. Onbewogen ging hij door de stad,

met gelijkmatigen tred. Hij ging tot de plek, waar het lijk van zijn

zoon ternederlag. Wie weet, wat de Duivel dacht? Herinnerde hij zich

niet de dagen, dat hij met den kleinen Alfons had gespeeld? Zonnig was

de wereld geweest, het kleine knaapje stelde hem duizend vragen over

menschen en dingen, en de duistere Duivel beantwoordde ze allen. Het

kind had geluk gekend bij iedere bloem, bij iederen vlinder en vogel;

alles, wat hel was van kleur had hij liefgehad, en naar alles,

wat vliegen kon, hadden zijn teedere handen gegrepen. Later nog had

de Duivel hem op een paard getild en rechtop, als groote menschen,

had de kleine jongen zich gezet, en glimlachend van trots naar zijn

vader gezien. Het waren zeker de kleine dingen, die de plaatsmajoor

zich herinnerde, en alle waren ze machtig binnen-in zijn ziel. Ze

fluisterden en hoonden tot hem. Liefelijke gedaanten waren het

geweest--plots werden ze dreigend van stem en gebaar.

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats, waar zijn zoon was

gestorven. Niet met zijn scherp-regelmatigen tred, maar moede. Hij

trok het pistool, en met rustige hand schoot hij zichzelven dood.

Wanneer het stormt, gaat de plaatsmajoor uit, in Bergen-op-Zoom.

Eerst hoort ge de lachende stemmen--zijn het de officieren, die

den slapenden soldaat wekken? Dan wordt 't even stil. Er is dan een

zacht geritsel, geschuifel--in de verte klinkt wanluidende muziek,

het is de kermis, die blijft doorrazen, steeds verwijderd, terwijl

er klanken murmelen: de soldaat en de vaandrig spreken tezamen. Een

helsch lawaai is er in de verte. De kermis wil niet eindigen, de

Duivel gaat zijn stille ronde. Zijn rhytmische tred klinkt scherp,

zijn sporen rinkelen. Een pistool wordt afgeschoten.

Alles eindigt in een langen kreet van bovenmenschelijke smart.

XXXIV

De Witte Wive van Lochem

In de diepte van een kuil, even-gaans van Lochem, dichtbij de Koerbelt,

waren eens drie witte wiven, die zusteren geleken in leelijkheid,

met ontvleesde armen, en lange, grijze, dunne haren. De oogen lagen

diep, en de tanden kwamen uit als bij een geraamte. De oudste was de

meesteres van alle witte wiven in den omtrek, tot de Veluwe toe. Ze

had echter geen naam.

Overdag lagen zij in 't zand, één met het zand. Eerst des avonds stegen

zij, meestal hoog naar de lucht. Waren het nevelen of wolken? Soms

bleven zij op aarde, en renden dan over de vlakte, de scherpe nagels

dreigend vooruit, den mond wijd-geopend. Ook wel klonk haar kreet

gillend door de lucht, wilder dan de stormwind.

Herbert en zijn zuster Aleid waren niet bang voor de witte wiven. Als

kinderen gingen ze dikwerf des avonds langs den kuil, om nog een

boodschap voor moeder te doen, en als ze dan voorbij de Koerbelt

kwamen, en in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de

kleine vingertjes er zonder vrees naar. Want hoe gaarne de witte wiven

ook jonge knapen rooven, zij wisten, dat geen harer hun kwaad wilde

doen. Soms zelfs daalden zij in den kuil, en plukten er bloemen. Dan

gleed meermalen de oudste der witte wiven spiedend langs hen heen, de

klauwen uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt, doch wanneer

zij dan onder elkander lachten, vloog de witte wive weer verder. Ze

zagen haar nevel in een oogwenk verdwijnen, en, als ze huiswaarts

gingen, joeg de witte wive krijtend aan den horizon, sneller dan een

paard. Daarom hadden Herbert en zijn zuster Aleid geen angst voor de

witte wiven, al waarschuwde hun buurmeisje Johanna, de dochter van

Scholte Lodink, hen voor hun moed.

"Ga niet den kuil in," zoo zeide ze, "Herbert ... want van de witte

wiven is nooit iets goeds gekomen."

Hij lachte.

"Wie weet ... misschien gooien ze mij in mijn hand nog eens goud."

"Nee--nee Herbert--ga nooit weer in den kuil. Ze zijn slecht, de

witte wiven."

Na dezen volgde hij haar zin. Wanneer hij des avonds den kuil

voorbij-kwam, liep hij naar zijn huis door, en zacht klonk hem dan

Johanna's stem:

"Nee--nee Herbert."

Liefde was zelfs nog geen woord voor hem. Toch dachten zijn ouders

en de hare--zij bekenden het elkander glimlachend--dat Herbert en

Johanna wel een paar zouden worden. Scholte Lodink, een oud soldaat,

schertste, terwijl hij met de vuist op tafel sloeg:

"Als dat eens waar was--dat ze man en vrouw waren--in Barchem zouden

er geen twee gevonden worden met meer rijkdom."

En zijn vrouw Christine lachte witjes.

"Maar"--riep eens Scholte Lodink uit, "ze moeten niet gedwongen

worden. Al wil mijn dochter Johanna trouwen met een keuterboer,

mijn gezegde is: "je mag twee jonge lui niet van mekaar halen."

Toen lachte juffer Christine niet meer. Ze dacht bij zichzelve:

"'t Is goed, dat Herbert en Johanna bij elkaar zijn, want mijn

dochter zal niet met een armen jongen trouwen, daar zal ik voor

zorgen." Ze sprak haar gedachten niet uit. Zuinig zat ze te kijken,

den mond vast-gesloten.

"De liefde, zeg ik maar, voor alles," ging de rijke Scholte voort,

"als er geen liefde is, kun je met geld ook al niets beginnen. Herbert

en Johanna zullen een paar worden, al had hij ook geen geld."

Eenige jaren later kon hij zijn woorden waar-maken, want Herbert's

ouders wonnen een proces, doch ze verloren er hun spaarpenningen

mede. Toen waren de gedachten van moeder Christine vol zorg over de

toekomst van haar dochter. Was zij niet de vrouw van Scholte Lodink,

en moest Johanna dan trouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met

zijn handen zijn brood kon verdienen? Ze ging voor den haard zitten,

en peinsde. De vlammen speelden hoog-op en gloeiden langs den ketel, de

vonken vlogen van 't droge hout, dat zichzelf telkens wentelde. Moeder

Christine hield haar handen uitgestrekt, dat alle warmte over de

vingertoppen streek. Altijd zeide ze, dat ze zóó het beste kon denken.

Wat haar inviel, was niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Want

terwijl ze zich vooroverboog, om vooreen stuk hout grooteren doorgang

te maken dan het tot dusver had, ontdekte zij, dat ze een anderen

vrijer voor Johanna wist dan Herbert ...: Albrecht! Albrecht had

alles, wat je van een huwelijkscandidaat mag verwachten, zoo meende

ze; hij was een kloekgebouwd man, en hij was rijker dan wien ook

in den Achterhoek. Hoe zou ze de beiden bij elkaar kunnen brengen,

zonder dat Johanna het sluw opzet bemerkte?

Geen beter koppelaar dan het toeval!

Eens ontmoette moeder Christine Albrecht, terwijl ze er eigenlijk

't minst op verdacht was. Ze hield hem aan, dadelijk tot een gesprek

gereed.

"Wel Albrecht," zoo sprak ze, "wat zie ik je tegenwoordig weinig."

"We loopen elkaar uit den weg, juffer Christine," lachte de jonge man.

"'t Lijkt wel zoo--Je moest eens een avond bij ons komen, dan kun je

met den Scholte nog eens over politiek praten."

Dat haar dochter thuis zou zijn, wanneer er over de politiek zou

worden gesproken, kan iedereen gemakkelijk begrijpen. En ziet! moeder

Christine speelde haar beste kaarten uit: want Johanna was dien

avond op haar blozendst en mooist, en als speelde er de wind door,

zoo dartel waren haar krullen over 't blanke voorhoofd. Alle geheimen

van haar jeugd, anders zoo verborgen achter den nevel harer oogen,

las je nu op haar vroolijk gezicht, vrij-uit, of ze een kind was, en

geen meisje, dat de liefde kende. Moeder Christine kon niet vermoeden,

dat ze Herbert gezien had, en dat ze langs Albrecht heen-keek, als ware

hij maar een levenloos ding. Moeder Christine, hoe slim ook, wist niet,

dat er reden voor was, waarom Johanna op den drempel had gestaan,

de handen boven de oogen. 't Was niet om de stralen der avondzon,

't was om Herbert beter te kunnen zien. Moeders, die willen koppelen,

zijn slim en dom tegelijkertijd.

Ze kon er ook niets aan doen, dat er weinig over politiek werd

gesproken, dien avond. Want er was met Herbert iets vreemds gebeurd,

en Scholte Lodink wist het te verhalen. Herbert's naam werd meer

genoemd dan het de vrouw van den Scholte lief was, en haar dochter

zat te luisteren, of ze engelenmuziek hoorde.

Het was nu eerst bekend geworden, al was het een paar maanden eerder

geschied.

Op een zomeravond kwam Herbert te paard van den hoefsmid. Hij reed

op den smallen weg een kolk voorbij. Plotseling vloog een watervogel

met luid geschreeuw op. Het paard schrikte, en sloeg aan den hol,

rechtrennend naar den Wittewijvenkuil--

"Nee--neen," wilde Johanna roepen, maar op hetzelfde oogenblik bedacht

ze, dat ze Herbert toch dezen avond gezond en wel had gezien, en ze

glimlachte tegen zichzelve. De Scholte had even met zijn vertelling

opgehouden. Vervolgens ging hij voort, zijn stem bedachtzaam, heel

langzaam sprekend, en hij zag Albrecht daarbij aan.

"Zeker zou Herbert in de kuil zijn gestort, als niet een oude vriendin

hem te hulp was gekomen, de oudste der witte wiven. Zij sprong op,

haar klauwen grepen het dier in de manen en haar knieën stieten het

in de zijde. Even nog trilde het paard. Herbert klopte het tegen den

nek, streelde het, en rustig deed hij 't keeren. Stapvoets reed het

naar huis."

Dit alles vond de oude Scholte gelukkig voor den jongen man. Maar

niet voor niets was hij soldaat geweest: hij bewonderde Herbert om

zijn moed.

Johanna schoof iets naderbij, om beter te kunnen hooren. Albrecht had

den mond wijd-open van verbazing. Moeder Christine schoof onrustig

op haar stoel.

Ja, wat had de drommelsche jongen gedaan? Teeder werd Lodink's stem.

"Op het oogenblik, dat hij gevaar liep verpletterd te worden, had

Herbert in den kuil gezien--alles, wat de witte wiven er deden. Ze

zaten voor een vuurtje, en daarboven was een groene boomtak, waaraan

een vogel hing, netjes geplukt, of het door menschenhanden was

geschied. Ze braadden 't vleesch, de witte wiven. 't Was maar goed

ook, dat Herbert zijn oogen den kost had gegeven. Want daardoor had

hij later zijn dankbaarheid kunnen bewijzen.

Hij was thuis gekomen, en had zijn zuster Aleid, met wie hij

vroeger zoo dikwijls in den kuil was gedaald, onder vier oogen

alles verteld. Hij had haar gevraagd, of ze voor de witte wiven een

Driekoningenkoek wilde bakken, bruin van korst en zoet van binnen, en

die wilde hij voor zonsondergang brengen. Aleid had geglimlacht. Was

't méér niet? Ze wilde nog meer voor hem doen. En toen hij haar had

gevraagd, of ze alles netjes voor hem wilde klaarmaken, had ze hem

aangezien en gezegd:

"Natuurlijk wil ik dat doen, maar onder één voorwaarde."

"En die is?"

"Dat ik mee mag gaan naar den Wittewivenkuil."

"Aleid," riep hij angstig, "dat niet."

"Zouden de witte wiven je kwaad doen?" had ze gevraagd. "Dan wil

ik het gevaar met je deelen. Vroeger hebben wij er bloemen geplukt,

Herbert, tot Johanna je vroeg niet meer te gaan. Dacht je, dat ik nu

bang geworden was?"

Dagen lang van zelfopofferenden strijd hadden zij gekend. Aleid had

overwonnen. Ze bakte de geurige Driekoningenkoek, en deed ze in een

aarden schotel. Ze omstak het gebak met klimop, dat den aarden schotel

bedekte, zoodat het scheen, of ze haar gave bood in een krans van

groene bladeren. Ze wilde de koek dragen tot aan de groeve: Herbert

bracht ze naar beneden. Wel klopte haar hart van angst, toen zij zag,

dat dichtbij vanonder een struik, zich een groot hoofd naar voren

schoof, en een groen oog haar bestaarde, maar zij hield zich moedig;

en rustig, nadat Herbert weder boven gekomen was, schreed zij naast

hem, huis-toe.

Den volgenden dag was Herbert naar den kuil gegaan. In de diepte had

hij den aarden schotel gezien. De klimopbladeren lagen ernaast."

Toen zweeg Scholte Lodink. Hij knikte even zijn dochter toe, en

wendde zich vervolgens naar Albrecht. Wilde hij den jongen man iets

zeggen? Zijn dichte wenkbrauwen had hij hoog opgetrokken, er lagen

rimpels in 't voorhoofd, en diepe groeven om den mond.

Na zijn verhaal was 't gesprek tusschen moeder Christine, Johanna

en Albrecht slechts traag. Er was één woord in hun brein--doch hoe

verschillend van klank--dat hun lust tot praten stremde: Herbert.

Moeder Christine dacht het met woede.

Haar man--de Scholte--had de vertelling al wel eerder gehoord, doch

hij had op een goede gelegenheid gewacht, om ze mede te deelen. Hij

had weder waarlijk getoond, dat hij een oud soldaat was, die zijn

wapens op 't juiste oogenblik gebruikt, niet te vroeg en niet te

laat. Ze moest het zichzelf eerlijk bekennen, dat hij de sterkste

geweest was. Ze zou later wel eens kijken, besloot zij stil. 't Spel

was nog niet voor hem gewonnen.

Johanna gevoelde den klank van het woord "Herbert" als een zoete

troost. Zooeven had ze hem gezien. Krachtig ging hij over den

weg. Hij had haar met een glimlach vol vertrouwen gegroet. Wie was

tegen hem bestand? Er bestonden geen gevaren voor hem. Zelfs in den

Wittewijven-kuil was hij gedaald, en waarom? Om zijn dankbaarheid te

bewijzen. Goed en moedig was hij van harte. Welk meisje verlangde er

niet naar, door hem te worden beschermd? Albrecht zat naast haar, en

't woord "Herbert" was in zijn bewustzijn gelijk een vloek, terwijl

hij 't mooie, jonge meisje aankeek. Hij haatte de dapperheid. 't Leek

hem, of Scholte Lodink hem minachtte, daar hij Herbert prees. Was

hij eigenlijk minder dan Herbert? _Hij_ kon met zijn geld koopen,

wat hij wilde--en wat was Herbert? Diep in hem brandde de wraaklust

en de zekerheid, dat hij Herbert als zijn daglooner kon krijgen,

en dat hij hem kon laten slaven. Herbert was een knecht, en hij

de meester! Dat wilde hij Johanna duidelijk maken. Hij balde zijn

handen tot vuisten. Wanneer hij 't verlangde, kon hij Johanna tot

vrouw vragen, en Herbert kon hij laten zwoegen voor hem en haar. En

als Herbert met Johanna zou trouwen--dan wist Albrecht een goeden

zet. Dan zou hij de man voor zich laten werken, en hij zou hem 't

leven zuur maken.

Zijn plannen stonden vast, toen hij afscheid nam. Maar hij liet niets

merken. Zelfs Scholte Lodink wist niet, wat hij in 't schild voerde--

De arme Scholte Lodink!

Dien avond nog had hij van juffer Christine meer te verdragen dan

daarvoor tijdens geheel zijn huwelijk. Zoo'n sermoen had hij nog nooit

gehoord. De tong der vrouw kende geen rust--ze klapperde maar door,

zonder dat hij er een woord tusschen kon krijgen. Hij was als oud

soldaat anders niet vooreen klein geruchtje vervaard--hij had tegen

vele soorten van vijanden gestreden, maar zulk een helsch vuur was

er nog nooit over hem uitgegoten. Of hij zich verbeeldde, dat zij,

Christine, haar toestemming tot 't huwelijk zou geven van Herbert

met haar dochter? Wist hij dan niet, wat Albrecht bezat, en wat hij

zou erven? Wat deed het ertoe, of iemand in den Wittewijven-kuil

daalde--dat durfde Albrecht ook. Als 't daarom te doen was--of er in

het leven niet nog heel wat anders kwam kijken! Wel twee uur ratelde

ze zoo door, van 't een naar 't ander, van 't ander naar 't een, en

het scheen Scholte Lodink toe, of hij er zelf buiten adem van geraakte.

Eindelijk lukte 't hem, haar stop te zetten.

Was Albrecht even moedig als Herbert! Dat had hij te bewijzen

.... Boven 't geld stond mannemoed. Een man, die niet dapper was, zou

zijn dochter niet krijgen. Er loeren allerlei gevaren voor het meisje,

dat niet beschut wordt. Een sterk gemoed en een sterke arm zouden

haar te pas komen, beter dan al 't goud der aarde. Wanneer Albrecht

durfde, wat Herbert durfde, zou hij Johanna kunnen krijgen. Hij,

als oud soldaat, wilde 't niet anders ... en sabels en kogels! hij

zou zien, wie in dezen hem den voet dwars zou zetten.

"Meen je, dat Albrecht niet naar den Wittewivenkuil durft gaan?" vroeg

hem zijn vrouw.

"Neen, dat durft hij niet."

"Ik zou niet weten, wat daar voor waagstuk aan was." Ze klemde de

lippen op elkaar, tot haar mond de nauwe gleuf van een spaarpot geleek:

er kon nog wel wat in, maar eruit kwam niets meer.

Haar woorden hadden den Scholte Lodink op een denkbeeld gebracht.

Den volgenden dag, toen hij met Johanna over 't veld ging, vroeg hij

haar ronduit:

"Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?"

Zij bloosde om de plotselinge vraag. Hoe kon haar vader zóó dom

zijn. Ze nam haar schort aan de tippen vast, op alle gebeurlijkheden

voorbereid. In ieder geval--bij smart en bij vreugde--waren hier tranen

te verbergen. Ze kende haar vader genoeg, om te weten, dat hij op haar

kwaad niet doelde; doch tevens had ze wel gehoord, dat het gesprek

tusschen haar vader en moeder lang had geduurd, den vorigen avond,

en dat haar vader's bromstem het tegen haar moeder's fluitstem had

afgelegd. Wat zou er geschieden? Haar boezelaar was gereed.

Weder klonk Scholte Lodink's vraag, en ze moest nu wel eindelijk een

antwoord geven.

"Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?"

Angstig zeide ze:

"Herbert, vader."

"Dat heb ik wel gedacht," loofde hij vol blijdschap.

Dat was een goede tijding! Een paar kernachtige vloeken werden

Albrecht's karakter nog nageknetterd. Op dat oogenblik tilde Johanna

haar schort op, en wischte haar tranen van vreugde af. Ze wist nu,

hoe sterk haar vader voor Herbert en tegen Albrecht was. Ze liet haar

boezelaar weder vallen--ze nam zich den tijd niet, om de kreuken glad

te strijken--ze legde haar wang, nat en wel, tegen 't behaard gezicht

van den Scholte, en smeekte:

"Vader! help mij."

"Dat zal ik, mijn kind."

Hoe eenvoudig waren haar woorden, waarmede ze hem zeide, hoe ze Herbert

liefhad. Gelijk een vogel in de Mei--(eenvoudig is zijn lied--diep

de liefde, waarmede hij zingt)--minde zij. 't Was alles overgave,

en verwachting. Want het allerteerste der liefde is, dat zij meer

verwacht dan verlangt.

Toen sloeg de oude Scholte zijn armen om haar heen, en zij hadden

beiden 't gevoel, vader en dochter, of zij kinderen waren. Was 't leven

anders dan een licht spel? Geld had geen macht, de wereld was als een

weide, waarop men slechts kransen had te vlechten. Wie slecht was,

mocht niet medespelen.

Ineens begrepen zij het beiden, dat het maar een droom was. 't Leven

was wreed, en moeder Christine had ook nog wat in te brengen!

Scholte Lodink kwam met zijn plan voor den dag.

Moeder Christine had gezegd, dat Albrecht even moedig was als

Herbert. Dat zou hij moeten bewijzen.

Dit zou hij van de beide minnaars dus eischen: te middernacht zouden

zij tweeën naar den Wittenwivenkuil rijden--Herbert van den Westkant,

Albrecht van den Zuid. Als zij de groeve waren genaderd, moesten zij

beiden een haarspit in den kuil werpen, en wie dan--natuurlijk elk

door een witte wive achtervolgd--'t eerst aan de boerderij van den

Scholte zou aankomen, werd Johanna's man.

Nu kon moeder Christine laten zien, dat Albrecht even versaagd was

als Herbert.

Zoowel Herbert als Albrecht, hoorden zijn besluit rustig aan. Ze

begrepen het wel, dat de Scholte gelijk had, zeiden zij. Want in die

dagen zwierf er veel kwaad gespuis over den weg, en 't zou goed zijn,

als Johanna niet den eersten den besten tot man had ....

Albrecht dacht bij zichzelven, dat het gemakkelijker zou gaan, dan

hij zich had voorgesteld. Hij behoefde niet in den kuil te dalen. Voor

zijn geld kon hij een edel paard koopen, en Herbert had maar een oude

bles. Slechts éénmaal in zijn leven had hij zichzelf tot een flinke

daad te dwingen, en bij slot van rekening beteekende deze nog niet

zooveel. Hij kocht van een koopman 't allerbeste paard. Hij besloot

stil en sluw in zichzelf, om 't haarspit van verre te slingeren--dan

wilde hij wel eens zien, of de witte wive hem zou vangen, en of hij

niet 't allereerst aan de hoeve van den Scholte zou aankomen.

Herbert dacht niet zoo verre. Hij had maar een ouden knol, en hij

begreep wel, dat hij met alle macht had te rijden, om niet in de

wive's macht te vallen. Toch wilde hij voor Johanna alles volbrengen,

en rustig reed hij op den bepaalden avond van den Westkant naar den

kuil. In de verte hoorde hij hoefslagen. Dus Albrecht's paard naderde

ook? Hij dreef de bles met kort woord aan, tot hij vlak voor de groeve

stond. Albrecht was er nog niet. Met vermetele kracht wierp hij het

spit naar beneden, en riep met forsche stem:

"Wit--wit--wit--

Hier komt een ijzeren spit."

Woest ijlde Bles den berg af. Uit den kuil steeg de witte wive,

haar klauwen uitgespreid, den mond wijdgeopend en onmiddellijk was

ze achter den ruiter. De stormwind stak op en sloeg het graan naar

beneden; de takken der boomen kraakten.

De witte wive was zóó dicht bij Herbert, dat hij haar adem

gevoelde. O! als haar scherpe klauwen hem grepen.

Hij zette 't paard tot meerder drift aan.

"Hahaha," gierde de witte wive, "Herbert--je kunt me niet

ontkomen. Voor 't huis van den Scholte zullen mijn klauwen je

hebben. Ik zal me wreken, zooals ik me nog nooit op een menschenziel

gewroken heb. Sta maar stil met je paard--dat is te oud voor zulk een

wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs

niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd."

Als de witte wive geloofde, dat zij hem met deze woorden zou

tegenhouden, vergiste zij zich. Neen, integendeel ... dat Herbert

hoorde, hoe Albrecht had gefaald, gaf hem reeds de macht van den

overwinnaar. Was zijn paard oud? In den meester was moed, in het dier

angst. Vooruit ....

Hij voelde al even haar klauwen langs den nek--schrammend--toen hij

't erf van Lodink's hoeve op-reed. Een hard voorwerp suisde hem na. De

witte wive holde naar den kuil terug.

"Hoezee!" riep de Scholte. Moeder Christine zeide niets--haar voorhoofd

bestond alleen maar uit rimpels. Johanna viel den kranigen ruiter om

den hals.

"En 't zal over een paar dagen bruiloft zijn," schreeuwde de gelukkige

vader, "en ik zal een horlepiep dansen, zooals alleen een soldaat

het kan."

"Heeft ze je niet geraakt?" vroeg Johanna bezorgd.

"Een lichte schram--en dan--heeft ze me nog wat nagegooid."

"Nagegooid?" zeide Scholte. "Laat eens kijken."

Ze gingen naar 't erf--

Herbert lachte.

"De witte wive wil ook niets houden .... Een stuk van den aarden

schotel, dien wij haar gegeven hebben."

"Vreemd, dat die heel is gebleven," peinsde de Scholte, en hij nam

de scherf op, en hield ze in de hand. "Wat is die zwaar."

Johanna trok hem aan de mouw.

"Kom ... vader ... laten we weer in huis gaan ... het is koud buiten."

De lamp brandde. De Scholte had de scherf in zijn hand. Eensklaps

stiet hij een juichkreet uit.

"Die aarden schotel ... die aarden schotel ... is van goud. Dat is

't huwelijksgeschenk van de witte wive. Ze heeft je eerst nog wat

vrees willen aanjagen, maar dat was haar wraak--Jongen ... Herbert

... je bent rijker dan de Scholte Lodink ... en rijker dan Albrecht."

Dit zeide de oude man, en hierbij keek hij schalksch zijn vrouw

aan. Toen ook glimlachte juffer Christine, en ze breidde haar

armen uit.

Maar Johanna--ja, Johanna--rustte al tegen den schouder van een

ander, van een jongen man--en de armen van haar moeder had ze niet

meer noodig.

XXXV

Het ontstaan der Namen van verschillende Hollandsche plaatsen. Haarlem

met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg

In oude tijden--'t is algemeen bekend--werden Holland en Friesland

door reuzen bewoond. Onder dezen had er een, Lem genaamd, te Leiden

zijne woonplaats. Deze kreeg van eene reuzin eenen zoon, dien hij

mede Lem noemde, en die daarom gewoonlijk Lem de Tweede heet. Toen de

knaap volwassen en ridder geworden was, stichtte hij in de nabijheid

van Leiden eene stad en noemde deze naar zichzelven Haarlem (Heer Lem).

In dien tijd was het tegenwoordige Haarlemmerhout aan Bacchus gewijd,

die daar een' schoonen tempel had. Hiernaar heet nog heden eene

gracht in de nabijheid van Haarlem Bakenessergracht en eene kerk

Bakenesserkerk,

De Chatten of Hessen hadden voor vele jaren hun vaderland verlaten,

en waren onder hun hoofd en leidsman Bato in de Betuwe aangeland,

waar zij hun woonstede hebben gevonden. Een ander deel van dien stam

trok echter Noordwaarts en kwam _op avontuur_ aan in een plaats,

gunstig aan een rivier gelegen.

"Hoe zullen wij de stad noemen?" vroeg de eene Hes den anderen Hes.

Goede raad was niet goedkoop.

Eindelijk vond een der wijsten hunner bij ingeving den knapsten raad.

"Dat is te zeggen ...." zoo sprak hij met verstandig beleid, "we hebben

dit bij avontuur gevonden. Laten wij de stad dus D'avontuer noemen."

Zijn voorstel vond bijval. Hij werd op een schild geheven.

Sinds dien heet de vermaarde koekstad Davontur of Deventer!

Met Zandeweer vallen we in de moderne historie.

Een paar inwoners van 't Zandt waren aan 't kuieren op een kronkelweg,

en bij iedere kronkeling zagen zij een toren, precies gelijkend op

zijn collega in hun geboortedorp. Telkens, wanneer ze den toren weder

bemerkten, riepen zij beiden in koor:

"Daar heb je 't Zandt-al-weer. Daar heb je 't Zandtal-weer."

Sinds dien heet Zandeweer: Zandeweer.

Met Domburg draagt het zich heel anders toe.

Terwijl eenige timmerlieden bezig waren een balk in de kerk aan te

brengen, gelukte het hun niet, dezen op haar plaats te schuiven. Toen

kwam een vogel binnengevlogen, die de juiste richting aangaf.

Toen zeiden de timmerlieden tot elkander:

"Wat zijn wij toch _domme burgers?_"

Dat is de oorsprong van den naam: Domburg.

Op de Hulpe of Helpe in Overijsel stond een Mariabeeld, dat allerlei

wonderen verrichtte. Daarom heet de plaats mirakel-loo, waarvan later

Markeloo is afgeleid.

XXXVI

De Witte Wiven van Tubbergen

Eens, dat een vrouw uit Tubbergen uit den put water schiep, voelde ze

plotseling, dat zich een kille hand op haar schouder legde. Ze wendde

zich om, en ze zag tot haar schrik, dat haar wel twintig witte wiven

hadden omringd. Groot stonden ze bij haar: nevelen, dreigend van vorm

en gebaar. Ze kwamen dichter- en dichterbij, zoodat er geen enkele

uitweg voor de vrouw bleef Alles was donker, behalve de witte wiven.

Angstig riep de vrouw haar man, doch deze hoorde haar niet.

De witte wive, die haar de hand op den schouder had gelegd, sprak:

"Waarom ben je zoo bang--ga met ons op de bergen dansen."

"Ik wil niet meegaan," riep de vrouw uit. "Jullie zijn slecht, dat

weet iedereen."

"Als je bij ons bent, verlang je nooit weer naar de wereld terug."

"En mijn kind dan? O! witte wiven, laat mij gaan."

Alle witte wiven, in den kring om haar zwegen. Deze starheid was

haar vonnis. Zonder genade waren ze. Als met geboeide handen ging de

vrouw mede.

Des avond vermiste men haar op de boerderij. Overal zocht men, doch

men vond niets van haar terug. Zelfs niet 't geringste spoor van haar

voetstappen was te vinden: een paar stoere knapen daalden in den put,

zonder ook maar één vermoeden te brengen, waar zij kon wezen.

Men dacht eerst niet aan de witte wiven, hoewel er bij Tubbergen vele

zijn. Het is een kwaadaardig soort in die buurt, met scherpe nagelen,

en ze houden van de jacht, die de witte wiven van Lochem haar hebben

geleerd. Zij loopen nooit hard ... haar passen zijn lang-glijdend en

gelijkmatig ... echter kan zelfs de vlugste boerenjongen het op den

duur niet tegen haar volhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte

drommen uit, en, net als koeien, die een hond omsingelen, sluiten

zij zich in een kring, tot de benarde mensch zich niet meer weet te

verweren. Geen gevaarlijker witte wiven dan die uit Tubbergen! Ze

weten, wanneer ze een menschenziel kunnen vangen.

't Was een groot verdriet voor den boer, dat hij zijn vrouw had

verloren.

Want het zijn menschen der eenzaamheid uit deze streek, trotsche

droomers. In geheel Nederland vindt men niet gemakkelijk lieden, die

zoo hun gedachten weten te verbergen, en, wat ze eens lief hebben

gehad, vergeten ze nooit, daar zij moeilijk de poort van hun hart

ontsluiten. Zij toonen geen vreugde en geen smart. Altijd is hun

wezen stug. Wie ze veel ontmoet heeft, denkt aan hen met schreiend

heimwee terug--en waar hij woont, de menschen van Overijsel kan hij

nooit vergeten.

Niemand sprak woorden van troost tot den boer, die zijn vrouw verloren

had. Des avonds kwamen zijn buren bij hem, 't lampje brandde, en zij

tuurden met hem in 't licht. Iederen avond weder namen zij in stijve

houding afscheid--moeilijk de zinnen vindend, welke bij het afscheid

worden gezegd--dan blies de boer 't licht uit, en gesterkt door hun

gezwegen troost, kroop hij in zijn bedstede. Den volgenden dag was

hij klaar voor zijn werk, want hij had te zorgen, dat zijn kind door

't leven kwam.

De buurvrouwen wilden wel voor 't kind zorgen, dat het gewasschen en

gekleed werd. De boer verbaasde zich niet, dat het steeds zoo goed

voor den dag kwam, even zoo, of de moeder het hielp. Nooit vroeg hij,

wie het oppaste. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, wat

ze nu voor hem deden, en des avonds in de stilte vroegen ze hem niets.

Het is echter bekend, dat vrouwen onder elkander meer praten

dan mannen, en eens, toen de boerinnen uit de streek tezamen

waren, bespraken zij, hoe flink het kind groeide, en hoe er een

waarlijk-moederlijke hand voor waakte.

Ze meenden, dat nu degene, die zoo deugdzaam was om het kind te

helpen, wel te voorschijn zou komen, maar de vrouwen zwegen, en zagen

elkander aan.

Toen werd er gevorscht naar den naam der bescheiden helpster--:

wie zou het wezen, die het kind zoo goed verzorgde? Niemand antwoordde.

De buurvrouwen letten nu voortaan op; wie er des morgens de hoeve

binnenging--tot haar verwondering ontdekten ze geen mensch. Alles

was stil om de boerderij. En toch was steeds 't kind goed verzorgd.

Men sprak er met den boer over. Wie zou 't wezen, die zóó, zonder

iets in ruil te vragen, op den jongen paste?

Inplaats van naar 't werk te gaan, bleef de boer een ochtend voor de

deur van zijn hoeve wachten. Geen mensch naderde het huis. Hij wilde

al weer naar 't werk gaan ... daar hoorde hij eensklaps in de kamer

zacht praten.

"Heb je goed geslapen, mijn kindje? D'r is nog zand in de oogjes--ik

zal 't d'r uitvegen. En heeft 't kindje gisteren de pap lekker

opgegeten? Is 't kindje zoet geweest?"

't Was de stem van zijn vrouw, die daar klonk, met een droevigen

klank. Zachtjes opende hij de deur. 't Kind lag in de bedstede, de

kleine handjes uitgestrekt, en lachend over heel zijn gezicht. Er

was echter niemand anders in 't vertrek.

Op dat oogenblik begreep de man, dat zijn vrouw in der witte wiven

macht moest zijn, en hij besloot des avonds met de buren erover te

beraadslagen, hoe ze haar moesten bevrijden. Ze verlangde naar haar

huis terug, en daarom moesten allen hem raden.

Tot laat in den nacht bleef men bij elkander.

Er werd besloten, dat men heel in de vroegte met een kar naar de belt

zou rijden, waar de witte wiven woonden, en de vrouw met geweld mede

zou rukken. Men zou zich met geweren wapenen, en deze tegelijkertijd

afschieten, opdat de witte wiven op een afstand zouden blijven. Men

doorwaakte dezen nacht en eerst, nadat een vage, troebele schemering

zich uit den duister had geheven, spande men twee vurige paarden voor

een wagen, en men reed weg, de bergen tegemoet.

De boeren spraken geen woord, opdat de witte wiven niet zouden

weten, hoeveel zij in aantal waren, en dus niet met de vrouw zouden

vluchten. Het geleek wel een doodgewoon boerenkarretje, dat op den weg

reed, om naar de markt te gaan. De witte wiven kwamen te voorschijn,

en ze wachtten bij den weg--

"Op zij," riep de boer, die 't paard mende, en hij knalde met de zweep.

De wiven lachten.

Ineens sprongen allen uit de kar en schoten de geweren af. De wiven

vluchtten, de nevelen weken tot aan den horizon. De boeren volgden

haar, en in een heidegroef vonden zij de vrouw, die smeekte:

"Neem mij mee. Ik heb zóó naar mijn kind verlangd."

"We zijn gekomen, om je los te maken," sprak de boer ernstig. "Stap

nu maar dadelijk op, want anders komen de witte wiven weerom."

"Nee--nee," huiverde ze, smeekte ze, "nooit meer de witte wiven."

"Dat zal ook niet meer gebeuren."

Ze namen haar bij de hand, en leidden haar naar den wachtenden

wagen. Dreigend omdrongen de nevelen haar, de monden wijd geopend

(zoodat de witte, slierende tongen te zien waren), de klauwen

uitgezet. Wild reden de vurige paarden naar de hoeve terug--met

wijde passen liepen de onvermoeide wiven mede, en ze schreeuwden

vreeselijke woorden.

"Je komt weerom--dansen op de bergen--gevangen in den sluier--voor

eeuwig--Vrouw! we wachten jede tooverwoorden worden gesproken, al zijn

ze vreemd--'t Leven gaat zijn gang--wie houdt het tegen? Ga dadelijk

mede terug--dan zul je geen angst kennen. Later mag je niet meer uit

vrijen wil komen, als de woorden niet gezegd worden."

Op deze wijze dreigden de witte wiven, tot zij de hoeve waren

genaderd. De vrouw liep met gebogen hoofd 't huis binnen--gelijk

iemand, die door berouw wordt gekweld.

Buiten dansten de witte wiven, en ze zongen, wachtende, daarbij een

lied op een vreemde, eentonige wijs, maar de vrouw kwam niet naar

haar toe. Ze hield de handen tot gebed gevouwen.

"God in den Hemel," zoo bad zij, "Vader der schepselen--verlos mij van

den nood--red mij uit de scherpe tanden en klauwen. Leid mij, want de

nacht is gekomen, en de morgen nog verre. Ben ik niet als een blinde,

daar mijn oogen niet door de duisternis kunnen zien? Ben ik niet als

een kreupele, daar er vele steenen liggen op den weg? Wanneer ik mijn

armen uitstrek, voel ik, hoe zonder kracht ze zijn, doch met Uw hulp,

o Heer, zijn zij sterk en geen zwakheid blijft in mij."

Haar kind legde men in haar schoot, en toen zeide zij vroom:

"Zoo ik alleen om mijnentwil smeekte, zou ik niet meer wagen, tot Uwen

troon te komen. Doch Gij, o Heer, die ook ziet in mijn lichtzinnig

hart, en Gij, die alleen weet, welk een moeielijken strijd ik voer

tusschen de lokkende zonde en de plichten des levens, zult om der

wille van mijn kind ...."

Ze snikte luid.

"Als 't om mijn kind is--dat ik niet in dit huis bleef geef dan

Uwen wil te kennen. Want hoe weten wij, arme menschen, wat goed voor

ons is?"

Aldus bad en weende zij, terwijl buiten de witte wiven dansten en

haar lokten.

De volgende dagen sprak men weinig tot de vrouw. Men liet haar binnen

haar gedachten leven, want wie zou kunnen helpen? Stil sloop ze door

't huis en de schuur, en langzamerhand leerde ze weder ieder hoekje

kennen.

't Deed haar vreemd aan, dat alles zoo onveranderd was. De roodbonte

koe kende haar weder--het dier hief den droomerigen kop, en liet

zich vol vertrouwen streelen. De geit blaatte, toen ze naderkwam,

vol tevredenheid. De hond voor 't hok bleef rustig op zijn plaats

staan, turend in de verte. Zelfs de kippen en de haan wisten, dat de

vrouw terug was, en als ze over 't erf kwam, liepen ze haar tegemoet,

want zeker had ze een restje van aardappelen of kruimels brood. Was

ze ooit weg-geweest?

En de dingen--hoe waren zij haar vertrouwd!

De haard, waarboven de ketel hing. De bleek-houten tafel, en de

gekleurde, gekramde kopjes. De schotels op den schoorsteen. De klok

met zijn vroolijken koekoek. De klompen van haar man. De steenen van

den vloer. Buiten 't jaartal met de ijzeren cijfers. 't Riet van het

dak met 't groene mos.

Het was goed, om weder tehuis te zijn.

Wanneer de woorden nu maar nooit gesproken werden, die haar weder

in de macht der witte wiven zouden brengen! 'Zij gevoelde het, dat

zij--hoe vreemd ook--gezegd zouden worden. De witte wiven hadden

haar gewaarschuwd:

"'t Leven gaat zijn gang--wie houdt het tegen?"

Soms geleek 't haar, dat haar hart stil-stond, daar zij de woorden

des verderfs in haar ooren hoorde. Ze zweeg zóó lang, tot eindelijk

de man weder met haar sprak, en vroeg, of ze nu nooit, nooit weder

naar de witte wiven zou terug-gaan.

"Als 't van mij afhing--," sprak ze, "nee! nooit meer, want ik weet,

dat het slecht was, u allen te verlaten, en met de witte wiven van

Tubbergen te dansen. Je weet 't, dat 't niet van mij afhangt ...."

Ze zweeg, en in haar oogen was al het leed harer ziel. Niets van haar

smart bleef voor hem verborgen.

"Wat is er dan?" vroeg hij weder.

"Er zijn woorden, die nooit gezegd mogen worden."

Even wachtte hij. Toen hernam hij zachtjes.

"Welke zijn die woorden dan?"

"Weg, jou varken ...." heeten ze. Als die woorden gezegd worden, kom ik

in de macht der wiven. Zorg, dat ze niet gezegd worden, die woorden."

Hij lachte luid.

"Ze zullen nooit gezegd worden."

Zij stond op, en zag hem aan, vol stille boosheid en angst.

"Hoe kun je lachen? Als die woorden gezegd worden, ben ik voor altijd

verloren. Wie zal er dan op 't kind passen, en wie boerin zijn op de

boerderij? Bid liever voor mij, dat de woorden nooit gezegd zullen

worden. Ga naar de meiden en de knechts, ga naar de buren, zeg 't hun,

dat ze op hun woorden passen."

Hij lachte niet meer. Er waren diepe groeven in zijn voorhoofd, nadat

hij de meiden, de knechts en de buren had gewaarschuwd. Ze hadden

hem allen beloofd, dat ze op zouden passen. En toch ... terwijl hij

langs het weiland ging, bemerkte hij de witte wiven, en hij hoorde

haar zegevierenden lach.

Wat kwam het er voor haar op aan, hoevele jaren het zou duren, dat

de vrouw weder met haar op de bergen zou dansen? Zij wisten, dat de

woorden moesten worden gesproken, omdat er geen strenger wet is dan

het leven.

Het waren vreemde dagen, die volgden. Wanneer de boer van het land

in zijn hoeve trad, verwachtte hij telkens, dat de vrouw reeds was

vertrokken--dan was hij blijverwonderd, dat ze er nog zat.

"Is er niets gebeurd?" vorschte hij. "Niets? Was er niemand aan

de deur?"

Ze antwoordde, zonder op te zien, met doffen klank.

"Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken."

In haar stem bleef de zekerheid, dat ze eens gezegd moesten worden, al

deze dagen. Dikwerf stond ze aan de deur, en staarde in de schemerige

verte. Ze had haar kind en haar huis lief--en toch ... Behoorde ze

niet aan de witte wiven?

Ze boog haar hoofd voorover, om beter alles te kunnen onderscheiden. De

witte wiven dansten iederen avond, en ze zongen een melodie van

zondige bekoring.

Wat ze had volbracht in de dagen, dat ze bij de witte wiven was

geweest ... deed zij thans niet meer: nooit zorgde ze voor het kind,

en ze liet het aan haar buurvrouwen over. In haar geest was de donkere

schaduw ... angst en verlangen, om weder op de bergen te mogen zijn,

overheerschten haar nu.

Soms gleed zachtjes een witte wive langs de boerderij--als ze zoo

op den drempel stond--even wachtende. Dan strekte de vrouw de armen

naar haar uit, en de woorden, die verlossing en vloek zouden brengen,

drongen zich naar lippen. Waarom zij ze niet zeide? Misschien dacht ze

wel aan den eersten dag, dat ze weer tehuis was gekomen, of misschien

was het toch wel vrees, om haar kind alleen te laten.

De witte wive gleed verder--gleed langs het hek--over de sloot--gleed

in de nevelen van den avond--werd één met de onwezenlijkheid.

Als de man een uur later in de hoeve kwam, zag hij zijn vrouw als

steeds bij 't haardvuur zitten. Wanneer hij haar vroeg, of er iets

was gebeurd, dien dag, of iemand bij de deur was geweest, klonk haar

stem dof en moedeloos:

"Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken."

Er kwam een dag, dat de man 't vergat, om de vraag te stellen. Hij

had hard gewerkt, en was vermoeid. Daarom ging hij dadelijk slapen.

De vrouw herinnerde hem er niet aan, en voortaan bleef ze met haar

gedachten alleen. Zij-zelf zeide het noch de meiden noch de buren noch

de knechts, dat zij voorzichtig moesten zijn. Telkens weder streken

de witte wiven 'thuis voorbij, toléén harer de vrouw toefluisterde:

"Spoedig wachten we je op de heuvelen."

Klankloos antwoordde ze, 't hoofd gebogen, de handen naar den grond

gestrekt:

"Ik weet het, witte wive. Laat het gauw zijn."

Eenige dagen later was een van de knechten aan het werk, bezig met

garven te vleien. Hij bemerkte niet, dat het varken kwam aanwaggelen,

tot het dichtbij was, en aan het koren rook. Hij schopte het ... even

later was 't dier terug.

"Weg jou varken!" riep de knecht ongeduldig.

Toen schoten hem de woorden weder in zijn geest, en hij liet 't koren

in den steek. Hij liep, wat hij loopen kon naar den boer toe. Op

den akker stond de man, maar die wist reeds, dat er iets vreeselijks

was gebeurd.

"Je hebt de woorden gezegd," riep hij hem van verre toe.

"Ja baas."

Tezamen gingen ze naar de hoeve. Ze vonden de vrouw niet meer. Er

was geen spoor van haar overgebleven. Nooit meer kwam ze terug,

en de vloek had zich voltrokken.

Ze danst met de witte wiven op de belten, en ze behoort niet meer

bij dit menschengeslacht. Velen hebben haar gezien--ze draagt lichte,

grijze kleeren. In haar ooren heeft ze prachtige bellen, schitterend

van goud. Om haar hals zijn paarlen. Doch men zegt, dat ze veel

heeft geschreid, en dat men haar soms hoort weenen om de zonde,

die het einde was van haar leven.

XXXVII

Wonderlijke Avonturen van den Ridder met den Zwaan

In het oude koninkrijk Lilefoort heerschte de vorst Pyrion, wier

vrouw Matabrune was geheeten. Zij was slecht van hart, hoe slecht,

zult gij uit deze schoone historie en miraculeuse geschiedenis van

den ridder met den zwaan hooren.

Koning Pyrion en koningin Matabrune hadden een zoon, met name

Oriant, een jongeling, die de jacht liefhad. Eens, dat hij een

hert achtervolgde,--het was na zijn vader's dood en hij was koning

van Lilefoort--moest hij 't lijdelijk aanzien, dat 't dier zich,

vluchtend, in een stroom wierp, en zwemmende den anderen oever

bereikte. Toen keerde Oriant terug, en ging rusten onder eenen boom,

bij eene bron. Terwijl hij daar nu zat, kwam er een jonkvrouw met vier

dienstmaagden, eenen ridder en twee knechten, en ze zeide tot Oriant:

"Wat doet ge in mijne heerlijkheid te jagen? Wie heeft u daartoe

verlof gegeven. Of meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe ge een hert

hebt achtervolgd? Voorwaar, ik zeg u, het had u niet behoord, zoo ge

het had gedood! Doch ook thans zult gij uw misdrijf boeten."

Oriant had voortdurend haar aangezien, terwijl ze deze woorden sprak,

en de stem, waarmede hij antwoordde, kende alreeds de ontroering

der liefde.

"Schoone jonkvrouw--" zoo zeide hij, "ik zou niet gaarne tegen

uwen wil handelen. Wat ik nam, nam ik als uw leenheer. Weet, wie

ik ben! Mijn naam is Oriant, en ik ben de zoon van koning Pyrion en

koningin Matabrune: koning van Lilefoort ben ik."

De ridder--Savari was zijn naam--sprong, na deze woorden te hebben

gehoord, van zijn paard, en knielde neder. Groetend den edelen vorst,

smeekte hij als volgt:

"Heer! vergeef Beatrijs, mijne gebiedster, wat ze u heeft misdaan. Zij

kende u niet, en dit is de reden van hare misdaad."

Mild sprak de edele heer, Oriant, de zoon van koning Pyrion en

koningin Matabrune:

"Wat zij boeten zal, zal met haren wil zijn. Ik ben ontroerd door

hare schoonheid."

En hij keerde zich tot de jonkvrouwe en sprak:

"Welschoone maagd! wilt ge mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot

koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang

gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."

Toen voerde hij de reine Beatrijs naar Lilefoort, en al zijnen ridders

zeide hij, dat hij met haar zou trouwen. En men vertelde het Matabrune,

dat Oriant Beatrijs tot koninginne zou kronen.

Nauwelijks had Matabrune het gehoord, of ze trad haren zoon Oriant

tegemoet. Oriant lachte, daar hij meende, dat zijn moeder wel mèt

hem verblijd zou zijn, en hij riep haar uit de verte toe:

"Wees blijde, wees blijde, want ik heb de schoonste vrouw der wereld

gevonden."

Matabrune antwoordde toornig:

"Niet ben ik blijde, neen! niet ben ik blijde, gij hebt maar een

eenvoudig meisje genomen, gij, een machtige koning."

Oriant lachte niet meer. Hij vervulde echter zijn belofte, Beatrijs

gedaan, in tegenwoordigheid van den ridder Savari, en hij kroonde haar

als de koninginne van Lilefoort. De booze Matabrune moest wel doen,

alsof zij tevreden was, al haatte ze Beatrijs, de schoone koningin.

Matabrune verzoende zich niet met Beatrijs, en ze was niet gelukkig

met allen, die Oriant liefhadden. Toen koningin Beatrijs moeder van

een tweeling was geworden, fluisterde Matabrune, nadat de kinderen

ten doop gebracht waren, tot Oriant den koning:

"Zien mijn oogen het goed, dat er twee kinderen zijn, die Beatrijs u

heeft geschonken? Weet gij wel, dat deze twee kinderen niet beiden van

u kunnen zijn? Ik vrees, dat Beatrijs ook eenen anderen man liefheeft."

Oriant wachtte niet lang met zijn antwoord.

"Waarom kunnen er niet twee kinderen tegelijkertijd geboren worden? Dat

kan zeer wel geschieden, moeder, want God's goedheid kan ééne vrouw

wel zeven kinderen geven, waarom dan niet twee?"

De booze Matabrune bemerkte hieruit, dat de koning te verblijd was,

en haar niet geloofde. Daarom wachtte zij op een lateren tijd.

Nu geviel het, dat er eenige maanden daarna oorlog uitbrak, en de

edele koning Oriant met zijne ridders ten strijde toog. Voor dien

liet hij zijne moeder Matabrune bij zich komen, en hij zeide haar:

"Zult gij--wanneer ik weg ben--voor mijne vrouw Beatrijs zorgen,

of zij uw dochter ware? Zie! ik vertrouw haar u toe."

Matabrune sprak hierop plechtig:

"Ik belove 't u."

Oriant nam van, zijn reine vrouw Beatrijs afscheid. Zij weenden beiden,

en hun tranen vloeiden ineen. Hij kuste haar 't voorhoofd en den mond,

en hij streelde hare armen, zonder woorden te zeggen. Hij besteeg

zijn paard, en toen vertrok de vorst, de voorste der ridderen, gelijk

't behoort.

Zoodra hij was heengegaan, bedacht Matabrune, hoe zij zich op Beatrijs

kon wreken. Ze liet de vrouw bij zich komen, die voor Beatrijs in

hare krankheid had gezorgd, en ze sprak tot haar als volgt:

"Ge weet wel, dat mijn zoon Oriant tegen mijnen wil Beatrijs heeft

getrouwd, die maar een arm meisje was, en hij was een machtig

koning. Hoor nu, wat ik heb besloten, want ik wil, dat hij van haar

afkeerig wordt."

"Ge weet--" zoo antwoordde de vrouw, "dat Beatrijs, de koningin,

weder een kind verwacht. Wat meent ge, als we zouden zeggen, dat

zij dit kind heeft gedood? Zeker zou de koning, Oriant, haar haten,

wanneer hij dit zou hooren:"

"Dit is mij niet genoeg--" hernam Matabrune. "Zoovele kinderen als

Beatrijs ter wereld zal brengen, zoovele jonge honden leggen wij

ervoor in de plaats. Wij zullen dan zeggen, dat deze jonge honden

hare kinderen zijn, en ik zal iemand bevelen, om haar werkelijke

kinderen weg te dragen en te dooden. Dan voorwaar zal Oriant, de

koning, wel van Beatrijs afkeerig zijn."

De vrouw beloofde, dat zij gehoorzaam zou zijn aan Matabrune's bevelen.

Beatrijs bracht zes zonen ter wereld en eene dochter. Ze hadden

allen bij hun geboorte een zilveren keten om den hals, zoo edel was

de moeder. Nauwelijks had Matabrune dit alles vernomen, of ze voerde

de kinderen weg, en in de plaats daarvan legde ze zeven jonge honden

naast Beatrijs, de zieke koningin.

Dit nu riep de vrouw, die Matabrune bij zich had laten komen. Ze riep

met luide stem tot Beatrijs:

"Wee koningin Beatrijs! Wee over u! Gij hebt zeven jonge honden ter

wereld gebracht! Wee! Wee!"

De slechte Matabrune zeide:

"Doe weg dat schandelijk stuk, en begraaf de honden op het veld. Houd

het geheim, vrouw, opdat des konings eere niet gekrenkt worde."

Beatrijs dan was zeer zwak. Zij had het niet bemerkt, welk verraad er

was geschied. Het duurde wel een tijd, voor ze bij haar zinnen kwam. Op

dat oogenblik keerde Matabrune haar gansche haat tegen Beatrijs, de

ongelukkige koningin uit, haar scheldend met booze woorden, dat zij

jonge honden het leven had geschonken en geene kinderen. Met moede

stem zeide Beatrijs:

"Toon ze me dan, want ik kan u niet gelooven."

Men liet haar de jonge honden zien, en toen schreide Beatrijs, omdat

ze voor altijd de liefde van haren man, Oriant, had verloren.

De vrouw, die haar in haar ziekte had verzorgd, zeide met valsche stem:

"Ge behoeft niet te weenen, edele koningin, want ge hebt uw schoonheid

behouden, en Oriant zal u niet minder liefhebben, wees er zeker van."

Beatrijs schreide door, en naar dezen troost luisterde ze niet.

Matabrune was verblijd, daar haar de schandelijke daad tot dusver

was gelukt. Zij riep haren dienaar--Marcus was zijn naam.

"Vriend, ge moet mij eenen dienst bewijzen, maar ge moet geheim

houden, wat ge voor mij doet. De koningin, de sluwe Beatrijs, is moeder

geworden van zeven kinderen, zes zonen en eene dochter, die droegen bij

hunne geboorte ieder een zilveren keten om den hals. Dit is een teeken,

dat zij later dieven en moordenaars zullen worden, en daarom moeten

ze sterven, vóór zij Oriant, den koning, in schande brengen. Voer de

zeven kinderen met u in een bosch, en doe ze daar sterven."

Marcus boog voor de slechte koningin, Matabrune, en hij beloofde, dat

hij naar haren wil zou handelen. Hij nam de zeven kinderen, verborg

ze onder zijnen mantel, en reed naar 't woud, waar hij, van het paard

stappend, ze nederlegde. Hij beschouwde ze, en toen zag hij, dat ze

schoon waren. Hun zilveren kettingen blonken in de zon, en Marcus,

de dienaar, bepeinsde, dat deze ketenen wezen op groote dingen in de

toekomst. De kinderen lachten hem toe, en hij kreeg medelijden.

Hij beval de kinderen in Godes barmhartigheid aan, en hij keerde

naar Lilefoort terug, om naar het paleis van Matabrune te gaan. De

booze Matabrune beidde hem reeds, en ze vroeg hem ongeduldig, of hij

haar bevel had gehoorzaamd, en of hij de kinderen had gedood. Haar

dienaar, Marcus, antwoordde met een enkel "ja," en wendde zich van

haar af. Matabrune was zeer blijde, en nu besloot zij, om Beatrijs

ook te doen dooden, zoo het kon, door Oriant's hand.

Haar ongeduld behoefde niet lang te duren, want Oriant reed spoedig

daarna de stad Lilefoort binnen, trotsch te paard gezeten, als

overwinnaar der vijanden. Matabrune ging hem tegemoet. Hem groetende,

weende zij, en zij weende:

"Lieve zoon! blijde ben ik, dat gij weder hier zijt, en dat gij als

overwinnaar zijt teruggekeerd, maar ik ben vol droefheid om wat er

met uwe vrouw, met Beatrijs, is geschied!"

De koning schrok, en hij boog zich voorover, zijn stem angstig voor

de eerste maal zijns levens.

"Zeg mij dan, moeder, is Beatrijs gestorven?"

"'t Is de dood niet, het is een schandelijk stuk van uwe vrouw,

waarom ik zoo droeve ben. Ik durf het u niet te openbaren, laat een

ander het u zeggen."

"Neen, moeder, zoo het een schandelijk stuk van mijne vrouw is, vraag

ik van u voorwaar, het mij te bekennen. Want uit uwen mond kan ik het

't beste hooren."

"O! heer, mijn zoon, o koning Oriant, verneem dan, dat niet Beatrijs

moeder is geworden van menschenkinderen, doch dat zij zeven jonge

honden ter wereld heeft gebracht."

Toen ging de koning, de edele Oriant, met eenen ridder in eene kamer,

en hij weende langen tijd, tot uit zijn oogen geene tranen meer konden

vloeien. In eene andere kamer was de koningin, de edele Beatrijs,

en ook zij weende hare smart. Een schildknaap, die haar had gediend,

was haar komen zeggen, wat Matabrune, de moeder des konings, haren

zoon had bekend.

Vervolgens riep de koning zijnen raad tot zich, geestelijken en

edellieden, en hij sprak tot hen:

"Ik heb u hier bijeen doen komen, om mij van raad te dienen in de zaak

tegen Beatrijs, de koningin. Hoort, wat Matabrune, mijne moeder, mij

heeft gezegd. Niet heeft Beatrijs mij kinderen geschonken, zonen en

dochteren, menschen als menschen geschapen, doch jonge honden waren

haar deel."

Na deze vreeselijke woorden zweeg de raad eenen langen tijd. Eindelijk

stond een oud en wijs man op. Dit was de raad, welke hij den edelen

Oriant gaf:

"Heer koning! zoo Beatrijs aan eenige misdaad schuldig is, kan deze

wel buiten haar weten zijn geschied. Daarom is zij niet met den dood

te straffen. Beter is het, dat ge wacht, tot God, die een rechtvaardig

rechter is, de waarheid zal openbaren."

De koning was zeer getroost door deze woorden, doch weder rimpelde

zich zijn voorhoofd, toen een ander ridder met booze stem uitriep:

"Heer koning! zult gij de vrouw laten leven, die een zoo groote schande

over uwen naam heeft gebracht? Weet gij dan niet, dat gij, als zij

gevangen blijft, nooit met eene andere vrouw zult trouwen? Beter is

het, zoo ge haar doet verbranden, dan kunt ge een ander kronen tot

koninginne van Lilefoort, en ge kunt uw droefheid vergeten."

Niet lang liet koning Oriant op antwoord wachten. Hij zeide:

"Zoo ook de koningin des doods schuldig is, nimmer zal ik den

eed vergeten, dien ik de jonkvrouw Beatrijs heb gezworen in

tegenwoordigheid van ridder Savari, aldus luidende:

"Welschoone maagd! wilt gij mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot

koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang

gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."

"Zelfs als Beatrijs zou zijn gestorven, dezen eed zou ik altijd

gedenken, want mijn liefde voor haar is mij liever dan het

zonlicht. Daarom ook heb ik geweend, tot ik niet meer weenen kon,

en mijn tranen niet meer wilden vloeien."

Men besloot hierop, om Beatrijs in eene schoone kamer gevangen te

zetten, en haar door twee ridderen te doen dienen, tot het zou zijn

uitgemaakt, of zij waarlijk zeven jonge honden ter wereld had gebracht.

Haar kinderen onderwijl waren door eenen kluizenaar in het bosch

gevonden, en ze schreide jammerlijk van koude en honger. Hij wond ze

in zijnen mantel, en voerde ze in een kluis. Niet lang daarna zond

God hun een geit, die ze voedde. De kluizenaar--Helias was zijn naam

kleedde hen in kleederen van bladeren, en deed voor hen, wat hij met

zijn eenvoudige krachten kon. Een der jongens kreeg hij boven allen

lief, en daarom gaf hij hem zijnen naam: Helias.

Eenige jaren later kwam de jager van Matabrune--Savari heette hij--in

't bosch, en hij vond daar zeven kinderen spelen onder eenen boom. Hij

groette hen vriendelijk, doch de kinderen, die behalve den kluizenaar,

nooit een mensch hadden gezien, liepen angstig weg. De jager Savari

was nieuwsgierig, waar wel de kinderen tehuis behoorden, hij volgde

hen, en trad in de woning van Helias, den kluizenaar.

"Wat zoekt gij bij mij?"

"Wees gerust--" zoo sprak de jager, "ik zal den kinderen geen leed

berokkenen. Alleen was ik verwonderd, daar zij zoo slecht zijn gekleed,

en toch zulke kostbare zilveren ketenen om den hals droegen."

De kluizenaar verhaalde hem, hoe hij de kinderen had gevonden en

opgevoed, en daarna namen de beide mannen van elkander afscheid,

omdat Savari weder naar Lilefoort wilde vertrekken. Daar vertelde hij

de booze Matabrune, wat hij in 't bosch had gezien: zeven armoedige

kinderen ieder met eenen zilveren keten om den hals.

Matabrune kreet:

"Ga weder heen en dood de kinderen, anders zal ik ze zelf ombrengen."

De jager Savari beloofde, dat haar wil zou geschieden.

Matabrune ging naar haren dienaar Marcus, en dolzinnig van woede,

beval ze, dat hem de beide oogen zouden worden uitgestoken, tot straf,

dat hij de kinderen niet onmiddellijk na hun geboorte had gedood.

De jager Savari nam zeven mannen mede, om de zes jongens en het eene

meisje te vermoorden. Op hun weg kwamen ze door een dorp, waar een

groote menigte volks was verzameld. Her en der vroegen ze, waarom

zoo velen tegelijk tezamen gestroomd waren, en het antwoord luidde:

"Men zal eene vrouw verbranden, die haar kind heeft vermoord."

Dit stemde Savari tot nadenken.

"Om één kind verbrandt men deze vrouw al? Hoe zal ons vonnis luiden,

wanneer men weet, dat wij zeven kinderen hebben omgebracht?"

En de anderen zeiden:

"Neen! we zullen de kinderen niet dooden. Wat zullen wij doen? Wij

zullen de zilveren ketenen medenemen, en deze Matabrune toonen,

ten bewijze, dat wij haar bevel hebben gehoorzaamd."

Ze traden in het bosch, en Savari voerde hen naar de hut. Ze vonden

hier echter niet zeven kinderen, maar slechts zes, daar de kluizenaar

met het kind, dat hij 't meest liefhad, met Helias, in 't naast-bij

gelegen dorp was gaan bidden. De zes kinderen kreten bij het zien

der woeste mannen.

"Wees niet bang, lieve kinderen," zeide de jager Savari, "we zijn

niet hier gekomen, om u kwaad te doen. Ge behoeft niet te schreien."

Terwijl Savari, de jager, dit zeide, namen zijn mannen de ketens

weg. Zoodra dit geschied was, werden de kinderen in witte zwanen

veranderd, die opvlogen, en met een schreeuw zich hoog in de lucht

verhieven. Savari en zij, die met hem waren, schrokken over dit wonder

zoodanig, dat zij in onmacht ter aarde vielen. Nadat zij weder tot

bewustzijn waren gekomen, beefden ze nog van vrees, en Savari riep uit:

"Laat ons trekken van deze plaats, waar wij te lang geweest zijn. Zes

kinderen hebben wij gevonden, instee van zeven. Laten wij zeggen,

dat wij zeven kinderen hebben gedood, en dat wij één der ketenen

onderweg hebben verloren."

De mannen volgden Savari's raad, en ze spraken de woorden, die hij

had gezegd, tot de booze Matabrune; deze werd uitermate vertoornd

en schreeuwde:

"Zoo gij een zevende keten hebt verloren, moet gij mij de waarde

hiervan vergoeden. Eerder zal ik niet tevreden zijn."

Ze liet eenen goudsmid bij zich komen, die één der ketens in het vuur

legde, om te zien, of het edel metaal was.

Wonder! toen de keten heet werd, woog hij meer dan de anderen tezamen,

en er was zilver genoeg, om twee bekers te maken van de ééne keten. De

goudsmid bracht éénen beker naar de slechte Matabrune en behield

den anderen voor zichzelven, en toch verwonderde zich Matabrune nog,

dat ze zulk eenen grooten beker had ontvangen. Ze was verheugd om de

schoone gave, die er haar aan herinnerde, dat nu de zeven kinderen

van Beatrijs waren gestorven.

Ze kon toch niet vermoeden, dat er zes van in zwanen waren veranderd,

en dat de zevende, Helias, nog in leven was?

De kluizenaar en Helias waren in het bosch teruggekeerd en ze

verbaasden zich, dat zij de zes jonge kinderen niet vonden. Ze zochten

den geheelen dag, en 's nachts sliep Helias niet; den volgenden

morgen begon hij dadelijk weder te zoeken, weenende van wanhoop. Hij

ging al schreiende voort. Eindelijk bereikte hij een water, waar hij

zes schoone zwanen zag. Hij naderde den vijver, en riep de trotsche

vogels tot zich. Ze zwommen naar hem toe, hij streelde ze, ze aten

van het brood, dat hij hun gaf. Hij was getroost, en hij bezocht hen

voortaan dagelijks.

Hij groeide op tot een krachtig jongeling, tot ridderlijke daden wel

in staat. Hij wist het niet, dat hij zijn behendigheid spoedig zou

moeten toonen. Want Matabrune was haar haat jegens Beatrijs nog niet

vergeten, en steeds zon zij op middelen, om haar te doen dooden. Aan

haar hof was een ridder, Macharis was zijn naam, en hij had een hart,

even valsch als van Matabrune. Daarom liet hij zich overhalen, om

weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon

brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder,

de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis

onder den invloed van Matabrune:

"Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor

Beatrijs."

De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou

brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze

trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar

knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de

edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne

Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou

zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:

"Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u,

dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt,

dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een

schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek

de waarheid, Beatrijs."

De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in

de oogen.

"Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft,

en die mij recht zal verschaffen; en toch ik zweer u allen, dat ik

onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk

kwaad heb bedreven." Zij vouwde haar handen. "Gode alleen zij de

wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten."

God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen

naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van

koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen

waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder

Macharis moest bevechten.

Hierna riep de kluizenaar den jongeling tot zich, en hij zeide tot hem:

"Gij, Helias, zijt de zoon van koning Oriant en van koningin Beatrijs,

en ge zijt met uw broederen en uw zuster te vondeling gelegd op bevel

van Matabrune, de moeder des konings Oriant. Thans heeft dezelfde

Matabrune één harer ridderen, genaamd Macharis, bevolen de koninginne

Beatrijs te beschuldigen, als zou zij niet een mensch liefhebben,

doch eenen hond, en als zou zij den koning Oriant en zijne moeder

Matabrune hebben willen vergeven. Dit nu zegt God: 'gaat henen,

en kampt voor de koninginne Beatrijs tegen den valschen ridder

Macharis. Uw broeders en uwe zuster zijn veranderd in de zwanen,

die gij dagelijks hebt gevoed.'"

De edele jongeling vroeg:

"Zult gij dan, als ik weg ben, voor de zwanen zorgen?"

"Ja," antwoordde de kluizenaar, "ik zal ze met brood voederen, gelijk

gij hebt gedaan."

Vervolgens nam Helias afscheid. Hij was in bladeren gekleed,

blootshoofds, barrevoets, en op eenen stok steunde hij. Aldus ging hij

naar Lilefoort, naar 't hof van koning Oriant, waar men de koningin,

de schoone en reine Beatrijs, ter dood zou brengen, daar niemand voor

haar wilde kampen.

Juist op het goede oogenblik kwam Helias aan, en hij stond bij de

poort, om binnen gelaten te worden. De wachter vroeg hem:

"Wat zoekt gij?"

"Den valschen ridder Macharis," was het antwoord.

De wachter wilde met hem spotten, en dus zeide hij:

"Ik ben het, dien gij zoekt. Ik ben de ridder Macharis."

Helias sloeg hem met zijn stok, en een andere dienaar wilde hem

grijpen, daar hij meende, dat de jongeling in zijn vreemde kleeding

waanzinnig was. Helias werd boos, en hij riep uit:

"Ik zeg u, laat mij gaan. Ik wil mij wreken op den valschen ridder

Macharis, die mijne onschuldige moeder beticht."

"Macharis--" antwoordde een der wachters, "is in de zaal en klaagt

Beatrijs aan. Ons echter schijnt het toe, dat het valschelijk is,

want de koningin Beatrijs is goed."

Helias omhelsde hem uit dankbaarheid voor deze woorden, en de knecht

leidde hem in de zaal, tot voor 's konings troon.

Oriant vroeg hem:

"Wien zoekt gij hier?"

"Ik zoek Macharis, heer."

Men wees hem den ridder, en Helias ging tot hem, en sloeg hem met de

vuist recht in het gelaat.

"Gij, valsche verrader, ik daag u uit, om met mij te strijden."

De koning, Oriant, stond op van zijn troon, en riep tot Helias,

den jongeling:

"Hoe durft gij, vermetele, Macharis in mijne tegenwoordigheid te

slaan?"

"Heer," antwoordde Helias bescheiden, "ik ben gekomen om de waarheid

te spreken."

En hij wendde zich tot Beatrijs, de koningin, met deze woorden:

"Lieve moeder, wees niet bedroefd, want met Godes hulp zal ik u in

uw eer herstellen."

"Wat wilt gij dan zeggen?" zoo vroeg de koning.

"Zeggen wil ik de waarheid alleen en deze is, dat ik uw zoon ben, o

heer, en de zoon van uwe vrouw, van Beatrijs, die naast mij staat. Ik

verklaar, dat ik met Macharis wil gevangen blijven, tot het blijken

zal, dat ik de waarheid spreek."

De koning zag toen Beatrijs aan, en mild was zijne stem en vol goedheid

zijne oogen:

"Wat dunkt u, Beatrijs, van de woorden, die deze jongeling spreekt?"

Beatrijs boog haar hoofd.

"Heer! ik weet hiervan niets; want ik was krank, toen mijne kinderen

werden geboren. Maar ik geef de zaak in God's handen en in die van

dezen jongeling, en ik bid u hem te behandelen als uwen zoon."

De koningin, Beatrijs, werd naar eene schoone kamer gevoerd, en Oriant,

de koning, begaf zich tot Matabrune, en vertelde haar van Helias,

den jongeling. Matabrune verbleekte, en ze trachtte nu goede en zoete

woorden te vinden, doch zij kon niet beletten, dat de koning beval,

om Macharis gevangen te zetten. De koning reed naar 't woud, en hoorde

daar van den kluizenaar 't verhaal, dat hem Helias voor waarheid had

verteld. Daarom liet de koning voor den jongeling een harnas maken,

en hij stelde de koningin, de edele Beatrijs, in vrijheid. Macharis

werd door vier dienaren bewaakt, en moest tegen Helias kampen.

Macharis was angstig, toen hij 't strijdperk binnen-reed, ziende den

edelen jongeling Helias, krachtig in zijn harnas. Hij wilde het niet

laten blijken, hoe bevreesd hij was, en daarom riep hij spottend:

"Meent gij tegen mij te kunnen strijden, jongetje? Ik zal u laten zien,

hoe sterk ik ben."

Helias nu antwoordde:

"Verrader, ik ben blijde u hier te zien, ik zal op u de eer mijner

moeder wreken."

Ze reden op elkander in. Door het geweld van den stoot, stortte

Macharis ter aarde.

Hij stond weder op.

"Ik zal u laten gevoelen, hoe krachtig mijn arm is."

Helias riep:

"Welaan! rijd maar wakker toe."

Ze lieten beiden hun lansen zinken, en, spiedend, ontdekte Macharis

een plek in des jongelings harnas, die het vleesch niet bedekte. Daar

stiet hij en Helias' bloed vloeide. Nu meenden Beatrijs en allen, die

met haar waren, dat Helias was getroffen, en een ieder was hierover

zeer bedroefd. Helias echter werd nog moediger, en hij kreet met een

stem, fel-flitsend als de bliksem:

"Verrader, is het u niet genoeg, dat gij mijne moeder hebt

verraden? Wilt gij ook nog haren zoon dooden? Thans zal ik u met Gods

hulp toonen, wat gij van mij hebt te verwachten."

Hij sloeg hem den helm af, en hieuw hem zoo met 't zwaard, dat hij

zich niet meer kon verweren, en daarna kloofde hij hem den arm. Toen

gaf de valsche ridder Macharis zichzelf gewonnen.

"Jongeling! ik heb den slag verloren--zeg mij uwen naam.

"Ik ben Helias--de zoon van den edelen koning Oriant en de in haar

leven zoo getrouwe koningin Beatrijs en ik wil zien, hoe gij zult

sterven, vóór ik deze plaats verlate. Wacht uwen dood, verrader."

Het antwoord van den valschen ridder Macharis luidde als volgt:

"Laat mij leven, tot ik de waarheid heb bekend. Laat mij den goudsmid

aanwijzen, die de ketens heeft van uwe zuster en uwe broeders."

De kamprechters kwamen, en ze wezen Helias de overwinning toe. Deze

echter zeide slechts:

"Dat de koning hier kome met de koningin en al hunne heeren."

De edele Oriant en de reine Beatrijs, verzeld van hunne drommen

ridders, traden in het strijdperk, om te hooren, wat de jongeling,

Helias, hun wilde zeggen.

"Luister naar de belijdenis van dezen ridder hier, van Macharis,

den valschaard."

Macharis trad naar voren, groetende den koning, Oriant, en de koningin,

Beatrijs, met eerbiedige reverence. En hij bekende allen, die om hem

heen stonden, de talrijke misdrijven van Matabrune, die hiervoren zijn

verhaald, opdat zij geene navolging zullen vinden in der Kerstenen

landen. Amen.

Men hing Macharis aan eene hooge galg, den valschen ridder, die

Beatrijs valschelijk had beticht. De koning omhelsde Beatrijs om al het

leed, dat zij onschuldig had geleden. Er waren vele vreugdefeesten,

en daarna werd de goudsmid ontboden, dien men vroeg, wat er van de

zilveren ketens was geworden.

De goudsmid nu bracht vijf zilveren ketens terug, en een beker, dien

hij met den beker der slechte Matabrune uit ééne keten had gesmeed,

en hij bad om vergiffenis, en de koning zeide:

"U zij vergiffenis geschonken."

Oriant en Beatrijs namen de ketenen, en ze kusten deze, klagende om

hunne arme kinderen, die in zwanen waren veranderd.

Vervolgens werd Marcus geroepen, wien de booze Matabrune de oogen had

uitgestoken, en Oriant, de koning, vroeg hem, hoe hij in blindheid

was geraakt.

Op deze vraag zeide Marcus, al wat hem was overkomen.

Oriant gevoelde medelijden met den blinde, en hij bad innig tot

God, dat Marcus weder zou genezen. Hij teekende over de oogen

van den ongelukkige een kruisje, en daardoor herkreeg Marcus zijn

gezicht. Allen waren verbaasd over het wonder, dat aan den dienaar

was geschied.

Nadat Matabrune had vernomen, welk lot de valsche ridder Macharis

had ondergaan, werd zij bevreesd, en zij gaf daarom den knechten,

die haar bewaakten, veel wijn te drinken, opdat zij dronken zouden

worden. Haar toeleg gelukte. De knechten sliepen zwaar in hun roes,

en Matabrune kon ontvluchten. Helias echter, die door zijnen vader

als koning was gekroond in Lilefoort, zette haar na, belegerde het

kasteel, waarin Matabrune was gevlucht, veroverde het, nam de slechte

vrouw gevangen, en deed haar verbranden.

Hij had gezworen, dat hij niet zou rusten, voor hij zijne zuster en

zijne broeders terug had gevonden, en nauwelijks had hij zijn eed

uitgesproken, of zes zwanen vlogen uit de hooge lucht, en daalden

in de slotgracht. Helias riep Oriant, zijn vader, en Beatrijs,

zijne moeder, en tezamen gingen ze naar het water. De zwanen zwommen

op Helias toe, en lieten zich door hem streelen. Hij toonde hun de

ketens, en de trotsche vogelen schaarden zich in een rij, om elk

zijne keten te ontvangen. Helias hing ze een keten om, voor den

laatsten zwaan echter bleef er geene meer over. Oriant en Beatrijs

liepen hunne vijf kinderen tegemoet, vier zonen en eene dochter,

en waren met hen blijde. De arme zesde zwaan was zeer bedroefd,

en van smart wilde hij zichzelven de veeren uittrekken.

"Wees zonder smart," zoo troostte hem Helias, "want ik heb u lief

als mijnen broeder, ook al hebt gij niet de gestalte van een mensch."

De zwaan was zeer dankbaar over deze woorden, en boog zijn hoofd,

uit dankbaarheid voor den edelen jongeling.

De vijf kinderen werden gedoopt, en de dochter werd Rosse genaamd.

Nadat Helias reeds eenigen tijd koning was geweest, zag hij eens op

een morgen het venster uit en hij bemerkte zijnen broeder den zwaan,

een scheepje trekkende. De koning, Helias, hield dit terecht voor

een teeken Gods, en hij riep zijn dienaren toe:

"Breng mij mijn harnas en mijn zilveren schild, want ik moet deze

plaats, Lilefoort, verlaten."

Men gaf hem zijn harnas, men reikte hem 't schild, waarop een dubbel

gouden kruis stond, en zijn vader Oriant schonk hem eenen hoorn,

zeggende:

"Bewaar dezen hoorn, want die hem hoort blazen, dien zal geen leed

of schande kunnen geschieden."

Driemaal schreeuwde de zwaan met wonderlijke stem, en Helias ging

in het schuitje zitten. De zwaan klapte ten zijnen wellekomste met

zijne vleugelen, en zwom aan, het scheepje achter zich, van stroom

tot stroom, tot zij de plaats bereikten, door God voor hem beschikt.

Juist hield Otto de eerste, keizer van Almanien, heerschend over

de landen der Ardennen, van Luik en Namen, rijksdag in Nijmegen,

en de graaf van Frankenburg, beschuldigde de hertogin van Bouillon,

dat ze haren man met vergif had gedood, en dat hare dochter onwettig

was. Niet mocht daarom de hertogin blijven heerschen over het rijk van

Bouillon, doch het moest hem, den graaf van Frankenburg, broeder van

den overleden hertog, vervallen. De hertogin zeide, dat zij onschuldig

was. De graaf tegenover haar gesteld, wierp zijn handschoen ter aarde,

als bewijs harer schuld, en zeide, dat hij met een ieder zou kampen,

dat zij des doods schuldig was.

De keizer sprak deze woorden:

"Vrouwe, zoo het waar is, wat de graaf tegen u volhoudt, zijt gij des

doods schuldig. Zoek eenen ridder voor u uit, zie rond in deze zaal,

opdat gij iemand kunt vinden, die u verdedigen zal."

De hertoginne deed haren blik smeekend gaan van den een naar den

ander, doch de ridderen gaven geen geluid, en ze voelde zich van

alle hulp ontbloot. Daar hoorde men eensklaps het stooten van eenen

hoorn, en men keek ten venster uit. Op Nijmegen's stroom zag men een

scheepken drijven, waarin een ridder stond, en dat scheepken werd

door eenen zwaan getrokken. De ridder, geheel gewapend, sprong aan

wal, en de zwaan zwom verder. De keizer ontbood den ridder tot zich,

en terwijl hij al naderde, zeide de hertogin tot hare dochter deze

woorden als volgt:

"Lieve dochter hoor! ik droomde dezen nacht, dat de graaf en ik met

elkander dingden en dat ik werd veroordeeld, om te worden verbrand. Op

dat oogenblik zwom een zwaan aan, die bracht water, om 't vuur te

blusschen, en uit 't water kwam een visch; allen werden angstig, die

deze visch bemerkten. Alleen ik stond rustig, en daarom geloof ik,

dat deze ridder mij zal redden."

Helias, de koning van Lilefoort, naderde den keizer, hem groetende.

"Ik ben een arm ridder, uitgetrokken op avonturen."

De keizer antwoordde hem minzaam:

"Zoo gij een arm ridder zijt, uitgegaan op avonturen, dan vindt

gij hier een avontuur, want de hertogin van Bouillon wordt ervan

beschuldigd, dat zij haren man heeft willen dooden, en ook, dat hare

dochter onwettig is. Het is aan u, dat ge voor haar eer kunt strijden,

daar zij des doods is, wanneer er niemand wordt gevonden, die voor

haar strijden zal."

Helias zag de hertogin aan, en het scheen hem toe, dat zij een vrouw

was, rijk aan deugden; ook hare dochter vond hij schoon.

Hij wendde zich weder tot den keizer, en wel met deze woorden:

"Laat mij alleen spreken met de hertogin van Bouillon."

Dit zeide de keizer:

"Het zij u toegestaan."

Toen zij alleen waren, wendde zich de edele ridder tot de hertogin.

"Vrouwe! zweer mij de waarheid, en niets dan de waarheid, ik zal dan

in uwe zaak zijn een getrouw dienaar."

Zij antwoordde trotsch:

"Zoo waarlijk helpe mij God almachtig, ik zal u de waarheid zeggen

en niets dan de waarheid."

"Vrouwe, bij uwen eed, zijt gij onschuldig aan alle dingen, die men

tegen u zegt?"

"Ja--ik."

Helias sprak:

"Gij hebt daarom heden een kampvechter gevonden, die voor uwe eer

zal strijden."

Zij gingen in de zaal terug, en Helias groette den keizer.

"Heer! laat hem in het strijdperk komen, die de hertogin van Bouillon

beschuldigt, want ik voorwaar zal tegen hem strijden."

Nauwelijks had hij dit gezegd, of de graaf van Frankenburg trad op

hem toe, en lachte schamper, hem beziende van hoofd tot voeten:

"Vriendje! wat begeert gij? Wel toont gij u moedig in eene zaak,

die u niet heeft geroepen."

Helias zeide rustig, en hij rekte zijn krachtig lichaam hoog op:

"Ziedaar mijn handschoen, ik geef dezen u, om de eere Gods en om de

minne der edele vrouw. Heden zult gij bevinden, wat een ridder van

avonturen doen kan."

De graaf van Frankenburg nam Helias' handschoen en de keizer ontving

hun beider eed.

"Wanneer wilt gij kampen?"

Helias ging naar voren.

"Nog dezen dag."

Daar de graaf dit niet durfde weigeren, werd het strijdperk gereed

gemaakt, en in een wijden kring gingen de keizer met zijne heeren, de

hertogin en hare dochter zitten. De edele vrouwen smeekten God, dat

de edele ridder van avonturen zou overwinnen, en de beide strijders

reden op elkaar in. Bij den eersten stoot braken de lansen en daarom

streden zij verder met hunne zwaarden, tot de graaf van Frankenburg

zich niet meer kon verweren, en een spanne tijds vroeg, teneinde te

mogen spreken.

"O edele ridder!" aldus sprak hij, "maak met mij vrede, ge kunt

verkrijgen daarvoor mijne dochter en het land van Ardennen."

Dit was Helias' antwoord:

"Meent gij, dat ik u zal steunen in uw verraad? Spreek daarover niet

meer, want van mij hebt gij geene genade te wachten. Ik zal de hertogin

verlossen, en hare dochter zal ik trouwen tegen uwen wil."

Na deze woorden sloeg de graaf den ridder, Helias, het zwaard uit

de handen. Deze echter sprong van zijn paard, greep den graaf van

Frankenburg vast, sleurde hem ter aarde, brak zijn schild, en ontwrong

hem zijn zwaard. De graaf van Frankenburg smeekte om genade. Helias

sloeg hem 't hoofd af.

Helias keerde zich weder tot den keizer, hem groetende, en de keizer,

Otto de Eerste van Almanien, herstelde de hertogin in haar eer,

en gaf haar heur land terug. Ze dankte hem vriendelijk.

"Dan geef ik mijne dochter en mijn land aan hem, die 't eerlijk

heeft gewonnen."

Daarna sprak de keizer dit oordeel, opstaande van zijnen troon:

"De ridder met den zwaan is thans hertog van Bouillon, en hij zal

trouwen met de dochter der hertogin, met de schoone Clarisse."

Den volgenden dag trouwde Clarisse, de dochter der hertogin, met

Helias, den ridder met den zwaan, die nu geworden was hertog van

Bouillon. Twaalf dagen en nachten duurde het feest, te hunner eer

gegeven, en daarna vertrokken zij beiden naar hun rijk. Onderweg werden

zij door vrienden en bloedverwanten van den hertog van Frankenburg

aangevallen, maar Helias versloeg al zijne vijanden en welbehouden

bereikten zij het land van Bouillon.

Ze leefden gelukkig, en ze kregen eene dochter, die zij IJda noemden,

later de moeder der edele heeren Boudewijn, Godfried en Eustachius.

Eens, dat de hertogin en de hertog, Helias, waren uitgereden, vroeg

ze hem:

"Heer! uit welk land zijt gij, welke vrienden hebt gij, wie zijn

uwe ouders?"

Hij zeide met ernstige stem:

"Vraag daar nooit meer naar, hertogin, want dan zouden wij moeten

scheiden."

Zes jaren lang zweeg Clarisse deze vraag, doch toen overviel haar

plotseling in den nacht de nieuwsgierigheid der vrouwen.

"O Heer, zeg mij, van welke afkomst zijt ge?"

Met bedroefde stem antwoordde Helias, de hertog van Bouillon, haar:

"Ge weet wel, dat ge dit niet moogt weten, en morgen vertrek ik uit

deze landen, en ik zal gaan naar den keizer te Nijmegen. om afscheid

van hem te nemen." Toen riep de hertogin in grooten angst hare dochter

IJda, opdat deze haren vader met smeeken en weenen zou vragen, te

blijven. Maar in den ochtend verzamelde Helias zijne heeren, en hij

beval hun te zorgen voor zijne vrouw en zijne dochter en het goede

land van Bouillon. Al sprekende, hoorde hij, dat de zwaan al buiten

was, slaande met de vleugelen een groot geraas. Helias begaf zich

naar het scheepken, en de zwaan voerde hem door den stroom.

De hertogin Clarisse en haar schoone dochter IJda begaven zich naar

Nijmegen, teneinde den keizer Otto van Almanien, te vertellen, wat

er was geschied.

Nog waren zij aan het spreken, daar stiet Helias den hoorn, en hij

ging naar den keizer, hem eerbiedig groetende, en hij gaf hem zijn

land terug.

De keizer vroeg hem:

"Blijf, hertog van Bouillon, bij uwe vrouw Clarisse en uwe schoone

dochter IJda."

Helias echter zeide:

"Ik kan dit niet volbrengen. Ik vraag u slechts bescherming voor

mijne vrouw, Clarisse, en mijne dochter, IJda."

De keizer sprak:

"Ik belove ze u."

Toen vertrok de ridder, en de zwaan voerde hem van Nijmegen langs

vele stroomen, naar Lilefoort.

Juist bij zijn aankomst zat Oriant met zijne vrouw en zijne vijf

kinderen aan tafel, en daar hoorden ze den stoot van Helias' hoorn. Zij

stonden allen op, en ze zagen uit de vensters van 't paleis, ze zagen

den zwaan, en Helias zittende in het scheepken. Hij sprong aan wal,

en zijn vader, Oriant, zijne moeder Beatrijs, zijne zuster Rosse,

en zijne vier broeders ijlden hem tegemoet, en ze stelden hem vele

vragen, maar zijne moeder, Beatrijs, vroeg, waar de zwaan was gebleven,

en hij antwoordde:

"Hij is in het water teruggekeerd. Ik echter zal hem halen, en

wij zullen beproeven hem door gebeden tot menschelijke gedaante

te brengen."

De koning, Oriant, beval, dat men van de beide bekers weder eene keten

zou maken, zooals die was geweest, en toen dit was geschied, hing hem

Helias de keten om den hals, en tezamen baden ze tot God. Toen kreeg

de zwaan zijn menschelijke gestalte weder, en men noemde hem Esmeri,

en hij was een schoon jongeling.

Nadat Helias eenigen tijd in Lilefoort was geweest, liet hij eenen

dag al zijne vrienden tot zich komen.

"Ik neem afscheid van u allen om de wereld te verlaten, want ik wil

mijn leven beteren en voor u bidden."

Een ieder was zeer bedroefd om Helias' besluit, doch er was niemand,

die zich durfde te verzetten, en, steunend op eenen stok, liep Helias

naar een door Oriant gesticht klooster, en daar werd hij door de

monniken met vreugde ontvangen. In het land van Ardennen nu deed

hij een slot bouwen, gelijk aan het slot van Bouillon, over welk

land hij hertog was geweest. Aan het klooster schonk hij vrijmarkten

en vele voorrechten, en hij stelde dertig monniken aan, om Gode te

dienen. Zelf leefde hij naar den kloosterregel.

Maar nog eene zaak moet er van hem verhaald worden, en eerst zult ge

daarom moeten hooren, hoe het ging met zijne dochter, de schoone IJda.

Toen IJda veertien jaren oud was, huwelijkte de keizer, Otto van

Almanien, haar uit aan eenen edelen ridder, en ze droomde, dat ze

drie kinderen had, die zij voedde, en twee ervan droegen een kroon op

't hoofd, doch het derde niet, omdat het door een andere vrouw werd

gevoed. En eene stem zeide:

"IJda, gij zult moeder zijn van drie kinderen, die gij zelve moet

opvoeden, en met die kinderen zal Gods zegen zijn."

Toen IJda dit hoorde loofde zij God, en in drie jaren bracht zij drie

kinderen ter wereld. De eerste werd genoemd: Godfried, de tweede:

Boudewijn, de derde: Eustachius. Eens op eenen Pinksterdag--er waren

vele groote heeren in Bouillon--ging de edele vrouw, IJda, ter kerke,

en lang bleef ze weg. Daarom schreide het kindje Eustachius van honger,

zoodat eene andere vrouw het uit medelijden voedde. De edele IJda

kwam in haar paleis, en zag, wat er geschiedde.

"Ach, vrouw," riep ze, "wat hebt gij gedaan. Nu zal mijn kind,

Eustachius, zijne waardigheid verliezen."

De vrouw antwoordde met deze woorden:

"Ik heb het gedaan uit medelijden, daar 't kindje, Eustachius,

honger had."

De hooge vrouwe, IJda, bleef treurig den ganschen dag, niet groetende

de heeren, die om haar waren verzameld.

Zij wist thans, wat leed was, de edele IJda. Want het leed wordt aan

niemand gespaard, noch den edele, noch den gemeene.

En ook kende het leed Clarisse, de machtige hertogin.

Vele malen had zij reeds boden uitgezonden, om te weten, waar Helias

was heengegaan, en eerst langen tijd na 't zenden van den eersten bode

kreeg ze tijding, waar haar gemaal vertoefde. Eens zond ze een harer

dienaren, Pontius genaamd, naar Rome, en op zijnen terugweg kwam deze

een kerk binnen, waar hij eenen geestelijke vond uit zijn land. Ze

besloten tezamen naar huis te reizen, doch Gods wil was anders dan

de hunne, en zij verdwaalden in de wildernis. Ze trokken verder en

verder, en kwamen ten laatste aan een kasteel, precies gelijkende op

het kasteel van Bouillon.

"Ziet," zeide Pontius, "we zijn in ons land. Dit is het kasteel

van Bouillon."

De geestelijke antwoordde met deze woorden:

"Mij dunkt--we zijn er nog verre van."

"Dan--" zoo riep Pontius uit, "gelijkt dit slot er precies op.

Ze vroegen toen in het dorp, in welk land ze waren, en ze hoorden,

dat Helias dit kasteel had gesticht, en den volgenden morgen begaf

zich Pontius naar het slot, waar zij vonden Oriant en Beatrijs,

Rosse en Esmeri en vele anderen. Esmeri bracht hem vervolgens naar het

klooster, naar den edelen Helias, die blijde was om de goede tijdingen,

die hij hoorde van zijne vrouw Clarisse en zijne dochter IJda.

Toen vroeg hem Pontius:

"Geef mij een teeken, welk mij bewijzen kan voor mijne gebiedster,

de hertogin Clarisse, dat ik u heb gesproken."

Als bewijs schonk hem Helias zijn trouwring, en hij gaf groote

geschenken mede voor Clarisse, zijne vrouw, en IJda, zijne dochter, en

ook gaf hij rijke geschenken aan den bode Pontius en den geestelijke,

die hem vergezelde. Vervolgens namen zij afscheid van elkander en

Pontius, de bode, kwam juist op Hemelvaartsdag aan in Bouillon.

Hij verhaalde hier Clarisse, dat hij Helias had gevonden, den zoon

van den edelen koning Oriant, en de edele koningin Beatrijs: een

koningszoon van een aanzienlijk geslacht was hij dus. Pontius toonde

den trouwring, en de hertogin geloofde dit bewijs. Vol verlangen was

ze, om Helias nog eens te zien, en met hare dochter, IJda, reisde ze

naar 't klooster, waar hij woonde.

Ziek lag Helias te bedde, en lang zou de edele hertogin, Clarisse,

niet bij hem blijven, want hij stierf korten tijd daarna. De hertogin

weende om hem, en zoo groot was hare smart, dat ook zij stierf. Toen

keerde IJda, hare dochter, naar haren gemaal terug, en ze onderwees

hare kinderen in de dingen der deugd. Twee harer zonen wonnen naderhand

het Heilige Land, en Godfried en Boudewijn droegen de kroon, stervende

als koningen te Jeruzalem.

XXXVIII

De Schelpengrot op Nienoort

Eens was de schelpengrot op Nienoort een rijke schatkamer, waarin veel

goud en zilver was verborgen--vaten waren er vol diamanten en paarlen,

in gouden bekers waren topazen, opalen, robijnen, smaragden, in

velerlei vorm en kleur dooreen: er lagen braceletten, als schitterende,

kronkelende spiralen, en vijf en veertig halssnoeren, allen even

fraai bewerkt. Het was een wereld van flonkering en flikkering, een

trilling en golving van gloed. Rood en blauw en groen en krijtwit

beefden zenuwachtig tegen elkander, en in al deze duizenderlei speling

was slechts één motief: het licht.

Er zijn er niet velen, die de schatkamer van Nienoort hebben gezien,

meest mannen en bijna geen vrouwen. Want de vrouwenoogen zagen niet

de kleinodiën alléén, doch ze zagen tevens, hoe haar de kleinodiën

kleeden zouden, en hoe ze om de teere, witte huid zouden schitteren.

Er woonde bij Nienoort een vrouw, die eens binnen de schatkamer een

blik had geworpen, en nu nacht aan dag niets anders dacht dan:

"De schatkamer van Nienoort."

Ze had een armen, jongen man lief, en ze bepeinsde, door altijd te

denken aan den rijkdom, die er in de kamer schitterde, dat zij zich van

enkele halskettingen zou meester maken en ermede zoude vluchten. Dan

zou ze geld genoeg hebben, om met den jongen man te trouwen, en

één halsketting kon zij voor haarzelf behouden. Dit alles wist zij,

zonder er zich rekenschap van te geven, zooals ook in de woorden:

"De schatkamer van Nienoort" welke eeuwig naar haar geest terugdreven,

besloten was, dat ze al het nuttelooze van haar hoop wel inzag. Want

telkens, wanneer ze de schatkamer voorbijging, scheen de zware, ijzeren

deur een bespotting harer begeerte, en moedeloos was voortdurend

weder haar tred bij het verder-gaan.

De zuster van haar verloofde leerde den man, die de schatkamer

bewaakte, kennen, en ze kregen elkander lief. Hij was een weduwnaar met

een kind, een meisje van negen jaar. Zoo ontmoette de vrouw plotseling

dezen man, en dikwijls kwam ze bij hem aan huis. Eenige maanden

lang, steeds maar in haar brein de woorden bewarend en behoedend,

dat zij niet ontsnappen zouden, sprak ze over andere dingen, en hij

kreeg vertrouwen in haar. Hij zocht dus achter haar vraag geen kwaad,

toen zij eindelijk zeide:

"Wanneer je nu getrouwd bent--zal dan je vrouw de schatkamer mogen

zien?"

Hij lachte.

"Ik laat liever geen vrouw de schatkamer zien, tenzij op last van

mijn heer. De vingers van de vrouwen beven te veel."

"Maar je eigen vrouw ...."

Ernstig dacht hij na.

"Ik zou 't niet doen, of mijn heer moest me oorlof geven."

"En je eerste vrouw dan?"

"Mijn eerste vrouw heeft de schatkamer nooit gezien. De eenige vrouw,

die er in- en uitloopt is mijn dochtertje. Zij weet 't geheim van

het slot, en ze behoeft me nooit te vragen, of ze in de kamer mag

of eruit."

Verder werd er niet meer over gesproken, doch na dezen tijd zag men de

vrouw en het kind altijd tezamen, hand in hand gaande door de velden,

pratend en lachend. Meestal had de vrouw iets voor 't kleine meisje:

een snoeperij of een vrucht, en ze kende nog vele spelletjes van

vlugheid en slimheid. Ook vroolijke liedjes kon ze zingen, en alle

vogels wist ze na te doen in hun zang of slag. Wat was een dag voor

't kind, als ze met de vrouw ging? De vader had geenerlei wantrouwen.

"Kinderen met elkaar," dacht hij, als hij ze tezamen zag.

't Was op een zomeravond, dat zijn verloofde hem vroeg, of hij met

haar op het meer wilde gaan spelevaren, maar eerst zeide hij zijn

dochtertje, dat er niemand in de schatkamer mocht komen, en dat ze

den heer zou waarschuwen, als er een mensch in de nabijheid kwam.

Nauwelijks was hij weg, of de vrouw riep 't kind bij haar naam, en

tezamen zingend liepen ze een eind door 't veld. Dien avond echter

wilde de vrouw niet spelen ... ze trok 't meisje naar zich toe,

streelde het over de haren, en vroeg:

"Is je vader uit?"

"Ja--"

"Waar is hij heengegaan?"

"Hij zeilt op 't meer."

De vrouw haalde diep adem, en, een siddering in haar stem verscholen,

vroeg ze, zich over 't kind buigend, en haar handen vattend:

"Dus ben je alleen thuis? En hoe laat komt vader terug?"

"O! heel laat, maar ik moet hier dichtbij blijven, om op de schatkamer

te passen."

"Is de schatkamer mooi? Zijn er mooie dingen te zien?"

"O! 't is mooi in de schatkamer .... 't Is heelemaal licht, nog

meer licht dan wanneer de zon schijnt, overal licht en alle steenen

hebben licht."

"Mag ik de schatkamer zien, met al 't licht? Wil jij de deur voor

mij openmaken, dan kan ik 't licht ook eens zien."

Toen haalde het kind den zwaren sleutel, en draaide dezen zeven malen

links; daarna, hem aantrekkende, draaide het den sleutel een halven

slag weerom, en de poort gleed geruischloos open, en zij beiden traden

binnen. 't jonge meisje legde den sleutel bij de kleinodiën neer.

Inplaats van nu eenige sieraden te grijpen, en er naar een ver

land mede te vluchten, bleef de vrouw staan en staarde naar al het

glanzen en glinsteren om haar heen. Zelfs strekte ze haar vingers

niet uit. Haar oogen waren vergroot, haar adem hijgde, en ze staarde

slechts.

"Spelen," smeekte 't kind, "laten wij spelen."

Zij gaf geen antwoord.

"Kom bij ons," riepen de edelsteen met fluisterende stemmen, "neem

ons in de hand, en zie van dichtbij naar ons." Ze wilde naar deze

verlokking luisteren, maar 't was haar, of ze niet voort kon gaan. Ze

moest blijven, gelijk ze stond, 't hoofd voorovergebogen, als iemand,

die plotseling een schrikwekkende gedaante voor zich ziet. Voor haar

flonkerden de diamanten, de paarlen, de robijnen, en uit de fontein

dier heerlijkheden gudste met breede en dunne stralen het licht,

wit en goud en groen en rood, mengelende in alle schakeeringen. De

late dag met al zijn geheimen was in de schatkamer, en schiep in de

gewelven een sluier boven deze kleuren.

"Spelen--ga mee spelen--" drensde het kind.

De edelsteenen riepen:

"Het wordt gauw avond--dan zul je ons niet meer zien--en niet meer

weten, wat het kostbaarste is kom dan--kom dan--kom dan."

Eindelijk breidde de vrouw haar uit, en met weenende stem kreet ze:

"O! ik kan niet."

Het kind vatte haar hand.

"Ga mee--laten we buiten spelen."

Ze streek het kind over de haren, ze trok het naar zich toe en

kuste het:

"Ga maar alleen. Ik kom wel dadelijk bij je."

Het kind sprong van haar weg, doch toen het den sleutel zag, die het

naast de kleinodiën had gelegd, kwam het eensklaps tot de gedachte, om

de vrouw te plagen, en, terwijl het heenging, trok het de deur achter

zich dicht, en stak den sleutel in het slot, even maar draaiende:

de deur zat als met vijftig grendels zóó vast. Buiten riep het:

"Zie, dat u eruit komt. Ik ga alleen spelen."

Op dat oogenblik vloog een kleine vlinder langs het kind, en het vergat

de deur, en de vrouw, die binnen in de schatkamer was opgesloten. Het

sprong den vlinder na, probeerde hem te vangen, als hij even op een

bloem zat, en wanneer hij verder fladderde, liep 't kind ook verder

de weide in, tot het moe was gespeeld, en naar huis toe ging. Ze

zeide haar avondgebedje alleen en weldra sliep zij in. Haar vader

kwam eenige uren later, doch 't kind werd niet wakker.

De vrouw onderwijl stond in de donkere schatkamer. Bij het dichtslaan

van de deur, was de zware nacht onmiddellijk om haar, en de stemmen

der edelsteenen hielden met spreken op. Hoe was het mogelijk, dat zij

in een vertrek stond vol van kostbaarheden? 't Was alles duister, de

diamanten waren niet minder nacht dan de tafelen, waarop zij waren

neergelegd. Alles zweeg, ook de geluiden van buiten, en lang-uit

liet de vrouw zich op den grond vallen, om te slapen. De slaap wilde

echter niet voor haar komen, want in haar ooren was nog de echo der

edelsteenen-fluistering, en ze trilde van verlangen, om hun stemmen

weder te vernemen en hun gloed weder te zien. Nooit wilde zij van de

plaats scheiden. O, het genadeloos duren van den nacht!

Het was buiten reeds lang dag, toen de eerste af glans der zon in de

schatkamer daalde, en met den valen schemer herbegon het licht der

edelsteenen te stralen en hun stemmen vingen weder aan te klinken.

"Het is dag, kom nu bij ons. Neem ons in uw handen, pas ons om uw

vingeren, leg ons om uw hals."

Wankelend ging ze naar de tafels, en één voor één hield ze de

sieraden vast. Ze glimlachte, terwijl ze ten laatste het kostbaarste

snoer paarlen om haar hals wond, en vijf armbanden met diamanten

bezet in haar hand nam. Ze wendde zich naar de deur, met het plan,

te ontvluchten. Ineens bedacht ze, dat de deur was gesloten, en ze

staarde naar het ijzer, dat haar tegenhield van de vrijheid en het

geluk, gelijk ze den avond te voren naar de diamanten had gezien.

Zóó vonden haar de mannen, die--nadat het kind was ontwaakt en

het verhaal had verteld, dat de vrouw was opgesloten--de schatkamer

binnendrongen. Ze zagen, dat het snoer paarlen was gelegd om haar hals,

en dat ze vijf armbanden in haar hand hield. Ruw voerde men haar naar

den heer.

Voor hem bekende zij alles, hoe ze maanden lang had geloerd, om in

de schatkamer te komen, en hoe 't haar eindelijk was gelukt. De stem,

waarmede ze zeide, dat slechts de deur haar had belet, om haar plan uit

te voeren, klonk als een vloek. Ze meende niet anders dan dat ze ter

dood zou worden gebracht. Haar hoofd hield ze gebogen, en het scheen

haar, of ze reeds voelde, hoe het scherpe zwaard sneed door den nek,

en terwijl ze haar hoofd dieper nog boog, leek het zelfs voor haar als

viel het terneder op den grond. Ze rilde. Ze was nog zoo jong! Van het

leven te moeten heengaan, en de wereld was zoo jong. Met al de kracht

van haar bloed had ze een man lief--waarom was de dood zoo wreed?

De heer zag haar aan, en zeide:

"Hoe komt het, dat ge hebt willen stelen?"

Ze antwoordde met doffe stem:

"Ik had met mijn bruidegom willen vluchten naar een ver land,

doch toen ik de paarlen en diamanten het eerst zag, kon ik niet

heengaan. Anders was ik zeker reeds lang weg-geweest, en nooit had

ge mij kunnen vinden."

Om dit antwoord werd haar rechter toornig.

"Ik ken een betere straf voor u dan de dood. Ik zal de sieraden uit

de kamer nemen, en gij zult van de grot een schelpengrot maken. Bij

het eerste zonlicht zult gij beginnen en bij het laatste zult gij

eindigen, zonder ooit een mensch te zien. Dat zal uw straf zijn."

Den volgenden ochtend ging ze al aan het werk. In den nacht had men

in de eenzame grot duizenden schelpen gebracht, van velerlei vorm en

kleur, en ze werden als edelgesteenten in der vrouwe handen. Tot haar

door klonken van buiten de liederen der menschen. Soms hoorde zij in

de verte de stem van den man, dien ze liefhad, en om wiens wille ze

den diefstal had willen volvoeren. Misschien aarzelden haar handen dan

even--misschien waren haar oogen dan een seconde blind--daarna hervatte

ze haar werk. Wellicht meende ze, dat het kort zou duren. Verwachtte

ze nog iets van haar leven? Dacht ze, dat ze eens in vrijheid zou

worden gesteld, en dat ze het geluk nog zou kennen?

Dagen verbonden zich aan dagen, en in den krans der dagen werden

de jaren gewonden. Iedere schelp was een groot deel van haar leven,

en ze wist niet, dat in de wereld der menschen het meisje, met wie

zij eens had gespeeld, reeds getrouwd was, en dat de man, dien ze

liefhad, was gestorven. Soms meende ze, dat ze diamanten, paarlen,

topazen, robijnen in haar hand hield, inplaats van schelpen. Ze liet

ze flonkeren in het licht, en ze maakte er aan den wand een kunstwerk

van, schitterende van glans. Even strekte ze er dan de handen naar uit,

en ze fluisterde:

"Als morgenvroeg de deur open-gaat, zal ik vluchten, en alle

edelsteenen zal ik met mij medenemen. Dan zullen hij en ik in een

vreemd land trouwen. Één halssnoer zal ik om mijn hals dragen--"

Den volgenden morgen begon ze echter weder aan haar eindelooze taak.

Heur haren werden grijs--ze bemerkte het niet. Schelp sloot zich aan

schelp, nooit beefden haar handen bij de eeuwige schikking.

Wanneer de schelpen bijna allen waren gebruikt, ging er boven de grot

een luik open, en massa's werden er weder naar beneden geworpen. Haar

ooren hoorden het niet. Voor haar was het, of het immer dezelfde

edelsteenen waren, waaraan zij wrocht, tot ze een dag bemerkte,

dat de stapel verminderde.

"Nu is de vrijheid nabij," zoo ongeveer dacht ze, en fel klopte

haar hart. Het was goed, dat zij zichzelf niet kon zien: ze was een

stokoude vrouw geworden, tanig en rimpelig van vel. Grauw fladderde

't haar om haar voorhoofd, diep lagen de oogen in de kassen.

De grot was klaar, en de deuren werden geopend.

Ze trad naar buiten, en ze zag 't zonlicht. Er speelden kinderen op

de heide. Een kleine bok was aan een touw gebonden, en trachtte al

met de horens te stooten. Was ze ooit weg-geweest? En toch ... geen

der kinderen kende ze. Ze keek naar haar werk terug--Ach! ze kon niet

bevroeden, dat het meer dan zestig jaar had geduurd. Een wonder was

de schelpengrot van Nienoort, die haar jeugd had gevreten.

Ze was vrij, vrij! O! het alom-tegenwoordige, duizelingwekkende,

verblindende, verdoovende, zegenrijke zonnelicht. De gansche wereld

stroomde van geuren, er was geen grooter geluk dan te mogen leven! Nu

wilde ze naar den man gaan, die ze liefhad. Het was vreemd, dat ze

den weg niet weer kende. Alle huizen schenen veranderd te zijn; de

paadjes gingen niet hun gewone lijn. Wat was er toch geschied in de

enkele jaren, dat ze had gewerkt, overpeinsde ze.

Een jonge vrouw trad haar tegemoet, en 't leek haar, of ze haar

kende. Was 't niet het meisje, met wie ze in haar jeugd had

gespeeld? Ze begon te lachen. Wat was het groot geworden. Zou het

zich nog herinneren, dat het haar eens had opgesloten? Ze noemde het

bij den naam. De jonge vrouw stond stil.

"Dat ben ik niet, al ken ik haar heel goed, die u noemt."

"Wie ben je dan?"

"Ik ben haar kleindochter?"

"Ben je haar kleindochter?"

Toen ging de oude vrouw naar 't meer, en ze spiegelde haar gezicht in

't water.

Ze sloeg de handen aan het voorhoofd--'t Leven was haar voorbij-gegaan,

en ze had er niets meer van te verwachten. Ze ging naar de grot. Haar

werk was gereed, en 't schitterde haar tegemoet, angstwekkend als

diamanten.

Op den drempel van den grot zeeg ze neer, en in den nacht naderde de

dood haar hart. Zonder een klacht is ze gestorven. De wachters vonden

haar den volgenden morgen, en inderhaast werd ze begraven.

XXXIX

Van eenen Ridder

Er was eens een ridder, die woonde aan den heirweg, ineen

grootkasteel. Allen, die zijn slot voorbijreden, beroofde hij en deed

hij lijden, zonder barmhartigheid, maar alle dagen groette hij Maria,

de moeder Gods, met een oratie, die begint aldus:

"O! intemerata et in eternum."

Het was iederen dag, dat hij deze oratie zeide, om te loven Maria,

de moeder Gods.

"O! intemerata et in eternum."

Eens reed een heilig man het kasteel voorbij. De knechten kwamen,

om hem te berooven.

De heilige man wendde zijn gelaat tot hem en smeekte:

"Och! breng mij bij uwen heer--want ik heb iets met hem te bespreken,

dat hij nog niet weet."

De knechten beraadslaagden onder elkander, en driftige woorden spraken

zij wederzijdsch, het eene deel schreeuwend, dat zij den gevangene

zouden dooden, het andere, dat zij hem zouden voeren tot den ridder,

hunnen heer. Ten slotte werden zij, die den moord eischten, angstig,

want wat zou de ridder zeggen, als zij den heiligen man niet alle

dingen deden belijden, welke hij wist? Ze dreven hem voor hun heer,

en die vroeg, wat de heilige man verlangde.

"Doet allen, die in dit huis wonen, tezamen komen, want ik wil u iets

verkonden, dat u tot heil zal zijn."

De ridder peinsde, langen tijd. Hij strekte eindelijk zijne handen

uit, en beval, dat zij allen zouden komen, oud en jong, voornaam

en arm, ze zouden allen komen, vrouw en maagd en man en jongeling,

ze zouden allen komen, de minstreel, die juist op het kasteel was,

en de zwijnenhoeder, ze zouden allen komen, onmiddellijk, zooals zij

gekleed waren, midden-uit hun doening.

Ze kwamen, en ze stelden zich om den ridder en den heiligen man.

De monnik zag hen aan, één voor één, als wilde hij ieders gedachten

weten. Toen riep hij met vreeselijke stem:

"Één van allen ontbreekt. Doet hen allen komen, heb ik gezegd."

Verwonderd antwoordde de ridder:

"Zij zijn hier allen, allen."

De heilige man echter ging voort:

"Beziet het wel! Iemand uwer ontbreekt."

Één der knechten peinsde; en zeide plotseling:

"Heer! uw kamerheer is niet hier."

De ridder was verwonderd, keek om zich heen, en sprak vervolgens

toornig:

"Voorwaar, ik wist niet, dat hij zoo ongehoorzaam was. Gaat heen,

en doet hem komen."

De kamerheer trad in de zaal, doch niet als een gewoon mensch. Zijn

gelaat was vertrokken als van een gek, en hij schreide en schreeuwde.

De monnik ging naar hem toe.

"Ik bezweer u bij onzen Heer, Jezus Christus," zoo zeide hij, "dat

gij hier zegt, wie gij zijt."

De man sloeg zijne oogen neer, wrong zijne handen, en hij antwoordde:

"Ik moet de waarheid zeggen, tegen mijnen wil, ik ben geen mensch, maar

ik ben de duivel. De gedaante van een mensch heb ik aangenomen. Ik

heb hier dertien jaar gewoond, want mijn vorst heeft mij hierheen

gezonden, opdat ik met ijver zou wachten den dag, dat deze ridder

Maria niet zou groeten:

"O! intemerata et in eternum."

Want dan zou ik--als hij zijn oratie niet zou hebben gesproken--de

macht hebben gehad, om hem te dooden, en ter helle zou ik hem hebben

gevoerd--"

Hij zweeg. Met boosaardige stem vervolgde hij toen:

"Maar nooit heeft hij dat verzuimd, om te zeggen:

"O! intemerata et in eternum,"

en wijl hij dit nimmer verzuimde, had ik geen macht over hem, en ik

mocht hem niet dooden, en niet ter helle doen varen."

Nadat de ridder dit had gehoord, werd hij angstig, daar een zoo groot

gevaar had gedreigd. Hij viel op zijn knieën neer voor den heiligen

man en hij smeekte hem om genade. Hij verlangde zijn leven te beteren.

De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit. Hij beval

den duivel:

"In naam van onzen Heer Jezus Christus, ga van hier. Doet nimmer meer

een mensch kwaad, die Maria, de Moeder Gods dient."

Toen scheidde de duivel, en van hem bleef niets dan stank.

XL

Van eenen Koster en eene Kosterin

Twee Sint-Bernards-kloosters waren er, niet verre van elkander,

't een was van mannen en 't andere van vrouwen. Allen in de kloosters

leefden heilig in een heilig leven naar den regel der orde, en in elk

der kloosters was een persoon, koster in het convent. Beiden waren ze

vroom en van een geestelijk leven, ze hadden elkander lief in onzen

Heer Jezus Christus, en ze hielpen elkander, waar zij konden, al zagen

zij elkander nooit en al spraken zij ook elkander nimmer. Beiden waren

ze zeer devoot in den dienst van God en Maria, Zijne lieve moeder. De

koster dan had Maria, de moeder Gods zeer lief en met groote devotie

vereerde hij haar, zoodat hij te Harer eer een beeld deed maken,

zoo schoon als het wezen kon. Hij plaatste daarbij den duivel onder

Hare voeten, zoo leelijk als het wezen kon, waarom de duivel zeer

vertoornd was, ook omdat de koster Maria zoo liefhad. Dus kwam Satan

den koster eens in den nacht tegemoet in de gedaante, waarin hij was

afgebeeld onder Maria's voet. Smadelijk sprak de Duivel den koster toe:

"Waarom?" zoo vroeg hij, "hebt gij mij zoo leelijk gemaakt onder

het beeld van Maria? Tenzij gij mij ervan afstoot, zal ik het u doen

gevoelen, totdat het u berouwen zal. Zeer hebt gij mij vertoornd."

De koster was over Satan's wezen en woorden vol van angst, doch zijn

vroomheid overwon zijn vrees, en hij antwoordde hem:

"Ga weg van mij, duivel, ga heen--het is mij onverschillig, dat gij

me dreigt, want Maria, de moeder Gods, die ik dien, zal mij tegen

uwe handen beschermen."

De duivel ging heen, en er verliepen wel tien jaren--de koster was

't vergeten, wat er geschied was--toen kwam de duivel in eenen nacht,

om het den koster te doen gevoelen, dat deze hem zoo Teelijk had

afgebeeld. Hij kwam in de gedaante der kosterin en klopte aan zijn

deur. De koster nu was het niet gewoon, dat er des nachts eenig

geluid was. Daarom stond hij onmiddellijk op en ontsloot de deur,

roepend in den duister, wie er was.

De duivel zeide met fluisterende stem:

"Ik ben de kosterin van het vrouwenklooster, die u lang getrouw is

geweest, en naar u heeft gesmacht, in liefde. Om deze reden ben ik

tot u uit het klooster gegaan. Ik heb medegenomen de allerschoonste

juweelen en kleinodiën, waar wij lang van kunnen leven. Komt dan,

o kom haastelijk, zonder marren, en neemt, wat gij kunt krijgen en

dragen. Laat ons tezamen trekken uit het land."

Niet in zijn ooren alleen hoorde de koster de woorden klinken, maar

ook zijn ziel werd bekoord, zoodat hij geen antwoord wist te geven;

hij was overwonnen door's duivels fluistering, meenende, dat 't alles

waar was. Hij ging haastig heen. Hij verzamelde al het zilverwerk

en de juweelen, die hij kon krijgen uit het klooster, en hij deed

het in een zak; hij toog naar buiten, met den duivel, meenend, dat

deze de kosterin was. Toen zij een eind wegs waren gegaan, begon de

duivel te klagen.

"Ach! ach! wee mij, ik heb in uw klooster vergeten het allerschoonste

kleinood, dat ik had. O! blijf hier, en wacht op mij. Ik zal snel

loopen en ik kom spoedig weerom."

De koster geloofde hem en hij bleef bij den zak in het land zitten. De

duivel echter ging in het klooster, en riep luide:

"Waakt op! waakt op! en vervolgt den koster, den dief, want hij heeft

al de juweelen van het klooster gestolen en is daarmee weggeloopen."

De abt stond op, alle broeders stonden op en ze vonden alle sloten

ontsloten en de juweelen waren weg. Ze liepen uit het klooster,

den koster na, dien ze niet ver van het klooster vonden zitten,

met het goed, dat hij gestolen had. Ze vatten hem, ze ondervroegen

hem, maar hij wist geen antwoord te geven, omdat hij beangst was

en beschaamd--daar hij niet begreep, hoe hij in al den last was

gekomen. Ze voerden hem in het klooster, ze wierpen hem in den kerker,

en ze sloten hem met beide voeten in den stok. De abt beval één van

de monniken te luiden als het tijd was, en daarna gingen allen weder

ter ruste.

De koster zat onderwijl in den kerker, en hij voelde zich door zijn

grooten angst bezwaard. Jammerlijk schreide hij, daar hij zoo door

de verleiding was overwonnen--nergens wist hij troost of raad te

vinden, tot hij zich gaf met devotie aan Maria, de moeder Gods,

die een troosteres is van allen, die bedroefd zijn.

"O Maria, maagd en moeder Gods, lieve barmhartige vrouw, ontfermende

u over de zondaars, daar gij weet, dat ik u heb gediend, devoot van

hart, bid ik u om der wille Uwer barmhartigheid, wil mij bijstaan in

den nood, waarin ik ben verkeerd."

Al biddende aldus, alleen zijn hoop strekkende naar Maria, de moeder

Gods, kwam de duivel bij hem in de gedaante, zooals hij hem had doen

maken onder het beeld van Maria, en begon te spotten met den koster.

"Hoe heb ik u thans behandeld?" vroeg hij. "Ik heb 't u beloofd, dat

gij door uw berouw zoudt worden gekweld. Gij hebt mij leelijk gemaakt,

en ik heb u uw loon gegeven."

De koster, ocharme! hij was beschaamd en terneergeslagen, hij wist

niet, wat hij moest antwoorden, en hij zweeg.

De duivel zeide, en alle list had hij verborgen diep in zijn hart,

zoodat er niets van uit-klonk in zijn stem; ootmoedig zeide hij:

"Nu heb ik u uw loon gegeven, maar toch heeft Maria, die gij dient,

medelijden met u, en ze heeft mij met Hare macht gedwongen, om te doen,

wat ik slechts noode doe."

De duivel trok den stok op, en hij verloste den koster.

"Ga eruit," zoo beval hij hem.

De duivel nu ging in den stok zitten, de gedaante des kosters

aannemend.

De koster sloop zijn cel weder binnen, zonder dat iemand hem zag. In

zijn cel was hij blijde, en hij dankte en loofde God en Maria, zijn

lieve vriendin, omdat ze hem had geholpen vol goedertierenheid. Hij

wachtte op den tijd dat hij zou moeten luiden, en toen het tijd was,

luidde hij.

Dit hoorde de monnik, dien de abt had bevolen 's kosters plaats te

vervullen, en hij verwonderde zich. Haastig ging hij in de kerk en

hij vond daar den koster, luidende de klok. Vol angst was hij, want

hij had gezien, dat men den koster in den stok had gesloten, en hij

ging tot den abt en de monniken, zeggende, dat de koster uit den stok

was gebroken. De abt en de broeders gingen naar den kerker, dien zij

gesloten vonden, en zij openden daarom de deur. Ze zagen toen, dat de

koster in den stok was. Vervolgens togen zij ter kerke, en daar stond

de koster, en luidde de klok. De abt zeide daarop tot de broeders:

"Den ganschen nacht heeft de duivel ons bespot."

Hij nam een kwast met gewijd water, en hij besprenkelde er den koster

mede, die het ootmoedig ontving. Daarna ging de abt met de monniken

naar den kerker, en hij wierp den duivel, in de gedaante van den

koster, ook met gewijd water. Satan vloog heen, en hij liet grooten

stank achter. Hieruit bemerkten zij, dat het de duivel was, die alle

deze moeite had gegeven, en zij vonden geen fout in den koster,

die met de hulp van onze lieve Vrouwe Maria voortging in deugden,

Maria, de maagd en moeder Gods heel zijn leven dienende, zijn leven

lang. In 't geheim zond hij een bode naar het klooster der vrouwen,

om te onderzoeken, of de non ooit uit het klooster was geweest, en

of ook iemand wist, wat er des nachts bij hem was geschied. Niemand

had daar iets vernomen, en de koster biechtte den abt alles.

Nadat de koster was gestorven, openbaarde dit de abt aan allen, die

Maria, de maagd en moeder Gods dienen, tot een exempel: dat Zij, Maria,

hen, die haar getrouw zijn, in geenen nood laat en hen vertroost.

XLI

De Bergtoren van Deventer

Twee torens staan er op de Bergkerk van Deventer, en men zegt, dat

de eene iets grooter is dan de andere. Van twee zusters vertelt men,

haar namen waren: Martha en Beatrix.

Eens waren ze gelijk van rijkdom, gelijk van vroomheid, maar Martha

was iets grooter dan Beatrix, en daarom verschillen ook de torens

der Bergkerk van lengte, zoo vertelt de sage.

Nooit speelde Martha zonder Beatrix, Beatrix zonder Martha, toen ze

kinderen waren. Tezamen zochten ze de bloemen aan den zonnetintelenden

IJsel, de madelieven en de boterbloemen, eeuwig 't eerste wonder des

levens voor alle kinderen van Nederland.

Het was Palmpaschen, en beiden hadden ze een vogeltje van brood op

een stokje. Ze zongen hetzelfde liedje:

"Palm--palm--paschen

Eikoerei--eikoerei,

Noe nog êêne Zundag

En dan kriege we 'n ei

En dan kriege we 'n ei

Één ei is geen ei

Twêê ei is een half ei

Drêê ei is een Paaschei."

Het was Pinksteren, en ze dansten, hand in hand, met de anderen om

de Pinksterkroon. Het was Paschen en ze stonden bij de vuren, die

allerwege laaiden. Ze hadden later, toen ze jonge meisjes werden, de

herinneringen der jeugd gemeen, en daarom hadden ze elkander lief. Ze

behoefden hierover nooit met elkander te spreken: eensgezind waren

ze zonder woorden. Zoo bereikten ze den leeftijd, dat het verlangen

naar liefde liefelijk is, en een teeder, nooit-gezegd geheim.

Er kwam uit verre streken een ridder, die al veel liefde in zijn leven

had gekend. Dit was te zien in zijn oogen, die een diepen glans hadden,

en het was te hooren aan zijn stem, vroolijk als dansmuziek. Hij

was niets dan jeugd. Hij was voor ieder, die hem tegenkwam, gelijk

een blijde herinnering. Het duurde niet lang, of Martha en Beatrix

ontmoetten hem, en beiden lachten ze om zijn leutig wezen, de liedjes,

welke hij zong, en de grappen, die hij bedreef. Gezamenlijk bespraken

zij het, hoe schoon van gestalte ze hem vonden, en ze waren beiden

gaarne in zijn gezelschap. Toen kwam de dag, dat Martha over hem zweeg,

en Beatrix alleen over hem praatte.

"O! bleef hij hier, instee van verder te gaan--" zoo zeide

Beatrix--"want in Deventer is er geen, die aan hem gelijk is, vindt

gij wel, zuster? 't Schijnt me, of voortaan mijn leven zonder hem dor

zal zijn, ja, ge zult mij wel gelooven, als ik u zeg ... dat ik soms

verlang: "o! had ik hem niet gekend."

Maar eens hoorde Beatrix in de kamer, waar ze met Martha sliep, zacht

snikken, en verschrikt vroeg ze, waarom haar zuster weende. Ze kreeg

geen antwoord, en den volgenden morgen herhaalde ze haar vraag.

"Ik geschreid?" glimlachte Martha. "Dat beeldt gij u in. Den ganschen

nacht heb ik rustig geslapen."

Beatrix nu geloofde haar. Eenige maanden later echter hoorde ze

wedernacht schreien, en daarom vroeg zij, waarom Martha leed. Hoe

verwonderd was ze, toen deze haar rustig zeide, dat er niets was,

en dat ze slechts even wakker had gelegen.

Spoedig zou Beatrix dit alles vergeten. Want ook voor haar kwam het

leed. Een dag zeide haar de ridder:

"Ik moet u verlaten, zoete Beatrix."

Na dien weende zij in den nacht. Maar _zij_ ontkende het niet, toen

Martha haar zeide, dat ze haar had hooren schreien.

Ze boog zich over tot haar zuster.

"Heb ik 't u niet gezegd," zoo klaagde zij, "dat 't beter ware geweest,

als ik hem nooit gezien had! Ay mij--zusterlieve--het is mij niet wel

te moede. Ik ben angstig om te leven. Zou de dood nabij mij wezen? Ik

voel geen krankheid, maar o! het is mij, of ik erger ben dan ziek,

en of ik voortaan alle nachten zal schreien." Martha nam hare hand,

en streelde ze. Vast klonk haar stem.

"Ge hebt te veel over den jongen ridder gedacht, die Deventer

verlaat. Beatrix! luister niet naar zijn stem, en volg hem niet over

de wegen, die hij kiest. Blijf bij uw zuster, die u meer liefheeft

dan hij, en bij wie ge veilig zijt."

"Ik zal niet naar hem luisteren," zoo beloofde Beatrix.

Ze ontmoette hem den volgenden dag niet, doch den daaropvolgenden

zocht ze hem. Het was op een stille plaats bij de rivier, waar de

vlugge Koerhuisbeek in den IJsel valt. Daar smeekte ze hem, om de

stad te verlaten, zoo spoedig mogelijk.

"Waarom dan--" lachte hij lichtzinnig, "zijt ge bange voor mij?"

"Ik weet niet waarom--ik weet niet waarom--maar mijn hart dringt

me--ik ben bange voor u--ga heen--blijf--ga heen--"

Hij zag haar aan, en hij vond haar schooner dan eenig meisje, dat

hij ooit had gezien. Hij dacht erover na, hoe dwaas het zou zijn,

alleen verder te trekken, en haar in de stad achter te laten. Hoe

had hij niet eerder ontdekt, hoe waardig ze was tot liefde, en koen

beschouwde hij haar.

"Beatrix," zoo lachte hij, "ik zou niet heengaan, als gij in de stad

blijft, want ik zou geen rust meer kennen, en aan Deventer moeten

denken als een moede vogel aan zijn nest. Ik kan niet meer zonder u

en toch moet ik u verlaten."

Zijn stem werd angstig, terwijl hij haar handen in de zijne nam.

"Vaarwel, Beatrix--vaarwel! Ik min u--vaarwel! Gij zult nooit meer

vragen, waar ik ben, en toch, waar ik ben, zal ik aan u denken. Als

ik gewond word, en mijn wonden mij pijnigen, zal ik naar uw zachte,

troostende handen verlangen--"

Ze zag hem aan.

"Heb _mij_ niet lief," smeekte ze, "heb Martha lief."

Rustig antwoordde hij.

"Martha kan ik niet lief hebben. Nooit denk ik aan Martha, zonder

aan u te denken. Doch laat ons van elkander gaan, en elkaar nooit

weer zien. Vaarwel, Beatrix, en vergeet me."

Ze staarde voor zich uit, en in haar ooren klonk de stem harer

zuster. Was ze bij Martha veiliger dan bij den ridder? Angstig

vluchtte ze, zonder hem te antwoorden. Bij Martha schreide ze, en

ze bekende haar alles, ook, dat ze hem had gevraagd, om Martha lief

te hebben. Martha vroeg niet, wat de ridder had geantwoord. Ze sloot

haar in de armen.

"Vergeet, zusterlief. Vergeet hem, of ge zult uzelf vergeten."

"Ik zal hem vergeten."

Hij reed 't huis voorbij, en ze hoorde zijn stem. Doch ze trad niet

naar buiten. Verre klonk zijn lied.

"Het waren twee conincskinderen,

Si hadden malkander soo lief

Si konden bi malkander niet komen,

Het water was veel te diep."

Angst was er in haar hart, na haar belofte, dat zij hem vergeten

zou. Bovenal waren voor haarde nachten vreeselijk. Zoodra het donker

werd, en zij probeerde te slapen, werd de nacht een levend, dreigend

wezen voor haar, en met wijdopen oogen staarde ze naar de vreeswekkende

gedaante, die zich over haar heenboog, met wreede stem roepende:

"Vergeet hem, dien ge niet vergeten kunt. Spoedig zal hij heengaan, en

beiden zult ge eenzaam zijn. Als hij gewond is, zijt gij niet bij hem."

Soms spotte de nacht met haar.

"Ge zijt hem toch vergeten, hoe komt het dan, dat ge aan zijn naam

denkt? Beatrix, meent ge, dat ge gelukkig zult worden, als ge in een

klooster gaat, want ge zult toch niet hier blijven wonen, waar ge

hem iederen dag hebt gezien? Zal ik hem u eens vóórtooveren?"

Dan trad de gedaante van den nacht terug, en in den luister des

lichts stond rank en recht de jonge ridder. Als zij de armen naar hem

uitstrekte, verdween hij weder. Eens kwam er een visscher voorbij

haar huis, die aan de deur klopte. Hij liet haar een visch zien,

dien hij gevangen had, en hij vroeg haar, of ze dien wilde koopen,

voor den maaltijd van haar en haar zuster.

"Hoeveel deze visch?" vroeg ze, bereid tot koopen.

Instee den prijs te noemen, begon hij te lachen. Zij riep driftig:

"Neem den visch weer mede, en ziet, dat gij hem verkoopt, waar gij

niet lachen zult."

"Moet ik dan niet lachen--als ik in dienst van een rijk heer sta?"

"Ik heb met uw grappen niet van doen. Ga heen."

"Ik zal heengaan," sprak hij, "maar niet, voordat ik u heb gezegd,

dat morgen vóór den avond mijn heer u wacht--bij de Koerhuisbeek--waar

ge hem al eerder hebt ontmoet."

Ze legde de hand aan haar hart. Ze zeide met zachte stem:

"Zeg den ridder, dat ik niet zal komen."

"Hij doet u weten," hernam de visscher, "dat hij Deventer wil

verlaten. Hij is er zeker van, dat ge komen zult, en nog iets droeg

hij me op, u te zeggen: ge zult er niet met uw zuster over spreken."

"Dat had ik nu niet gedaan--maar zeg uw heer, dat hij alleen zal

trekken, en mij niet wachten zal."

"Mijn heer heeft gezegd, dat ik u dezen edelsteen tot pand zal reiken,

van groote waarde. Ge moogt dien behouden, ook al komt ge niet. Doch

de steen is hem een bewijs, dat ge hem niet zult laten wachten."

Ze bezag den schitterenden steen, en ze week terug. Want hij lag,

vloeiende van verleidend licht op haar hand, en ze wist, dat hij

haar liefde hooger schatte dan aardschen rijkdom. Toen wendde ze haar

gelaat af van deze flonkering.

"Geef den emerant aan uwen heer terug, want ik wil hem bewijzen,

dat ik niet komen zal. Zoowaar ik u den steen geef, zoo waar zal ik

niet komen."

"Behoud den emerant," sprak de visscher, "daar hij van u is. Ik heb

geen recht hem terug te vorderen. Mijn heer verwacht u."

Hierop vertrok hij met den visch. Beatrix bleef alleen achter, en

nu ook was het licht genadeloos voor haar, en de dag was een wreede

gedaante, een reus met vreeselijke stem, die zijn groote handen zwaar

op haar schouder legde. Ze zocht rust in den schemer van haar huis,

bij Martha, hare zuster, doch de dag volgde haar met onbarmhartigen

tred en gebaar. Ze hoopte, dat de nacht wel troost zou brengen, en

haar van den druk zou bevrijden. Al kwam loom de nacht, eerst met

zware groeven en voren van het avonddonker door den glans, toen met

volle duisternis, geen verandering bracht hij voor haar, want even zoo

huiveringwekkend boog hij zich over haar heen. Ze kende geen slaap,

ze moest denken met bonzend voorhoofd aan den morgen, en den ridder,

die haar bij de Koerhuisbeek wachtte.

Zonder afscheidsgroet verliet ze hare zuster) en ze kwam aan de

beek. Den emerant droeg ze in haar vingeren. De ridder wachtte haar,

en hief haar op zijn paard. Zoo verlieten ze tezamen de stad, en

niemand in Deventer heeft hen ooit weer ontmoet.

Martha werd ouder, en slechts leefde zij in één verlangen dat ze nog

eens haar zuster zou zien, die terugkeerde, om rust bij haar te zoeken

en te vinden. De dagen en de nachten gingen voorbij, doch van Beatrix

hoorde ze niets. Maar toen ze zou sterven, deed zij den priester bij

zich komen, en ze zeide hem:

"Ter nagedachtenis van de liefde van mijn zuster en mij, wil ik van

mijn geld een kerk doen bouwen op den berg. Twee torens zullen erop

worden gebouwd, de een iets grooter dan de ander, twee kinderen van één

vader gelijk, en onafscheidelijk. Zoo zal eeuwig blijven de gedachte

aan onze liefde en na onzen dood althans zullen er twee zusteren zijn,

die elkander niet verlaten."

XLII

Een schoone historie van de Vier Heemskinderen

Het Pinksterfeest werd gevierd, en vele dappere ridderen waren bij

Keizer Karel te gast.

Huigen van Dordoen naderde den Keizer, en hij sprak:

"Wilt gij niet mijn ooms Aimijn van Dordoen en Aimerijn van Nerboen

beloonen? Vele diensten hebben zij u bewezen." Keizer Karel zeide:

"Zij hebben het mij zelf dikwerf gevraagd, ik gaf hun niets en zal

hun niets geven."

Huigen van Dordoen ging voort, zijn woorden te zeggen, welke niet

alle van pas waren voor 't oor des heerschers. Deze werd driftig, en

greep zijn zwaard. Toen werd de ridder door 's keizers hand gedood. De

vloer der zaal was nat van zijn bloed.

Nu was de oorlog in het land, en de bloedwraak werd gezworen. Aimijn

wilde den dood van Huigen niet straffeloos dulden, en hij toog met

zijn vrienden ten strijde. Toen werd hij in den ban geslagen, en hij

moest gehoorzamen, tegen den drang van zijn ziel.

Karel's vrienden verzamelden zich, en ze kwamen tot den keizer.

"Vrede! Vrede! Vrede tusschen u en Aimijn van Dordoen." En de keizer

zeide:

"Het zij zoo."

Hij bood Aimijn verzoening. Geen bloed zou er meer tusschen hen

zijn. Neen, ze zouden vrienden worden, en keizer Karel had een dochter,

Aye, die schonk hij Aimijn tot vrouw. Maar Aimijn wrokte binnen-in

de geheime diepten van geest en bloed, en hij zwoer:

"Aye is van 's Keizers geslacht, en zoo zullen haar zonen zijn. Haar

zonen zijn mijn vijanden, en bij hun geboorte zullen zij gedood

worden."

Aye, dit hoorende, werd zeer bevreesd, en wanneer ze een kind

verwachtte, verliet ze Aimijn's slot heimelijk. Vier zonen werden

haar geboren, zonder dat de vader dit wist. Zij werden in een klooster

opgevoed, en hun kracht wies. De jongste van de vier echter was groot

en sterk boven de andere, gelijk een valk boven den sperwer.

Toen ze dan jongelingen waren, ging Aye een dag naar Aimijn, en

ze vroeg:

"Edele Heer, als gij kinderen had, hetzij weinig, hetzij vele, zoudt

gij ze dooden?"

"Vrouwe, had ik kinderen, ik zou hen liefhebben."

"Voorwaar heer--" zeide de edele vrouwe, "ge hebt gezworen, dat ge

hen zoudt dooden."

"Eeden gezworen in verbolgenheid zijn geen eeden. Had ik kinderen,

ik zou vroolijk wezen."

"Gaat met mij en ge zult uw kinderen zien."

Toen beproefde Aymijn den moed zijner zoons, en hij tartte hen, zoodat

Reinout hem ter aarde hieuw. De grijsaard lag op den grond en smeekte:

"Edele jongelingen, slaat mij niet, ik ben uw vader en hedenavond

nog zal ik u ridder maken."

"Zijt gij onze vader--," riep Reinout uit, "het doet me leed, dat ik

u geslagen heb."

Aymijn echter was blijde, dat zijn zoon onbevreesd was.

Den avond sloeg de vader hen tot ridderen. Maar ze hadden nog geen

paarden, om te rijden en te strijden naar ridders-wijze, en men voerde

voor Reinout sterke rossen, welke hem te zwak waren, en hij sloeg ze

dood met de vuist of drukte ze met zijn knieën de lendenen stuk. Aymijn

was zeer verblijd hierover, zooals men wel begrijpen zal. Hij zeide:

"Zoon, ik weet een paard voor u, dat de kracht van tien rossen

heeft. Beyaert is zijn naam, en hij staat in een sterken toren. Hij

is van 't geslacht der dromedarissen, en zoo ge erop rijdt, kunt gij

een sperwer in zijn vlucht kortwieken."

Reinout temde het edele ros Beyaert met gevaar van zijn leven, en

het paard droeg hem over twee wijde grachten met één sprong. Beyaert

stond daarna bevende voor hem, en hij boog zijn pooten tezamen,

eerbiedig nijgende. Reinout reed op Beyaert, en zijn broederen op

andere paarden. Als Reinout op Beyaert zat, beefde de aarde en het

vuur sprong uit de steenen. En Aymijn met zijn kinderen werden ten

hove genoodigd, omdat Lodewijk, keizer Karel's zoon, werd gekroond

als koning van Frankrijk.

Zij gingen, de Aymijn's of Heemskinderen, met hun vader, allen

welgewapend, zooals ridderen ten strijde trekken. Een bode kwam hen

tegemoet, en deze vroeg:

"Ontwapent u."

Aymijn deed aldus, en daarna trok hem Karel met zijn baronnen en zijn

jonkvrouwen tegemoet. En de beiden spraken vele vriendelijke woorden

tezamen. Lodewijk zeide niets, noch tot Aymijn noch tot zijn kinderen,

want er was boosheid in zijn hart, omdat de keizer zijn doodsvijand

was gaan begroeten.

En de baronnen en jonkvrouwen zeiden tot elkander:

"Is dit Reinout, Aymijns zoon? Hij is de mannelijkste en schoonste

jongeling van het Christenrijk."

Dit hoorde Lodewijk, en het bedroefde hem, daar hij ook schoon was

van aangezicht en groot van lijf; en op velerlei wijzen tartte hij

de broeders sinds dien, ook na zijn kroning. Reinout's roem werd hem

tot schande, want hij, die afgunstig is, gevoelt de eer een ander

gegeven als oneer voor zichzelven.

Ten laatste kon Reinout, de jonge held niet meer leven, zonder zich

te breken uit zijn schande en schaamte; met Adelaert, zijn broeder,

dien Lodewijk had geslagen, ging hij in de zaal. Ze hadden een mantel

om, en in hun hand droegen zij het barre, bare zwaard. Keizer Karel

stond bij zijn zoon, en Reinout en Adelaert liepen door de menigte,

tot ze bij hen waren. Zij groetten den keizer, doch Reinout greep

koning Lodewijk bij het hoofd, en hij sloeg het af, om het tegen den

muur te werpen. Het spatte bloed, dat tegen 's konings gelaat aansloeg,

druppelen bloed. De keizer werd zeer vertoornd en riep:

"Edele baronnen, die mij liefhebben, helpt mij wreken den dood

mijns zoons."

Toen stonden alle baronnen op, en ze wapenden zich. Er was een groot

gevecht, waarin Aymijn gevangen werd genomen. Maar Reinout en zijn

broeders vluchtten op het ros Beyaert, en zij ontvloden den toorn

des konings, tot waar zijn hand niet reiken kon; doch niet gelukkig

is de banneling, want men onthoudt hem zijn recht.

Zij reden op het trouwe, sterke ros Beyaert, dat hen droeg van land tot

land, en Beyaert was een ridder mede, hij werd gewond, zoo de broeders

gewond waren. Eindelijk kwamen ze in 't land van koning Iewijn,

en nadat ze dezen vier jaren hadden gediend in nood en dood, schonk

hun de edele vorst een rots, waarop Reinout een kasteel liet bouwen,

dik van muren en met sterke torens. Hij noemde het Montalbaen. Koning

Iewijn gaf Reinout zijn dochter tot vrouw. Clarisse was de naam der

schoone maagd.

Keizer Karel was nog zeer vertoornd over den dood van Lodewijk, zijn

zoon, en hij zond koning Iewijn een brief. Wat er in den brief stond,

kan men lichtelijk raden: dat de keizer boos was op den koning, daar

hij de Heemskinderen land had gegeven en hun groote eer had bewezen.

Hij deed in 't land rijzen een groot leger, en hij sloeg het beleg voor

Montalbaen, Reinout's veste. Doch niet ving hij de vier Heemskinderen,

en na een jaar moest hij aftrekken, weinig tot zijn eer.

Reinout's hart verlangde ernaar, zijn moeder weer te zien, en hij

zeide dit tot Adelaert, die verstandig was als raadsman.

"Wat wilt gij!" zoo riep deze, "weet gij niet, dat vader en moeder

voor Karel uw dood hebben gezworen?"

"Broeder! neen, dit tel ik niet, want de ouders hebben natuurlijk hun

kinderen lief; daarom, het ga, zoo het gaat, ik wil moeder wederzien."

De broeders overvielen de pelgrims, die naar Jeruzalem waren geweest,

en zij gingen in pelgrimspijen naar het slot Pierlepont, waar Aymijn

woonde. Zij vonden het gesloten en zij klopten aan. De portier kwam,

en hij vroeg:

"Wat is uw begeeren?" Reinout antwoordde met oude stem:

"Vriend! laat ons binnentreden in het slot Pierlepont, vier pelgrims

zijn wij, die hebben gezworven van stad tot stad en land tot land;

we hebben zulk een honger en dorst, wij bidden en smeeken u, laat

ons binnen."

"Neen--niet ik! want een kwade mare is tot ons gekomen, dat onze

Heeren in Frankrijk zijn gevangen, Ritsaert en Writsaert, Adelaert

en Reinout."

Heilige woorden zeide Reinout en de portier liet hen, deze hoorende,

binnen. De vier Heemskinderen traden in de zaal, en daar zat hun

moeder. En allen zeiden:

"Vrouwe, God geve u goeden dag."

Dit zeide de vrouwe, Aye, de moeder van Ritsaert en Writsaert,

Adelaert en Reinout:

"God loone 't u, pelgrims."

Zij gaf hun te eten en te drinken. Zij schonk goeden wijn, en Reinout

ledigde twee schalen, en de vrouwe was verwonderd. Zij sprak:

"Vanwaar zijt gij gekomen, pelgrim, dat ge den sterken wijn zoo

drinkt? Tien ridderen drinken niet zooveel als gij alleen." Reinout

antwoordde haar.

"Geeft mij nog eens van den wijn, wilt gij?"

Nadat hij de derde schaal had geledigd--de schalen waren van goud--riep

hij uit, dronken:

"Vrouwe, ik wilde, dat ik meer had, want had ik nog een schaal, mijn

oom Karel zou ik niet ontzien." Adelaert, uitmuntende in verstand,

schrok van deze woorden, en hij stiet Reinout met den elleboog aan,

zoodat deze ter aarde viel, en hij bleef liggen, gelijk een doode:

ja, zoo dronken was hij. Maar wie ter wereld was gelukkiger dan Aye,

de moeder? Zij nam Reinout in haar armen, ze kuste hem, ze kuste hem,

gelukkiger dan ooit een levend mensch wezen kan; men meende, dat zij

sterven zou om der wille van deze vreugde. Adelaert, de wijste der

broeders, nam haar in zijn armen en voerde haar van Reinout weg.

Een verspieder naderde thans vrouw Aye, en hij zeide:

"Vang Reinout, en levert hem over aan keizer Karel, want aldus hebt

gij gezworen." Doch vrouwe Aye antwoordde hem:

"Mijn hart kan mijn kinderen geen kwaad doen: noch om het leven noch

om den dood zou ik mijn kinderen verraden."

Ook Aymijn vernam, dat zijn zonen in de zaal waren, en hij deed zijn

baronnen zich wapenen. Reinout lag ter aarde, dronken van den wijn,

en Ritsaert en Writsaert en Adelaert stelden zich te weer, twee dagen

lang. En Reinout lag ter aarde; toen de derde dag kwam, ontwaakte hij,

en hij zag zijn broeders strijden.

Hij verhief zich en sprak:

"Broeders staat achter mij, gij zijt moede geworden, uw slagen zijn

te zwak."

Reinout sloeg met zijn zwaard om zich heen, en men vreesde hem als

den dood zelve. Reinout doorbrak de schare, tot hij bij zijn vader

was, en hij wilde hem met het zwaard verslaan. Adelaert volgde hem,

en hield hem tegen.

"Broeder--" zeide hij verstandig, "wat wilt gij? Nimmer zouden wij

de schande ontwijken, noch voor God verzoenen, noch ooit kunnen komen

bij een edelman; en Karel zoude ons nimmer vergiffenis schenken!"

Reinout echter zeide:

"Voorzeker, ik zal hem leeren zijn kinderen te belagen."

Hij bond zijn vader handen en voeten en legde hem op een paard ter

neder. Een jongeling kwam voorbij, en Reinout beval hem Aymijn naar

keizer Karel te brengen. De jongeling weigerde, en de edele ridder

sloeg hem een hand en een oor af, en stak hem een oog uit. De jongeling

had slechts één hand, één oor en één oog over, en angstig werd hij

voor verder verlies. Dus bracht hij Aymijn naar Karel, en dikwijls

vervloekte hij Reinout onderweg.

Ze kwamen te Parijs, aan Karel's hof; de knaap klopte aan de poort,

en de portier opende, en hij vroeg:

"Vanwaar komt ge? Wien hebt ge daar gevangen?"

"Het is de graaf Aymijn van Nerboen."

De portier liet het paard doorrijden, tot in de zaal. En Aymijn was

aan handen en voeten gebonden. Hij klaagde den keizer zijn nood,

en op maakte zich Karel met een geweldig leger, om de Heemskinderen

te belagen. Reinout ontvluchtte, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert

werden gevangen. Niet met geld, dat Reinout beloofde, niet met geweld,

waarmede Reinout dreigde, werden ze bevrijd; neen, door de toovenarij

van hun oom Malagijs. Met list trachtte nu de keizer Beyaert en Reinout

te vangen, en 't lukte niet. Hij beloofde koning Iewijn veel goud,

en de koning minde het goud zeer. Om het goud zeide hij, dat hij

Reinout en zijn broeders zou uitleveren, en hij wilde hen verkoopen

voor twintigduizend kronen. Daarom ging koning Iewijn haastelijk naar

Montalbaen, en hij zeide:

"Ik heb vrede gemaakt tusschen Karel en u."

"Heer koning! blijde ben ik hierom, doch zeg mij, wat moet ik den

keizer geven? Zal ik hem te voet vallen?"

"Gaat henen te Vaucoloen, om u met den keizer te verzoenen. Gaat

henen barrevoets."

Reinout wilde hem kussen, want dankbaar en gelukkig was hij. Maar al

verkocht de koning hem voor twintigduizend kronen, den kus wilde hij

niet ontvangen.

"Reinout, kus mij niet, want mijn hoofd smart mij."

De vier ridderen reden op muilezelen naar Vaucoloen, en koning Iewijn

meende, dat ze ongewapend waren.

Wat had Reinout's vrouw, Iewijn's dochter, gedaan? De schoone Clarisse

.... Ze had Ritsaert vier zwaarden gegeven, die hij heimelijk onder

zijn mantel borg.

Ze kwamen te Vaucoloen en ze zagen veel krijgsvolk.

Toen waren de broeders zeer bedroefd, en ze zeiden:

"Reinout, laten wij vluchten, want koning Iewijn heeft ons verraden."

Ritsaert gaf Reinout het goede zwaard, dat Florenberg heette, en ze

streden met veel moed. Doch een dienaar van Reinout zag in de sterren,

welk gevaar de broederen leden, en hij zeide het Malagijs: deze reed

op het ros Beyaert tot redding. En het trouwe paard hielp mede hen

te bevrijden, gelijk een krijgsman.

Veel strijds was er nog tusschen den keizer en de broeders, tot vrouwe

Aye in de legerplaats trad, en ze viel voor haar broeder op de knieën,

smeekende om verzoening. En Karel zeide:

"Wil mij Reinout Beyaert leveren, dat ik daarmede handel naar mijn

wil, Beyaert, die hen uit zoo groote gevaren heeft gered, zoo geef

ik hem vergiffenis en anders niet."

Toen ging de vrouw tot aan het slot Montelbaen, en ze klopte aan

de poort, en men deed haar binnengaan. Zij kwam met een tijding van

vreugde, en onder deze vreugde klonk doffe smart; zij kwam met een

tijding van smart, en daaronder tinkte een belletje van vreugde. Ze

zeide tot Reinout, wat keizer Karel had bevolen, en Adelaert riep

toornig tot Reinout, die het weder vertelde aan zijn broederen:

"Hoe durft gij met zulk een ding voor ons te verschijnen? Zijt gij

buiten uw zinnen? Liever duld ik onvrede met den keizer, mijn leven

lang, voor ik dat deed."

De broederen Ritsaert en Writsaert spraken in denzelfden klank.

Reinout zag hen aan en hij sprak:

"Ten goeden tijd, ter zaliger uur is het geweest, dat ik won het

Beyaert ros; door Beyaert zal ik lossen onze schuld en ontgaan het

groot gevaar. Ik zal Beyaert geven." Hij ging naar zijn moeder, en

niemand zag zijn leed. Hij zeide haar, dat hij volgaarne het paard

den keizer gaf. Zij was blijde, en ze toog uit, om haar bodedienst

voor den keizer te verrichten.

Karel beidde het ros Beyaert, en beidende sprak hij:

"Zij doen het tegen hun wil, want zij wachten zeer lang."

Eindelijk kwamen Reinout en zijn broeders, hand in hand, en met hen

voerden ze het paard.

Reinout zeide:

"Doet er mede naar uwen wil."

De keizer leidde het ros naar de brug van de Oise en hij deed het

twee molensteenen om zijn nek. Hij liet het in de rivier werpen. Hoog

spatte het schuim, en Beyaert zonk; hij kwam dadelijk weder boven

en ging zwemmen. Toen zag Beyaert zijn meester, en hij verbrak de

steenen. Hij zwom naar het land, alwaar Reinout stond.

De keizer beval:

"Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen."

Reinout gaf Beyaert, en de keizer deed aan iederen hoef van Beyaert

een molensteen binden, en met twee bezwaarde hij diens nek. Hij deed

het werpen in de rivier. Hoog spatte het schuim en Beyaert zonk;

hij kwam weder boven en ging zwemmen. Adelaert sloeg zijn armen om

Beyaert en kuste hem.

De keizer beval:

"Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen en hangen."

Adelaert zeide:

"Vloek u Reinout, zoo gij Beyaert weg-schenkt."

Doch Reinout:

"Niet wil ik hebben den toorn des keizers om een paard."

En Adelaert weder:

"Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht

loon wordt gij betaald."

Reinout gaf den keizer Beyaert.

"Dit is de derde maal, dat ik u Beyaert geef, het is de laatste maal,

want mijn hart kan het niet lijden."

De keizer zeide:

"Reinout, wend u niet om, opdat het ros u niet zien kan, want zoolang

het u ziet, zal het niet sterven."

Reinout zwoer een eed, dat hij zich niet zou omwenden.

Toen deed de keizer Beyaert aan elken hoef binden twee groote

molensteenen, en aan den nek twee, en aldus deed hij hem werpen in

de rivier.

Nog eenmaal kwam Beyaert boven, en den kop hief hij hoog, en boog

tot zijn heer, als ware hij een mensch, die had geschreid om zijn

lieven vriend.

Ten laatste zonk hij, en hij verdronk. En Reinout weende, en hij trok

naar het woeste woud, en hij werd een pelgrim.

XLIII

Ferguut, Ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel

Personen voorkomende in de Ferguut.

Koning Arthur.

Perchevael.

Gawein, neef van Arthur.

Genovere, vrouw van koning Arthur.

Keye, tafelmeester aan het hof.

Ferguut, zoon van den boer Somilet.

Galiëne, zijn geliefde.

Lunette, haar kamerjuffer.

IJwein, een ridder.

Laquis van Portegale, een ridder.

Lanceloot, een ridder.

Bohort, een ridder.

Sagremort, een ridder.

Agravein, een ridder.

Gariec, een ridder.

Galarant, Ferguut's vijand, koning, die Galiëne's stad

belegert.

Macedone, diens neef en kampioen.

Lokefeer, een reus, vijand van Ferguut.

Barlebaen, een booze geest, zwart als een duivel. Vijand

van Ferguut.

Roovers. Een nar.

Ferguut's paard, dat hij Lokefeer ontnam, heet Pennevare.

SECTION I

Ferguut trekt op avonturen uit

Het was in den Pinkstertijd, en het blijde zonlicht was overal. Dit was

geen dag voor koning Arthur en zijne ridders, om stil te zitten in de

burcht Caradigaan, het was een dag, om te jagen. Koning Arthur kwam

tot zijn heeren, tot Gawein en IJwein, tot Perchevael en Lanceloot,

tot Keye en Sagremort.

"Niet wil ik zitten," sprak hij, "want het weder is schoon en

klaar. Jagen wil ik in 't woud van Goriënde het witte hert, dat zal

hooren het geblaf mijner honden. Mijn wil is, dat gij mijn wil doet."

"Wij zijn wel bereid," zeide Gawein.

De edelknapen sprongen op, en ieder zadelde het paard van zijn

heer. Koning Arthur nam zijnen horen, en hij reed voor zijn baronnen,

het woud tegemoet. Dit was een dag voor koene ridderen, die niet

kunnen blijven in een donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het

bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde

overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden,

alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood

langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten met hun pijlen,

maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het

hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders,

doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij

door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden,

en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs

berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's

brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd

krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't

vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder

volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't

hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet. 't

Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De

hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 't land klonk. Hij

zette zijn paard aan, roepende:

"'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen,

die het witte hert gedood heeft, de moedige held."

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een

vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en

dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij

rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den

volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over

een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad,

terug te rijden. Al rijdende kwamen ze een versterkte plaats voorbij,

waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die

hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde

ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk,

en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den

ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme

Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de

zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam

al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn

hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed,

met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg

het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

"Zeg me--wie de heeren zijn--die ik daar zie."

"Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde," antwoordde de

knaap, "het zijn de heeren van 's konings raad."

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

"Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en

van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen."

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg,

en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij

Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

"Waarom hebt gij uw werk verlaten?"

"Heer"--zoo zeide Ferguut, "ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat

mij ten hove gaan."

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn

arm tegen, hem smeekende:

"Lieve heer--och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan."

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

"Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pas op het vee,

dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk

voor u. Strooi mest op het land."

"Heer--" zoo hernam de vrouw, "verwonder u niet, dat uw zoon begeerte

heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt,

dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders

blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen ...."

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

"Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en

sterk man."

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep

Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele

jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter

dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp

Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, de arme

boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild

en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld

nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan,

zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis,

het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging,

verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers,

die hij 't eerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en

dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen,

met zijn jonge stem, vol vertrouwen:

"Lieve heeren--zeg mij--hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij

den weg. Ik wil den koning dienen, en hem raden, wat hij doen moet."

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

"In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't

niet gewoon, Ferguut, om den koning te dienen. Zij kloofden hout,

zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat

ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan."

Het was de eerste strijd van Ferguut, en hij streed dezen zeer

dapperlijk, zoodat twee der roovers sneuvelden. De koppen sloeg hij af

en hing ze aan zijn zadel. Zoo reed hij naar Cardoel, 's konings hof.

Ach, Ferguut! Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten,

toen de knaap binnenreed, maar de koning was vriendelijk voor hem,

en zeide hoofsch en ernstig:

"Vriend, welkom zijt gij hier. In welk land zijt gij geboren, waar

wilt gij heen? Zeg mij, wat er met u is geschied en noem mij uwen naam.

"Heer--" sprak vroom de knaap--hij had niet op het gelach der spotters

gelet--"ik heet Ferguut, en om uwentwil aanvaardde ik den tocht,

al waren mijn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik

wil u met mijn raad bijstaan."

Toen stond mijnheer Keye op, en zijn hoon was scherper dan een snijdend

zwaard. Hij bezag den armen jongen, schudde 't hoofd en smaalde:

"Ge ziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen raad kunt

dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers raden? 't Is goed,

dat _gij_ gekomen zijt--Er staat geschreven: 'dien God wil helpen,

heeft geen gebrek.' Wanneer God u 't leven laat, zult _gij_ ons goeden

raad geven."

Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hij zich dicht bij den knaap.

"Vroed en goed van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de

helm, ik denk, dat gij een koningszoon zijt. Nooit zag ik een vorst,

die beter de spiets hield, het schild droeg. Gij zult zeker wel

willen rijden naar de zwarte rots, in het woud? Luister--Om den hals

eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarten

ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten

ridder te strijden, en om den sluier en den horen te halen. Breng

ons den ridder, die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij

tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen."

Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij

zich tegen Keye verdedigde.

"Het is waar--" zoo antwoordde hij, "de mond spreekt, wat in 't hart

is. Gij hebt nijd in uw hart."

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein,

die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig

voort:

"Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de

scherts wel hebben gewroken."

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

"Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye."

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn

gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

"Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?"

Forsch antwoordde de jongeling:

"Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier

hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nu behouden

als uw raadsman?" Hij zag Keye aan. "Morgenwil ik rij den, en den

sluier enden horen halen."

"Vriend," zeide de koning met milde stem, "ge waart verloren, zoo gij

dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten

ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad."

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

"Heer--," zeide hij met vaste stem, "uw ridder spot met mij. Daarom wil

ik strijden, al zal het mij den dood kosten." Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed

was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

"Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust."

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het

water stroomde uit de donkere lucht, en nat werd Ferguut tot aan zijn

huid. Loom zat hij te paard, het hoofd gebogen van zwaren slaap. Hij

zocht onder een ouden boom een schuilplaats. Een jonkvrouw zag hem zoo,

en vol medelijden trad ze hem tegemoet. Ze groette hem en vroeg:

"Wat zoekt gij--waarom staat ge daar?"

"Jonkvrouw--" zeide Ferguut bitter, "als iemand mij huisvesting had

gegeven, zou ik niet nat geworden zijn. Geen mensch heeft mij genood,

maar u vraag ik, schoone jonkvrouw, om een dak, het loon u God."

De jonkvrouw lachte, want hoe kon zij den knaap dezen dienst

bewijzen? Het stond niet aan haar, doch aan haar vader, 's konings

kamerheer. De arme Ferguut wist nog niets van hoofsche manieren,

en ze kreeg medelijden te meer, nu ze hem daar zoo zag staan, zonder

vrienden, zonder hulpe.

"Dit huis is van mijn vader--" sprak ze zacht, "'s konings

kamerheer. Ik ben maar zijn kind en ik mag u niet herbergen. Toch

moogt gij blijven, tot mijn vader tehuis komt. Zegt hij dan, dat gij

heen moet gaan, ga dan."

Dit beloofde Ferguut gaarne, en ze gaf hem een mantel. Ze zetten zich

bij het vuur, de jonkvrouw dacht bij zichzelf:

"Schooneren jongeren man dan dezen heb ik nog in geen land gezien. Had

hij slechts 's ridders manieren."

Zij bleven zitten bij het warme vuur tot het eten bereid was; toen

tafelden ze tezamen, vele smakelijke gerechten bracht men hun, en

men schonk hem wijn en claret, om zijn dorst te lesschen. Vroolijk

waren zij beiden, etende en drinkende.

Zoo vond hen de kamerheer des konings: 't eerst zag hem zijn dochter,

en ze stond op, het bloed steeg naar haar gelaat. Ook Ferguut rees van

zijn zetel: zij beiden wachtten, wat de edele ridder zou bevelen. Met

vriendelijke stem zeide deze:

"Ga weder zitten, gij mijn dochter en gij vreemde man."

Hij zette zich nevens hen, en hij wendde zich tot Ferguut:

"Zijt gij met geweld hier binnengedrongen?"

Ferguut behoefde niet angstig te zijn, om te antwoorden. Nooit in zijn

leven had hij eenig mensch kwaad gedaan, hij had den ploeg gevoerd in

dienst van zijn vader. Rustig sprak hij dus, terwijl hij den kamerheer

eerlijk aanzag:

"Ik bedreef nooit boosheid, ook thans niet. Ik heb 't beloofd, zoo

gij mij niet wilt ontvangen, dat ik heen zal gaan."

"Neen, vriend," glimlachte de ridder, "ik ontzeg u mijn huis niet. Gij

zijt mijn gast."

Welgemoed bespraken zij vele dingen, zij dronken wijn en aten gekruide

spijzen, al pratende. Eindelijk vroeg de kamerheer den knaap:

"Hoe zijt gij ten hove gekomen? Sloeg men u alreeds tot ridder?"

O! de arme, domme Ferguut! Wat wist hij van ridders en ridders'

manieren? Eerlijk zag hij zijn gastheer aan, en zijn jonge stem

droomde:

"Heer! ik meen wel, dat ik ridder ben, want de boer Somilet gaf mij

wapenen en een paard, zooals er geen beter ter markt komt. Hij wapende

mij met helm, met zwaard, met schild, en ik geloof, dat geen koning

ooit zoo edel staal droeg. Ja, ja, ik meen, dat ik een ridder ben."

Hieruit hoorde de kamerheer, hoe onnoozel Ferguut was. Hij vond behagen

in den knaap, die nog zoo weinig van het leven af wist en wien daarom

nog zoovele gevaren wachtten. Zou hij niet alleen om enkele uitdagende

woorden van Keye, den zwarten ridder gaan bevechten, van wien nog

nooit iemand levend was wedergekeerd? Arme Ferguut!

"Morgen zult gij ridder zijn--" sprak de kamerheer vriendelijk,

"men zal u uw kleeren afnemen, en u betere geven; dan zullen wij

voor den koning gaan, en hij zal u tot ridder slaan, u uw zwaard

aangordende. Zoo is het hier de zede. Ik-zelve zal u de sporen aan

uw voet spannen, ten aanschouwe van alle ridderen."

Bedroefd was Ferguut, dat men hem de kleederen, die zijn vader hem

gegeven had, ontnemen wilde. Hoe gaarne wilde hij ze behouden.

"Somilet, de boer--riep hij geërgerd uit, "heeft mij al ridder

gemaakt--heer! als ik doe, zooals gij me raadt, zal ik tweemaal

ridder zijn."

Met rustige woorden en rustig gebaar wist de kamerheer troost te

vinden. Ferguut leerde dien avond al veel, dat tot het leven behoort,

doch nadat twee knapen hem naar zijn vertrek hadden gevoerd, om te

rusten, sliep hij spoedig in, zonder dat droomen hem kwelden. In den

vroegen morgen werden hem de kleederen gebracht, en vol blijdschap

stond hij op, want dezen zonlichten dag zou hij door den koning tot

ridder worden geslagen.

Koning Arthur kwam van de mis en hij beval, om het schaakbord te

brengen, daar hij wilde gaan spelen. Maar de kamerheer en Ferguut

wachtten al op hem, en ze gingen voor den koning staan. Ferguut

groette, en deed zijn mantel uit. Hij knielde neder, en smeekte,

om tot ridder geslagen te worden.

Gawein naderde.

"Het is niet goed--" zeide hij ernstig, "dat Keye de vreemde ridders

bespot. Dezen hier koos ik gaarne tot mijn vriend."

"Uw naam," riep Ferguut uit, en hij voelde zich vol stille blijdschap,

dat hij een vriend had gevonden, "weet ik niet, maar goedertieren zijt

gij. Ik wil voor u zijn, wat ge van mij verlangt, doch eerst moet ik

den horen hebben en den sluier. Ik moet vechten met den zwarten ridder,

of hij zal mij overwinnen! Mocht ik echter ongedeerd terugkeeren,

dan kom ik tot u als een vriend."

Met smarte vernamen het nu Gawein en de andere ridders, dat Ferguut den

zwarten ridder wilde bestrijden. Zij allen vervloekten Keye, die door

zijn spot den edelen jongeling naar het avontuur had gedreven. Ferguut

kon echter niet langer wachten, en hij smeekte den koning, om hem

's ridders wapenen te geven. Noch door goed, noch door smeeken was

hij terug te houden. Men bracht hem harnas, lederen broek, en een helm

van staal, hoe fraai kleedden ze hem. Gawein voerde tot hem zijn ros,

Perchevael reikte den koning een zwaard, opdat hij het den knaap

zou aangorden. De kamerheer spande hem een spoor aan den rechter-

en Lanceloot aan den linkervoet. IJwein hield den stijgbeugel, toen

hij zich op het paard wierp, en nog gaf men hem een schild en een

sterke speer. Was er ooit eenig ridder, wien men meer eer bewees,

dan den armen Ferguut?

De nar zat bij het vuur, en warmde zich de handen. Even wendde hij

zich om, zag Keye aan met honenden blik, en riep toen met luide stem

tot den koning:

"Binnen korten tijd zult gij den ridder zien van de zwarte rots, aan

den hals het gebroken schild, om u den sluier en den horen te brengen,

en voor u neer te, knielen."

Keye begreep het wel, dat de nar dit zeide, om hem te ergeren, en hij

barstte bijkans van toorn. Zoo men het hem niet euvel had geduid, had

hij den nar gaarne gegrepen en levend verbrand. Nu deed hij, of hij

niets kon verstaan, en hij lachte, terwijl hij voor den koning stond.

Ferguut nam afscheid, van Arthur en zijn ridderen. Tot Gawein ging

hij en met hem sprak hij nog, voor hij vertrok. Gawein beval hem aan

in de hoede der Moeder Gods, en Ferguut reed heen, terwijl allen,

behalve Keye, in rouwe achterbleven, maar krachtig en vroolijk was

Ferguut, want op alle wegen was zonnelicht.

Nederlandsche Sagen en Legenden · 第 1 / 4 章