1 Boerderij.

Zieneken was, naarmate boer Van Daele sprak, beurtelings bleek en

rood geworden; maar bij die laatste woorden kon zij hare

ontsteltenis niet meer verbergen en bleef zij, tevens diep

verwonderd en verschrikt, eenige stonden voor zich staren, zonder

een antwoord te kunnen vinden.

De boer nochtans aanschouwde haar nu met streelende teederheid:

"Allo toe, toe, Zieneken, zeg maar van ja," smeekte hij schier en

legde, voorover buigend, de hand op haren schouder. Maar zij stond

schielijk recht. "O! neen, neen, boer Van Daele," sprak zij, hem met

de hand verwijderende en hem nu ook in eens zeer ernstig en bijna

smeekend aanstarende: "O! neen, neen, dat kan niet zijn!"

"Niet zijn! Och! waarom niet?" hernam hij vleiend; "gij zult zoo

rijk en zoo gelukkig zijn en over alles het meesterschap hebben;

allo toe, Zieneken!" En hij legde weerom de hand op haren schouder

en poogde haar eenen kus te geven. Maar zij ontsnapte hem op nieuw

en ging midden de keuken staan: "Neen, neen;--wat peinst gij, boer

Van Daele?" herhaalde zij angstig, met van ontroering gloeiende wangen.

"Neen, neen, dat kan niet zijn!" Zij was zoo diep geschokt, dat

haar de tranen in de oogen stonden.

"O! Zieneken," smeekte nog de boer en deed eenen stap nader.

Op dit oogenblik piepte de balie aan het hofgat en beiden,

werktuigelijk naar buiten kijkende, zagen in 't halfduister boer De

Vliegher, die, van 't dorp teruggekeerd, traagzaam zijn hof opkwam.

Zieneken verademde; de dikke pachter haalde wanhopig de schouders

op.

"Is het uw laatste woord?" vroeg hij haar haastig.

"O! ja, boer Van Daele," antwoordde zij smeekend.

"Mag ik er aan onkel niet van spreken?"

"O neen, neen!"

De boer zuchtte. "Het spijt mij," sprak hij, "het spijt mij diep;

maar daarom toch geene kwade vrienden," en hij drukte haar de hand.

Zieneken trok de hare spoedig weg, want boer De Vliegher kwam juist

binnen.

Deze was niet weinig verbaasd zijnen vriend te zijnent aan te

treffen: "Kijk, kijk!" riep hij verheugd, "wat..." Maar boer Van

Daele liet hem den tijd tot ondervragen niet. "Ik moest vandaag naar

Meerhem komen uit hoofde mijner jaarlijksche houtvenditie," sprak

hij, zijnen vriend de hand drukkende, "en 'k heb van de gelegenheid

gebruik gemaakt om eens tot hier te komen."

"En gij hebt wel gedaan, zeer wel," riep vroolijk boer De Vliegher;

"'t is enkel jammer dat de Lootens ook juist weg zijn; maar, zet u,

Ivo, zet u; Zieneken, ontsteek eens 't licht; boer Van Daele gaat

eene schel hesp eten en een..."

"Niemendal, als 't u belieft," riep deze, naar de deur gaande; "ik

ben zeer haastig, 'k stond juist op 't punt om te vertrekken, als

gij ingekomen zijt--ge weet, de wegen liggen vuil en 'k moet nog

doen inspannen." En De Vliegher en zijn nichtje nog eens de hand

drukkende en goên avond wenschende, trok hij tot groote verbazing

van De Vliegher de deur uit.

"Is dat verduiveld haastig zijn!" sprak de oude boer, in de keuken

terugkeerende; "hebt gij hem wellicht den kop in gezegd, Zieneken?"

vroeg hij half lachend.

"Maar nonkel toch!" antwoordde 't blozend meisje, nederbuigende over

't lampje, dat zij aan 't ontsteken was, opdat haar oom hare

ontsteltenis niet zou bemerken.

Sinds eenigen tijd maakte hij haar vaak zulke zonderlinge

opmerkingen en keek haar zoo peilend aan, dat zij somtijds niet wist

waar de oogen wenden van schaamte. Doch met Marie, die ook juist

binnenkwam, veranderde het gesprek en weldra zetten zij zich alle

drie aan tafel, om het avondmaal te nutten.

Dien nacht kon Zieneken geene rust vinden; allerlei sombere,

onduidelijke droomen kwamen haren geest bevangen. Buiten waaide en

stormde het vervaarlijk en telkenmale zij wakker schrikte, meende

zij het huis op haar te voelen instorten of door den bij beken

stroomenden regen meegesleept te worden. In haren pijnlijken sluimer

zag zij Van Daele's heerlijk boerenhof, met zijne schoone, hooge

schuren, zijn net en pronkend woonhuis, zijne talrijke beesten op

stal of in de weiden en geld, veel geld en schoone kleeren, alles

met één woord wat weelde en rijkdom baart. En toen zag zij den boer,

rood en struisch, met zijn lachend gelaat, die heur versierd en

opgetooid kwam halen om haar ter kerk te leiden. De ongeduldige

paarden, met linten en bloemen gekroond, stonden aan den prachtigen

wagen gespannen; de boever deed met hoogmoed zijne zweep klappen,

juichend volk woelde om haar heen. Blozend van geluk en vreugd

bereidde zij zich om op den wagen te stijgen, maar, o schrik! toen

verrees schielijk voor haar een indrukwekkend tafereel--de

Bruilofput!--En eensklaps scheen het haar als daalde zij er

sidderend in neder... als zag zij daar, in de onpeilbare diepte,

door de grijsgroene doorschijnendheid des waters, geheel het akelig

tooneel ontstaan, zooals het hare inbeelding geschapen had.

De bruiloftwagen, met linten en bloemen versierd, half verzonken in

walgelijk slijk, de opgetooide paarden, hunne manen te berge

gerezen, als versteend in woeste razernij; de boever met onmachtig

gebaar zijne rossen weerhoudende, en op den wagen, half zijdelings

geheld, als gingen zij er afvallen en nochtans onbeweegbaar, de oude

boer en nevens hem de schoone Helena, schitterend van pracht in

haren verblindenden bruidstooi; en daarachter nog, in een versmoord

verschiet, de dreigende Alfons, die als een wraakroepende geest over

dit gansche treurspel te gebieden scheen.

Een spookachtige grijnslach verwrong de vale lippen hunner monden,

een doodsche glans schoot schuins en strak uit de vergroote

glasachtige oogen van menschen en paarden; en stomme visschen met

traagsmakkende muilen, grauwe weekdieren, aanstootelijk als

wangedrochten, schenen traagzaam hangend en drijvend voorbij de

drukkende onbeweegbaarheid van dit aangrijpend tafereel te zweven...

En in eens scheen het haar nog, als werden schielijk die gestalten

door eene onvatbare gedaanteverwisseling in wezenlijke schepsels

veranderd; als werden die rossen de paarden van boer Van Daele, die

leidsman zijn knecht, als zat hij zelf op den wagen, zij, o schrik!

nevens hem, en ginds, daarachter, met zijne glanzende oogen, hoe

zonderling toch... maar... Guustje... Guustje Lootens in persoon,

die daar grijnzend en dreigend op haar stond te kijken!

Half ziek was 's anderendaags Zieneken. Zij had toch zulk een

vreeselijken droom gehad, zei ze tot oom; een droom waaraan zij

zelve niets kon verslaan.

De oude boer glimlachte stil. Hij ook had dien nacht maar slecht

geslapen; eene zonderlinge aaneenschakeling van denkbeelden en

omstandigheden had hem langen tijd wakker gehouden. Waarom was boer

Van Daele in eens zoo haastig vertrokken? Waarom zag Zieneken er zoo

ontroerd uit?

Werktuigelijk was hij in zijn bed daaraan beginnen denken en enkele

bijzonderheden van Van Daele's feestmaal, des boers

dienstvaardigheid bij Zieneken, zijne neiging om steeds nevens haar

te zitten en te gaan, eene vraag: "Verkeert uw nichtje niet?" welke

de pachter hem in stilte bij 't vertrekken, wel in den schijn al

schertsende, maar in den grond misschien zeer ernstig had gedaan,

dit alles was hem als zoovele lichtstralen door het brein geschoten,

en een voorgevoel had hem doen raden dat boer Van Daele.... ja, dat

de rijke boer Van Daele Zieneken ten huwelijke was komen vragen,

en...... dat Zieneken hem van de hand gewezen had.--Waarom had

Zieneken hem van de hand gewezen?

Die vraag was zoo in eens bij hem opgekomen en eer hij die had

opgelost, hadden er zich nog allerhande nieuwe bij de eerste

gevoegd: "waarom had zij de hand van Lowie Billiet geweigerd?

waarom liep zij sinds Onderdaele-kermis zoo bedrukt? waarom was zij

ook sinds dien dag zoo koel jegens Guustje? waarom was Guustje

zelf....?"

Iets, waarover zijne oude meid hem sinds maanden reeds gewaarschuwd

had, was hem dan schielijk weer in het geheugen gekomen. "'t Is

zeker, zij zien malkander geerne," had Marie met haar sluw

vrouwendoorzicht hem eens gezegd, van Zieneken en Guustje sprekende.

Toen had hij dit niet geloofd; maar, van dag tot dag de jongelieden

gadeslaande, was hij allengs beginnen twijfelen en thans was het hem

eensklaps als eene veropenbaring voorgekomen. Klaar als de zon was

het hem thans gebleken dat Zieneken Lowie Billiet en boer Van Daele

van de hand gewezen had, omdat zij Guustje Lootens beminde; klaar

ook, dat Guustje, die Zieneken veel meer dan Emerance liefhad, boer

Van Daele zoo voorkomend bij zijn nichtje ziende, hierover had

ergernis opgevat en daarom verbitterd scheen op het meisje; klaar,

dat Zieneken slechts treurde omdat zij Guustje boos meende op haar;

klaar, kortom, dat zij elkaar innig beminden en er tusschen hen

niets anders dan een misverstand was, dat overigens gauw zou effen

komen.

Hieraan was het dat boer De Vliegher gansch dien nacht had liggen

denken en niet zonder genoegen, want het vooruitzicht van een

huwelijk tusschen Guustje, die zoo braaf en vlijtig was, en

Zieneken, zoo lief en ook zoo vol verdiensten, lachte hem zeer toe,

daar hij overtuigd was dat het zoo lang ongelukkig weeskind bij

Guustje een trouwen steun en eene heilzame toekomst zou vinden, en

daarom was het ook dat hij zoo schalks glimlachte, toen Zieneken hem

zei dat zij dien nacht slecht geslapen had.

"Wonder," sprak hij, 't meisje guitig aanschouwend, "of het waar zal

zijn wat ik gisteren hoorde zeggen?"

"Wat, onkel?" vroeg Zieneken, blijkbaar ontroerd.

"Dat Guusje Lootens Emerance kwijt is," hernam De Vliegher; "het

schijnt dat zij met Lowie Billiet gaat trouwen; dit gerucht liep

gisteren 't dorp rond."

"O!" riep onvrijwillig Zieneken en schielijk werd zij rood tot

achter de ooren.

De boer glimlachte voort: "Mij dunkt, Zieneken," tergde hij haar,

met moedwillige traagheid sprekende, "dat Guustje zot is van u?"

"Maar, nonkel toch!" riep het meisje nog rooder wordend.

"Ja, ja, en dood jaloersch van boer Van Daele; 't is daarom en om

anders niet dat het zoo droevig loopt..... maar alles zal wel goed

komen."

Zieneken liep den huize uit, want voorzeker hield oom den gek met

haar, riep zij; maar gansch dien dag huppelde zij toch zoo opgeruimd

en blijde, en toen de kinderen der weduwe Lootens 's avonds kwamen

kaarten--met de reeds lange herfstavonden en niettegenstaande de

koelheid tusschen Guustje en Zieneken, geraakten zij nog nu en dan

eens aan het spel,--was zij weerom zoo gezellig en zoo vriendelijk

als vroeger en had zij hare welgezindheid aan allen willen

mededeelen. Des te treuriger bleef echter Guustje, die dezen avond

zelfs met weerzin scheen te spelen.

"Gewis weet het reeds dat boer Van Daele hier gisteren geweest is,"

dacht De Vliegher. Dezes doel was ook niet zulks te verbergen; hij

vertelde het zijnen jongen buren.

"Ja, wij weten het," antwoordde Siednie; "wij vernamen het bij het

terugkeeren van Axpoele." "'t Was uit hoofde zijner houtvenditie dat

hij kwam, niet waar, boer De Vliegher?" vroeg naïvelijk Kamiel.

"'k Geloof van ja," knikte de boer, en ging een solferpriemtje

halen, terwijl Marie uit haren hoek oolijk naar Zieneken en Guustje

blikte, die beiden beteuterd en sprakeloos in hunne kaarten keken.

"Of 't jaloersch is van Van Daele!" dacht De Vliegher, zijn pijpje

ontstekende; "maar, pfu! alles zal toch wel in de goede plooi

komen."

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 28 / 30 题