"O! maar boer Van Daele."riep zij met ware belangstelling uit; "gij zult
zeker wel in zulk een weder naar huis niet gaan, gij zult toch wachten tot
dat onkel komt?"
Een nog meer zonderbare glimlach speelde nu op het vuurrood gelaat
van den boer, wiens hooge en breede gestalte schier tot aan de
zwarte kepers van de lage keuken reikte.
"Neen, neen," sprak hij, onrustig zijne dikke handen heen en weer
wrijvende, "ik, ik...." Dat was toch zeldzaam! Maar, waarlijk, boer
Van Daele was ontroerd en 't scheen als wilde hij iets zeggen dat er
volstrekt niet uitgeraken kon; zijn hondeken, dat nevens hem gekomen
was, stond, als het ware ondervragend, in zijne oogen te kijken.
"Zieneken," sprak hij eensklaps, het meisje strak aanschouwende,
"weet gij waarom ik vandaag naar Meerhem gekomen hen?"
"Waarom gij vandaag naar Meerhem gekomen zijt?" herhaalde Zieneken,
den blik schielijk gevestigd op haar katje, wiens groene oogen nu
uit den sombersten hoek van de keuken fonkelden. "Neen, boer Van
Daele, dat zou ik niet kunnen raden, niet waar?"
"Om te trouwen," sprak hij kortaf.
"Om te trouwen, wel Heere!" kreet het meisje, ditmaal ten hoogste
verbaasd; en na een stond den boer met een ongeloovig oog bekeken te
hebben: "Vandaag toch zeker niet?" schertste zij.
"Om een vrouwmensch te zoeken," verbeterde de boer dadelijk zeer
ernstig. En, nu hem gewis het ijs gebroken scheen, vertelde hij haar
op statigen toon, dat het voor hem niet langer zijn kon om
weduwenaar te blijven; want, dat zijne jongste dochter ook welhaast
zou trouwen, en, dan niemand van zijn huisgezin bij zich meer
hebbende, het hem aan oppas zou ontbreken; overigens, dat hij nog
veel te jong was om op zoo eene schoone "occasie[1]" als de zijne
gansch alleen te blijven, iets dat hij, wel is waar, niet te vreezen
had, daar hij schier onophoudelijk van welstellende boerendochters
of weduwen tijding ontving dat hij mocht komen als hij wilde; maar,
zonder liefde zou hij nooit trouwen. Kortom, hij zegde haar dat zij
een meisje was naar zijnen zin en die hij sinds den eersten stond
bemind had en dat hij haar thans vragen kwam of zij met hem trouwen
wilde.