2 Door elskanten ingesloten partijen kleiachtig land.

"O! maar boer Van Daele."riep zij met ware belangstelling uit; "gij zult

zeker wel in zulk een weder naar huis niet gaan, gij zult toch wachten tot

dat onkel komt?"

Een nog meer zonderbare glimlach speelde nu op het vuurrood gelaat

van den boer, wiens hooge en breede gestalte schier tot aan de

zwarte kepers van de lage keuken reikte.

"Neen, neen," sprak hij, onrustig zijne dikke handen heen en weer

wrijvende, "ik, ik...." Dat was toch zeldzaam! Maar, waarlijk, boer

Van Daele was ontroerd en 't scheen als wilde hij iets zeggen dat er

volstrekt niet uitgeraken kon; zijn hondeken, dat nevens hem gekomen

was, stond, als het ware ondervragend, in zijne oogen te kijken.

"Zieneken," sprak hij eensklaps, het meisje strak aanschouwende,

"weet gij waarom ik vandaag naar Meerhem gekomen hen?"

"Waarom gij vandaag naar Meerhem gekomen zijt?" herhaalde Zieneken,

den blik schielijk gevestigd op haar katje, wiens groene oogen nu

uit den sombersten hoek van de keuken fonkelden. "Neen, boer Van

Daele, dat zou ik niet kunnen raden, niet waar?"

"Om te trouwen," sprak hij kortaf.

"Om te trouwen, wel Heere!" kreet het meisje, ditmaal ten hoogste

verbaasd; en na een stond den boer met een ongeloovig oog bekeken te

hebben: "Vandaag toch zeker niet?" schertste zij.

"Om een vrouwmensch te zoeken," verbeterde de boer dadelijk zeer

ernstig. En, nu hem gewis het ijs gebroken scheen, vertelde hij haar

op statigen toon, dat het voor hem niet langer zijn kon om

weduwenaar te blijven; want, dat zijne jongste dochter ook welhaast

zou trouwen, en, dan niemand van zijn huisgezin bij zich meer

hebbende, het hem aan oppas zou ontbreken; overigens, dat hij nog

veel te jong was om op zoo eene schoone "occasie[1]" als de zijne

gansch alleen te blijven, iets dat hij, wel is waar, niet te vreezen

had, daar hij schier onophoudelijk van welstellende boerendochters

of weduwen tijding ontving dat hij mocht komen als hij wilde; maar,

zonder liefde zou hij nooit trouwen. Kortom, hij zegde haar dat zij

een meisje was naar zijnen zin en die hij sinds den eersten stond

bemind had en dat hij haar thans vragen kwam of zij met hem trouwen

wilde.

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 27 / 30 题