1 Een veus strijken: een oordeel uitbrengen.

Hoe?.... wat?.... eene kermis, waarover de burgemeester.... Maar

Guusje was reeds grimmend weg en Zieneken, bemerkende dat haar oom,

die half en half verstaan had, heur met zijn schalksch oog beloerde,

keek beschaamd en blozend ten gronde en bleef een heele wijl ernstig

en stilzwijgend die woorden overpeinzen, zonder den zin ervan te

kunnen vallen.

De achtermiddag was schitterend toen de genoodigden buiten kwamen.

"Oef!.... is dat warm!" riep Van Daele, blakend in de zon kijkend,

"men zou waarachtig duizelig worden van zoolang aan tafel te

zitten!"

Het duurde ook enige tijd eer men tot den aftocht klaar was. De

rijke boer wilde volstrekt eerst aan Zieneken, alsook aan degene

zijner gasten, die zulks begeerden, eene zeldzaamheid zijner hoeve

laten zien, namelijk eene veulenmerrie met hare twee kachteltjes.

Met hunnen glans van wellust op 't gelaat, sommigen met hunne pijp

tusschen de tanden en de pet of den hoed op het oor, trokken zij in

den reuk van het mest den veulenstal binnen en keken er naar het

gemoedelijk tafereel der kloeke, bruine merrie, die, vrij van allen

band en haren schoonen kop half omgewend, terzelfdertijd hare twee

jonge veulentjes, gelijkende aan twee hertjes zonder hoornen, te

zuigen gaf. Allen prezen lang en luid; enkelen, zooals kozijn Van de

Walle, van Baevel, die driftige paardenliefhebber was, de bovenlip

der merrie omhoogtrekkend, om aan het getal heurer tanden haren

ouderdom te erkennen; anderen, met hunne ruwe handen de gladde

kopjes der kachtels van de moederspenen duwend, om zelven te voelen

of de oude wel degelijk gezogen werd. Daar men toch aan 't rondgaan

was, trok men eens voort--terwijl eenige der nichten een

oogenblikje van kant op den molligen boomgaard, waar paardebloem en

madeliefjes bloeiden, afzonderlijk gingen voorover- of

neérhurken,--door de andere prachtige stallen en schuren der hoeve,

die meestal met elkaar gemeenschap hadden. Men bezocht den ruimen

koestal, met zijn gerinkel van ijzeren ringen, gemurmel van koeien

herkauwing en warmen melk- en muskusgeur vervuld; de nauwe, zuurriekende

verkenshokken met vuile grollende zeugen op stroo en nette,

rooskleurige viggetjes, die driftig naar buiten wilden; den

kalverstal, den paardenstal, den stierenstal, en, zijnde een

schaapgoed, den schapenstal, waar uit de rijen blatende, als

gestrafte scholieren langs hunne kribben vastgebonden schapen, een

doordringende bokkengeur steeg,--en bewonderde dan de gebouwen,

alles in ijzer, in steen of arduin opgemaakt, "zelfs met steenen

welfsels on ijzeren balken omhoog," wees hun de trotsche boer, en

gekomen aan het zoogenoemde braskot[1], achter welks gevel eensklaps

een luid kindergeschrei ontstaan was, bleef men lachend en

schertsend vóór nicht Pauwels staan, die, haastig daarheen geloopen,

schielijk met haren kleinen Charles-Louis te voorschijn kwam, wiens

afhangende broek zij wederom hielp aandoen.

1 Afzonderlijke plaats, waar men op de groote hoeven het

beestenvoeder kookt en bereidt.

Eindelijk geraakte het gezelschap bijeen en stapte langzaam heen,

vooraan de vrouwen met hare bontkleurige linten om het hoofd, de

mannen achterna, en gansch vooruit, gelijk de reus van 't hof, de

struische boer met Zieneken, die, oprecht beschaamd, Sidonie nevens

haar had doen blijven.

Hun tocht door de straten, toen zij met het toestromend volk het

dorp binnenkwamen, waar talrijke lieden op stoelen vóór hunne met

vlaggen en wimpels versierde woningen zaten, wekte niet weinig de

nieuwsgierige bewondering der dorpelingen, "Wie is dat meisje nevens

boer Van Daele?" hoorde Zieneken nu en dan halfluid in het

voorbijgaan vragen, terwijl de wezens en de stoelen bij elkander

schoven. Een sterke blos was toen haar antwoord; maar de boer,

hoogst gevleid over de aldus op hem gevestigde aandacht, had

telkenmale eenen lach van trots en vreugd op 't gelaat en stelde er

als het ware moedwilligheid in, door overdrevene voorkomenheid

jegens De Vliegher's nichtje de domstoute nieuwsgierigheid der

dorpelingen nog te prikkelen. Naarmate zij in de lange en breede,

voornaamste straat van Onderdaele drongen, waar in enkele fraaie

huizen welgekleede heeren en dames niet kinderen vóór de vensters

zaten, namen krieling en gejoel toe, en werd hunne slenterende vaart nu

eens door eene heele bende lui vóór hen stappende en lui pijpenrookende

jongelingen vertraagd, dan door het ontmoeten van allerlei vrienden of

kennissen volkomen onderbroken.

De eierkoers was reeds begonnen; op ongelijken afstand van elkaar,

hier rechts, daar links der straat, lagen, midden een hoopje zand,

de aan stukken te rijden eieren op de kasseide; rond elk ei bewoog

zich, uitgelaten, een drom boeren en boerinnen; de chees, ieder door

een lomp, zwaar boerenpaard bespannen en bezeten door twee mannen,

welke zich beurtelings, ingevolge de ligging der eieren, de lijn

overmaakten, kwamen op draf van den eenen kant der straat naar den

anderen gewaggeld, en aan de niet twijfelzinnige kreten der

aanschouwers werd het kenbaar of de kamper er in geslaagd was of

niet, met het wiel van zijn rijtuig het ei te verbrijzelen; de

mannen der chees welke aldus het grootste getal eieren brak,

behaalden den eersten prijs. Gedurende eenige stonden staarden de

langs heen de huizen geschaarde gasten dit schouwspel aan,--een der

bekoorlijkste die er bestaan in de oogen van den boer, en hier, nog

aantrekkelijker gemaakt, door de waarde der prijzen en door de

omstandigheid, dat te Onderdaele steeds echte, goede eieren en niet

houten of ijzeren voorwerpen voor den prijskamp dienden,--en gingen

dan voort, al over de dorpsplaats, waar kramen en paardekensmolens

voor het oogenblik schier verlaten stonden, en verder al over de

brug der vaart, welke het dorp in twee verdeelde, tot aan de

herberg, waar de prijsuitreiking geschieden zou en waar al het volk

als van zelven heenstroomde. Boer Van Daele was tot den hoogsten

graad der opgewondenheid gekomen.

"Willen wij eens dansen, mijn zoetekind?" riep hij verrukt door het

geluid des orgels, welk daarbinnen kermde, en een gebaar makende om

Zieneken in de lenden te vatten. En zich tot een der dienstmeisjes

keerende, welke haastig en zweetend in de stikkende herbergzaal

tusschen hem en eene door vrijers bezetene bank poogde te geraken;

"Hé, Fientje!" schaterde hij, "breng ons ook eens een fleschke

Leuvensch, voor mij en mijn liefje; de anderen moeten het niet al

alleen hebben." Deze scherts, door ieder der gasten gehoord,

vergrootte nog de algemeene vreugde en toen het "reiske" pinten, dat

Van Daele voor heel zijn "compenietje" gevraagd had, opgebracht

werd, tikte Guusje, thans de vrolijkste van allen, op de gezondheid

van de twee nieuwe vrijers. Allen schaterden en juichten, uitgenomen

Zieneken, die in de klucht geen bijzonderen smaak scheen te vinden.

Het was eerst toen de eierkoers geheel geëindigd was en 't volk al

wat uiteen gedreven, toen men nog twee, drie andere herbergen

bezocht en tante Fiene met hare stijve, verdwaalde oogen, die maar

slecht meer gaan kon, had laten hooren, dat zij niet verder zou

geraken, en toen Theofiel en Charles-Louis, de kleinen van nicht

Pauwels, betrekkelijk een onder hen te deelen greepje noten

handgemeen geworden, in elkanders aangezicht geschrabt en gespuwd

hadden, wat natuurlijk eene wederzijdsche schreipartij te weeg

bracht, dat er gewaagd werd van weer naar huis te gaan, om vóór 't

vertrek nog iets te nutten.

Eene zachte, aangename lucht had de drukkende hitte van den dag

vervangen, wanneer zij op 't pachthof wederkwamen. Men zette zich op

nieuw aan tafel en nuttede--alhoewel, om boerke Van Heule's spreuk

aan te wenden, sauciesjes en kiekens op de maag nog lagen te

vechten--hesp met eierkoekboterhammen en bier. De samenspraak liep

thans op de vermaken van den dag en allen waren het eens om te

verklaren, dat zij zich uiterst wel verheugd en nog nooit zooveel

volk in Onderdaele gezien hadden. Een zekere ernst nochtans begon

bij 't naderend uur van afscheidnemen de gasten te bevangen; zelfs

Van Daele was schielijk verstild en toen de avondzon al door het

dichte boomgaardloover hare steeds goudkleuriger wordende pijltjes

in de kermiszaal begon te schieten, en men nog eens de pijpen

aangestoken en de karafen bier geledigd had, stonden de genoodigden

langzaam recht en verklaarden dat het tijd werd van vertrekken.

Van Daele poogde te tevergeefs hen nog langer te houden; enkelen,

zooals boer De Vliegher en de Lootens, waren vrij verre van huis en

allen overigens moesten nog dienzelfden avond eens rond hunne

stallen gaan, om na te zien of de knechten in hunne afwezigheid de

beesten niet verwaarloosd hadden. Men wenschte elkaar den goeden

avond. Nicht Pauwels en hare kleinen trokken met kozijn De Vreese,

met de nichten De Coster, kozijn Van de Walle en nog anderen naar

het gemeentehuis, waar hunne cheeses uitgespannen stonden, en de

rijtuigen van Guustje en Triphon, die nagenoeg een zelfden weg te

volgen hadden, werden reisvaardig gemaakt. Menige handdruk werd

gewisseld, en Van Daele vergezelde al koutend beide cheeses tot aan

het uiteinde van zijne dreef.

"Komt gij binnen kort niet eens naar Meerhem, boer Van Daele?" riep

De Vliegher, zich nog omkeerend, terwijl het paard reeds begon te

draven.

"'t Kan wel zijn," antwoordde de boer met luider stem. "Met eene

week of drie misschien," riep hij nog luider, naarmate 't rijtuig

zich verwijderde, en, de hand zwaaiend als laatste groet aan zijne

gasten, die zich in de cheeses ook nog eens omkeerden en "goên

avond" knikten, verdween hij achter de boomen zijner dreef, gelijk

de beide gespannen, rammelend en klepperend over den steenweg

begonnen te rijden.

De avond daalde glansrijk over 't eenzaam veld, toen zij uit

Onderdaele kwamen.

"Hier is het toch stil," sprak boer De Vliegher.

Een heelen tijd reden zij sprakeloos vooruit en staarden rechts en

links over de rijke akkers, terwijl de duizende geruchten van het

feest allengs verstierven in een vluchtend verschiet, van waar

somtijds nog een kort gezang, een scherpe kreet, een ver

muziekgeschal gehoord werd. Dat schielijk kontrast van die woeling

in 't dorp en die rust op het veld wekte in hun gemoed een

onvrijwillig gevoel van stille overpeinzing en Zieneken voelde

weerom alle neiging tot lach en tot scherts haar verlaten, om zich

met inniger gedachten bezig te houden. Zij keek op Guustje, ter

sluips; het keek peinzend naar de chees van Triphon, die waggelend

vooruitreed door een gonzenden muggenzwerm omfladderd.

"Het peinst op Emerance!" sprak Zieneken inwendig.

Zij ook keek mijmerend vóór zich al over de landen. Welk een schoone

avond! De prachtige septemberzon zonk vurig achter de verre boomen,

tintelende goud- en zilverglansen wemelden door de bladeren der

groene rapenvelden en, vóór een donker dennenbosch ter zijde van den

weg, stond eene reeks dunne jonggeplante populierkens, wier loover

reeds zoo geel was, dat zij als flikkerende kaarsjes op 't

duistergroen van 't woud schenen te branden.

"'t Zijn juist gelijk de lichtjes op het hoogaltaar, des avonds in

het lof," dacht Zieneken.

En hoe zonderling toch! Na zulk een vreugdevollen dag, terwijl zij

zwijgend hunnen weg vervolgden, kwam allengs een treurig en nog niet

vergelen tafereel voor 's meisjes oogen opgerezen: de brandende

kaarsjes in de schemerige kerk rondom de zwarte lijkbaar harer

moeder... En zoo van lieverlede zweefde hare gedachte voort in

weemoedvolle droomen, welke 't gegons der muggen wiegde, terwijl het

avondlicht steeds daalde, en kwamen allerlei treurige beelden uit 't

verleden, waarin enkele gebeurtenissen van den dag met de gedaanten

van Guustje, van Emerance, van Van Daele zelf samensmolten, haren

geest voorbijgesneld, en, toen zij aan De Vliegher's hofje kwamen,

veegde zij eenen traan van stille ontroering uit haar oog.

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 21 / 30 题