2 Van 't fransch compliment.

Hé!--En dan nog deze en deze en deze!

Ha! boer Van Daele zou geen "vrouwmensch" krijgen? Indien hij maar

wilde, .... twintig daags zou hij er hebben! Maar boer Van Daele was

niet zot: "Gepresenteerd goed is niet aanveerd." Maar als boer Van

Daele zich 't hertrouwen eens in 't hoofd zou steken, zou hij wel

weten waar naartoe en bovendien nog zelf zijne keuze doen.

Zoo sprak dan boer Van Daele en daar zulke en andere getuigenissen

niet enkel den rijken boer nog hooger in den eerbied zijner

medeburgers deden klimmen, maar ook al de mogelijkheid van zijn

hertrouwen lieten vermoeden, begon het in het dorp alom bekend te

zijn, dat boer Van Daele slechts wachtte naar een vrouwmensch, dat

hem behagen zou, om een tweede huwelijk aan te gaan.

Zieneken had met moeite den tijd gehad rechts en links een

bewonderend oog te slaan op de prachtige schuren en stallen, waar

jonge veulekens den kop over de halve deuren staken, en over den

rijken boomgaard, waar er nevens hunne chees nog twee andere uitgespannen

stonden, toen zij vóór het niet minder heerlijk boerenhuis kwamen.

Heur hart joeg hevig bij het binnentreden; zelfs deed haar eene

zekere schuchterheid de laatste van allen komen en reeds hadden in

de ruime keuken allerlei nieuwe welkomsgroeten tusschen de aldaar sinds

enkele stonden aanwezige en de nieuw ingekomen gasten herklonken,

vooraleer zij in het gejoel Emerance, de rijke boerendochter, kon

onderscheiden. Het was Van Daele zelf, die ze haar voorstelde: "Mijn

zoetekind," lachte hij met de eene hand op Zieneken's schouder kloppend,

terwijl hij met de andere naar Emerance wees, die, klein en zwart, met

scherpe schitterende oogen en rood gelaat, half op haar best, half naar

heur werk gekleed, in 't midden van de keuken stond; "dat is mijn jongste

dochter, zie, die bezig is met ons de fijnste kermistafel gereed te maken,

welke gij nog ooit zult genut hebben."

Het is toch wonderbaar hoe ons het enkel eerste zicht van een

persoon somtijds bevallen of mishagen en ons zoo spoedig een indruk

laten kan, die schier nooit geheel meer uit te wissen is. Geen het

minste vooroordeel had 't goede Zieneken tegen de boerendochter, die

zij niet kende; geen minste ook kon Emerance hebben jegens iemand,

waarvan zij zelfs nog nimmer hooren spreken had, en toch ..... toch

voelde de eerste onmiddellijk eenen afkeer van de tweede, zonder dat

zij zeggen kon waarom, en keek de tweede, terwijl zij haar een

vluggen goeden dag terugzond, strak en vreemd op de eerste, als

stond zij voor een verholen vijand, met welken zij later zou te

kampen hebben. En zie, Zieneken, die eerst oprecht verwonderd had

gestaan over de koele, schier gedwongene manier op welke Guustje en

Emerance--want zij had het zeer wel opgemerkt--elkander ontmoet

hadden, Zieneken mocht nu te rechte verbaasd wezen, toen zij

eensklaps de rijke boerendochter tot Guustje zag naderen, hem luid

schaterend aanspreken en, vooraleer zij de keuken verliet om in de

zaal daarnevens teljooren op tafel te gaan schikken, met half

gebiedenden, half stouten glimlach nog eens naar hem omkeek en hem

iets toeschertste, dat zij niet begrijpen kon.

Op het aandringen van den boer had zich eenieder thans neérgezet en

was Melanie, zijne meid, aan de nieuw-ingekomenen druppeltjes

kriekensap beginnen uitschinken. Daaromtrent al de gewone,

jaarlijksche kermisgasten waren in de keuken aanwezig en Zieneken,

nog eenigszins verbluft en vreemd in dit haar nagenoeg gansch

onbekend gezelschap, was wat dichter bij Sidonie geschoven, die haar

een voor een de namen van de haar onbekenden toefluisterde. Het

waren, na Triphon en Valerie, de schoonzoon en de oudste dochter van

Van Daele, oorzaken van den vroegeren twist tusschen dezen en de

Lootens, tante Fiene, boer Van Daele's zuster, eene zwaarlijvige,

zestigjarige vrouw met zeer van elkander verwijderde oogen en altijd

hijgenden mond, die ongehuwd en rijk in het dorp op haar goed

leefde; kozijn Van de Walle, van Baevel, des boers broers wijfs

zusters oudste zoon zaliger, een bloedrood, mager jongeling met

eenen hazemond; de twee nichten De Coster, van Axpoele bij Meerhem,

heiden geel en mager en in 't zwart gekleed; kozijn De Vreese, van

Hulste, verschrikkelijk rood en opgeblazen; nicht Pauwels, van

Lauwegem, met Theophiel en Charles-Louis, haar beide kleinen; nog

enkele andere verdere verwanten en eindelijk baas De Windt, baas

Kneuvels en boerken Van Heule, des boers naaste geburen, en, zooals

De Vliegher zelf, zijne goede vrienden; al te zamen misschien een

twintigtal personen.

Op Emerance's aanmaning "dat alles gereed was," ging het gezelschap

in de eetzaal. Boer Van Daele kon het niet luide genoeg uitroepen en

herhalen hoe verheugd en tevreden hij was eens te meer alle zijne

verwanten op zijne kermis te vereenigen; maar, dat hem vooral het

gezelschap van Zieneken aangenaam was, en hij hoe langer hoe meer in

het gesprek met haar vermaak scheen te genieten, dit hadden de

genoodigden sinds den eersten stond reeds opgemerkt. Hij wilde

volstrekt--en zij kon, hoe beschaamd ook, er niet aan

ontsnappen--volstrekt, dat het lief meisje nevens hem aan tafel plaats

zou nemen. Ziet ge wel, voor de eerste maal dat hij de eer had zulk een

lief kind op zijne kermis te zien, wilde hij niet, dat, schuchter

als ze was, haar iets zou ontbreken; hij zelf zou haar van alles wel

bedienen, met haar schertsen en redekavelen, haar met één woord eene

aangename kermis verschaffen.

In de heldere, met bleekkleurig papier behangene eetplaats, waar

door de hooge vensters eene schitterende, soms aan het oog

onverdraaglijke klaarte stroomde, heerschte aldra de luidruchtigste

opgeruimdheid.

Bouillonsoep met balletjes, gezoden rundvleesch met worteltjes,

sauciesjes en "karmenaden" met savooien, kiekens met gestoofde

peren, alle onvermijdelijke gerechten eener rijke boerenkermistafel,

waren reeds onder het onophoudend gerinkel van messen en glazen en

het verward gejoel der samenspraken genut,--en thans, vooraleer de

taart te snijden en den wijn--ja zeker, den wijn, er was er steeds

op boer Van Daele's kermis--te ontkurken, bleef men blazend en

rood,--het vrouwvolk, de rijkkleurige linten harer mutsen los over

de schouders, de kleinen, met oogen vol lust tot overdaad, en het

mansvolk, de broekbanden verwijd en den rug achterovergeleund,--een

ademtje halen en klonken, onder den invloed der verzadiging, de

gesprekken enigszins stiller en ernstiger. Boer De Vliegher en baas

De Windt,--die evenals Van Daele, het bovenvest had

afgelegd--koutten ernstig over koeien en mest, kozijn De Vreese en

nicht Pauwels over heeren en pachters en over den tijd, die nu hoe

langer hoe slechter werd, sinds al dat gespuis van geuzen en socialisten,

en wat wist men al, zoo hardnekkig 't hoofd opstak en priesters en

kloosters wilde uitroeien, hetgeen door tante Fiene met het dwalen

harer wijde, stijve oogen, en door de nichten De Coster met het

toenijpen harer dunne, preutsche lippen, beraamd werd--en ook

kozijn Van de Walle, van Baevel, hield met de moeilijke uitspraak

van zijn hazemond een oogenblik de algemeene aandacht gaande, door

het verhalen eener echt vreeselijke, daags te voren in zijn eigen

dorp nog voorgevallene gebeurtenis: een oud wijvetje namelijk had,

bij het kuischen eener eetkast, een klein, door haren man eertijds

gedeeltelijk gebruikte medicijnenfleschje gevonden; met de gedachte

dat zulks toch te duur was om verloren te laten gaan en ook gewis

geen kwaad kon, daar het voor de gezondheid was gegeven, had het

vrouwtje in eens, want het drankje was vrij slecht om nemen, den

overschot ervan uitgedronken, waarbij het schier onmiddellijk

gestorven was.

Maar aan wien Zieneken--tegen wie Van Daele schier nog niet

opgehouden had te redekavelen en te lachen,--geenen rechten kant

meer vond, was Guustje. Eerst nog al bedwongen en sprakeloos nevens

Emerance gezeten, die hem--Zieneken had het bemerkt--nevens haar

had doen komen, was het eensklaps tot eene luidruchtige

opgewondenheid overgegaan. Het zag zeer rood, veel rooder dan naar

gewoonte, en toen het, in de tusschenpoozen van zijn schertsen met

Emerance, de oogen op Zieneken sloeg, lag er iets zoodanig

zonderlings, als het ware iets zoo valsch, zoo ongemeens in zijne

blijdschap en in zijnen aanblik, dat Zieneken er onvrijwillig van

ontroerd was en hare kermisvreugd er door verbitterd werd.

Heeft het misschien te veel gedronken? veronderstelde zij, misnoegd

op Emerance, kijkend, die luid lachend en schaterend zijn glas

schier onophoudend volschonk. "Wat is dat toch oprecht eene aardige,

zooals het onkel zegt," dacht zij toen weér, door haren afkeer

jegens de boerendochter overweldigd. Doch, hoe groot was Zieneken's

verbazing, als, het maal geëindigd en eenieder op Van Daele's

voorstel "eens om de beenen te verwakkeren tot aan het dorp den

eierkoers te gaan bezichtigen," van zijne plaats opgestaan zijnde,

Guustje haar in het voorbijgaan op schimpenden toon vroeg, tegen

wanneer men nu te Meerhem zelf, op boer De Vliegher's hof, ook eene

zoo groote kermis mocht verwachten, eene, waarover de burgemeester

en de pastoor der gemeente eerst eens hunnen "veus[1] zouden

gestreken hebben."

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 20 / 30 题