Hé!--En dan nog deze en deze en deze!
Ha! boer Van Daele zou geen "vrouwmensch" krijgen? Indien hij maar
wilde, .... twintig daags zou hij er hebben! Maar boer Van Daele was
niet zot: "Gepresenteerd goed is niet aanveerd." Maar als boer Van
Daele zich 't hertrouwen eens in 't hoofd zou steken, zou hij wel
weten waar naartoe en bovendien nog zelf zijne keuze doen.
Zoo sprak dan boer Van Daele en daar zulke en andere getuigenissen
niet enkel den rijken boer nog hooger in den eerbied zijner
medeburgers deden klimmen, maar ook al de mogelijkheid van zijn
hertrouwen lieten vermoeden, begon het in het dorp alom bekend te
zijn, dat boer Van Daele slechts wachtte naar een vrouwmensch, dat
hem behagen zou, om een tweede huwelijk aan te gaan.
Zieneken had met moeite den tijd gehad rechts en links een
bewonderend oog te slaan op de prachtige schuren en stallen, waar
jonge veulekens den kop over de halve deuren staken, en over den
rijken boomgaard, waar er nevens hunne chees nog twee andere uitgespannen
stonden, toen zij vóór het niet minder heerlijk boerenhuis kwamen.
Heur hart joeg hevig bij het binnentreden; zelfs deed haar eene
zekere schuchterheid de laatste van allen komen en reeds hadden in
de ruime keuken allerlei nieuwe welkomsgroeten tusschen de aldaar sinds
enkele stonden aanwezige en de nieuw ingekomen gasten herklonken,
vooraleer zij in het gejoel Emerance, de rijke boerendochter, kon
onderscheiden. Het was Van Daele zelf, die ze haar voorstelde: "Mijn
zoetekind," lachte hij met de eene hand op Zieneken's schouder kloppend,
terwijl hij met de andere naar Emerance wees, die, klein en zwart, met
scherpe schitterende oogen en rood gelaat, half op haar best, half naar
heur werk gekleed, in 't midden van de keuken stond; "dat is mijn jongste
dochter, zie, die bezig is met ons de fijnste kermistafel gereed te maken,
welke gij nog ooit zult genut hebben."
Het is toch wonderbaar hoe ons het enkel eerste zicht van een
persoon somtijds bevallen of mishagen en ons zoo spoedig een indruk
laten kan, die schier nooit geheel meer uit te wissen is. Geen het
minste vooroordeel had 't goede Zieneken tegen de boerendochter, die
zij niet kende; geen minste ook kon Emerance hebben jegens iemand,
waarvan zij zelfs nog nimmer hooren spreken had, en toch ..... toch
voelde de eerste onmiddellijk eenen afkeer van de tweede, zonder dat
zij zeggen kon waarom, en keek de tweede, terwijl zij haar een
vluggen goeden dag terugzond, strak en vreemd op de eerste, als
stond zij voor een verholen vijand, met welken zij later zou te
kampen hebben. En zie, Zieneken, die eerst oprecht verwonderd had
gestaan over de koele, schier gedwongene manier op welke Guustje en
Emerance--want zij had het zeer wel opgemerkt--elkander ontmoet
hadden, Zieneken mocht nu te rechte verbaasd wezen, toen zij
eensklaps de rijke boerendochter tot Guustje zag naderen, hem luid
schaterend aanspreken en, vooraleer zij de keuken verliet om in de
zaal daarnevens teljooren op tafel te gaan schikken, met half
gebiedenden, half stouten glimlach nog eens naar hem omkeek en hem
iets toeschertste, dat zij niet begrijpen kon.
Op het aandringen van den boer had zich eenieder thans neérgezet en
was Melanie, zijne meid, aan de nieuw-ingekomenen druppeltjes
kriekensap beginnen uitschinken. Daaromtrent al de gewone,
jaarlijksche kermisgasten waren in de keuken aanwezig en Zieneken,
nog eenigszins verbluft en vreemd in dit haar nagenoeg gansch
onbekend gezelschap, was wat dichter bij Sidonie geschoven, die haar
een voor een de namen van de haar onbekenden toefluisterde. Het
waren, na Triphon en Valerie, de schoonzoon en de oudste dochter van
Van Daele, oorzaken van den vroegeren twist tusschen dezen en de
Lootens, tante Fiene, boer Van Daele's zuster, eene zwaarlijvige,
zestigjarige vrouw met zeer van elkander verwijderde oogen en altijd
hijgenden mond, die ongehuwd en rijk in het dorp op haar goed
leefde; kozijn Van de Walle, van Baevel, des boers broers wijfs
zusters oudste zoon zaliger, een bloedrood, mager jongeling met
eenen hazemond; de twee nichten De Coster, van Axpoele bij Meerhem,
heiden geel en mager en in 't zwart gekleed; kozijn De Vreese, van
Hulste, verschrikkelijk rood en opgeblazen; nicht Pauwels, van
Lauwegem, met Theophiel en Charles-Louis, haar beide kleinen; nog
enkele andere verdere verwanten en eindelijk baas De Windt, baas
Kneuvels en boerken Van Heule, des boers naaste geburen, en, zooals
De Vliegher zelf, zijne goede vrienden; al te zamen misschien een
twintigtal personen.
Op Emerance's aanmaning "dat alles gereed was," ging het gezelschap
in de eetzaal. Boer Van Daele kon het niet luide genoeg uitroepen en
herhalen hoe verheugd en tevreden hij was eens te meer alle zijne
verwanten op zijne kermis te vereenigen; maar, dat hem vooral het
gezelschap van Zieneken aangenaam was, en hij hoe langer hoe meer in
het gesprek met haar vermaak scheen te genieten, dit hadden de
genoodigden sinds den eersten stond reeds opgemerkt. Hij wilde
volstrekt--en zij kon, hoe beschaamd ook, er niet aan
ontsnappen--volstrekt, dat het lief meisje nevens hem aan tafel plaats
zou nemen. Ziet ge wel, voor de eerste maal dat hij de eer had zulk een
lief kind op zijne kermis te zien, wilde hij niet, dat, schuchter
als ze was, haar iets zou ontbreken; hij zelf zou haar van alles wel
bedienen, met haar schertsen en redekavelen, haar met één woord eene
aangename kermis verschaffen.
In de heldere, met bleekkleurig papier behangene eetplaats, waar
door de hooge vensters eene schitterende, soms aan het oog
onverdraaglijke klaarte stroomde, heerschte aldra de luidruchtigste
opgeruimdheid.
Bouillonsoep met balletjes, gezoden rundvleesch met worteltjes,
sauciesjes en "karmenaden" met savooien, kiekens met gestoofde
peren, alle onvermijdelijke gerechten eener rijke boerenkermistafel,
waren reeds onder het onophoudend gerinkel van messen en glazen en
het verward gejoel der samenspraken genut,--en thans, vooraleer de
taart te snijden en den wijn--ja zeker, den wijn, er was er steeds
op boer Van Daele's kermis--te ontkurken, bleef men blazend en
rood,--het vrouwvolk, de rijkkleurige linten harer mutsen los over
de schouders, de kleinen, met oogen vol lust tot overdaad, en het
mansvolk, de broekbanden verwijd en den rug achterovergeleund,--een
ademtje halen en klonken, onder den invloed der verzadiging, de
gesprekken enigszins stiller en ernstiger. Boer De Vliegher en baas
De Windt,--die evenals Van Daele, het bovenvest had
afgelegd--koutten ernstig over koeien en mest, kozijn De Vreese en
nicht Pauwels over heeren en pachters en over den tijd, die nu hoe
langer hoe slechter werd, sinds al dat gespuis van geuzen en socialisten,
en wat wist men al, zoo hardnekkig 't hoofd opstak en priesters en
kloosters wilde uitroeien, hetgeen door tante Fiene met het dwalen
harer wijde, stijve oogen, en door de nichten De Coster met het
toenijpen harer dunne, preutsche lippen, beraamd werd--en ook
kozijn Van de Walle, van Baevel, hield met de moeilijke uitspraak
van zijn hazemond een oogenblik de algemeene aandacht gaande, door
het verhalen eener echt vreeselijke, daags te voren in zijn eigen
dorp nog voorgevallene gebeurtenis: een oud wijvetje namelijk had,
bij het kuischen eener eetkast, een klein, door haren man eertijds
gedeeltelijk gebruikte medicijnenfleschje gevonden; met de gedachte
dat zulks toch te duur was om verloren te laten gaan en ook gewis
geen kwaad kon, daar het voor de gezondheid was gegeven, had het
vrouwtje in eens, want het drankje was vrij slecht om nemen, den
overschot ervan uitgedronken, waarbij het schier onmiddellijk
gestorven was.
Maar aan wien Zieneken--tegen wie Van Daele schier nog niet
opgehouden had te redekavelen en te lachen,--geenen rechten kant
meer vond, was Guustje. Eerst nog al bedwongen en sprakeloos nevens
Emerance gezeten, die hem--Zieneken had het bemerkt--nevens haar
had doen komen, was het eensklaps tot eene luidruchtige
opgewondenheid overgegaan. Het zag zeer rood, veel rooder dan naar
gewoonte, en toen het, in de tusschenpoozen van zijn schertsen met
Emerance, de oogen op Zieneken sloeg, lag er iets zoodanig
zonderlings, als het ware iets zoo valsch, zoo ongemeens in zijne
blijdschap en in zijnen aanblik, dat Zieneken er onvrijwillig van
ontroerd was en hare kermisvreugd er door verbitterd werd.
Heeft het misschien te veel gedronken? veronderstelde zij, misnoegd
op Emerance, kijkend, die luid lachend en schaterend zijn glas
schier onophoudend volschonk. "Wat is dat toch oprecht eene aardige,
zooals het onkel zegt," dacht zij toen weér, door haren afkeer
jegens de boerendochter overweldigd. Doch, hoe groot was Zieneken's
verbazing, als, het maal geëindigd en eenieder op Van Daele's
voorstel "eens om de beenen te verwakkeren tot aan het dorp den
eierkoers te gaan bezichtigen," van zijne plaats opgestaan zijnde,
Guustje haar in het voorbijgaan op schimpenden toon vroeg, tegen
wanneer men nu te Meerhem zelf, op boer De Vliegher's hof, ook eene
zoo groote kermis mocht verwachten, eene, waarover de burgemeester
en de pastoor der gemeente eerst eens hunnen "veus[1] zouden
gestreken hebben."