1 Zonderling, leelijk.

2 In Vlaanderen ten platte lande worden veelal de jongelui, 't zij

knapen of meisjes, met het onzijdig lidwoord het aangeduid.

Blozend en nieuwsgierig luisterde Zieneken naar die uitleggingen en,

juist alsof Guustje hierdoor voor haar van grooter belang ware

geworden, liet zij weldra geene gelegenheid meer voorbijgaan, zonder

door allerlei omwegen het gesprek met oom op dit onderwerp te

brengen. Aldra ook voelde zij den grootsten lust die Emerance

eens te zien. "Ik kan mij niet inbeelden hoe zij er uitziet,"

sprak zij soms tot De Vliegher, als ware dit voor haar van

groote aangelegenheid geweest; "ik denk altijd dat zij toch

veel sneller[1] moet zijn dan gij het meent of zeggen wilt,

onkel." Maar toen de oude boer, verwonderd over zulk aandringen,

haar met zijn eigenaardigen glimlach dan een oogenblik zwijgend

aanstaarde, veranderde zij spoedig van gesprek en boog 't blozend

hoofd, als iemand die schielijk beseft dat hij zijn diepste geheim,

welk hij best wil bewaren, aan 't verraden is.

Niettemin, sinds zij dit alles vernomen had en naarmate hare

betrekkingen met der weduwes kinderen nog inniger werden, vond

Zieneken er weldra een schalksch vermaak in Guustje soms met

zinspelingen en kwinkslagjes op zijn verkeer[2] te plagen.

Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven · 第 12 / 30 题