Aldus had Zieneken aldra goede kennis gemaakt met hare jonge buren
en waren zij in elkanders vertrouwelijkheid geraakt. Ook De Vliegher
had haar, door 't aanhalen van enkele bijzonderheden, nagenoeg de
levenswijze en den toestand van de Lootens leeren kennen. Thans wist
het meisje reeds dat Triphon, de oudste zoon, het jaar te voren
Valerie Van Daele, zijn eigen nichtje, had gehuwd en dit zeer tegen
den wil van 's meisjes vader, die, veel rijker dan de weduwe Lootens
en te Onderdaele een prachtig, eigen pachthof bewonende, eerst zijne
toestemming geweigerd had; doch, dat de gedurende eenigen tijd
hieruit ontstane vijandschap van lieverlede was verzwonden; om
weerom voor eene goede vriendschap plaats te maken, tot zooverre
zelfs, zei men in 't dorp, dat boer Van Daele zou "peetje" worden
van Valerie's eerst te komen kind. "Wat wellicht ook gebeuren zal,"
had boer De Vliegher nog gezegd, eens dat hij daarover vertrouwelijk
met zijn nichtje zal te praten, "is, dat Guustje de jongste dochter
van Van Daele, Emerance, zal opdoen."
"Ik geloof wel niet," sprak hij, Zieneken het bolletje breikatoen
teruggooiend, dat haar zoo eventjes van den schoot was gerold, "dat
Guusje zeer veel van haar houdt, want zij is zoo maar een aardig[1]
ding; doch ik meen dat het[2] door zijne moeder, die het voor hare
kinderen nog al hoog in 't hoofd heeft, eenigszins aangeprikkeld
wordt om de jonge boerendochter op zijnen kant te krijgen; althans,
sedert de Lootens met Van Daele weêr in vriendschap leven, trekt
Guustje, dat weet ik, nu en dan eens 's zondags naar Onderdaele. Het
gaat daarom wel niet altijd bij oom Van Daele naar; doch gewis maakt
het gebruik van zijne kennis met zekeren stoker hier van Meerhem,
die te Onderdaele veel jenever levert, om aldaar met dezen de
herbergen rond te gaan, en wel eens, geloof ik, als de gelegenheid
er zich toe aanbiedt, Emerance in te roepen en haar te tracteeren."