LIGGING

Betreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving van

Oud-Loosdrecht opgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat

ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen,

boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt de Nieuwe

Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de Provinciën Holland

en ’t Sticht; ten westen paalt zij aan Mijnden.

Wegens de naamsoorsprong, zie men onze beschrijving van Oud-Loosdrecht:

Nieuw-Loosdrecht draagt ook nog den naam van de Zijpe.

Van de stichting en grootte, zie men mede onder Oud-Loosdrecht—In den

tegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in de Oude Loosdrecht,

staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of

afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in de Nieuwe

Loosdrecht staan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel

is waar; in de Nieuwe Loosdrecht liggen de huizen veel verder van

elkander dan in de Oude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar

daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig

vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken:

onder de wooningen in de Nieuwe Loosdrecht zijn ook geene andere

Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.

Zie wegens het Wapen, Oud-Loosdrecht.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 431 / 455 题