GESCHIEDENIS

Van Oud-Loosdrecht, vereischt geene breede plaats: in het jaar 1672,

(dat verschrikkelijke jaar voor geheel Nederland,) had het door den

inval der Franschen zeer veel te lijden: sedert is er, voor zo verre

ons bewust is, weinig van aanbelang voorgevallen: de bovengemelde

gezindheid der bewooneren, in het staatkundige, heeft de dorpelingen in

onze jongstledene beroerten weinig deel gegeven: wel hebben zij zig in

den wapenhandel geoefend, toen die oefening Staatswijze geboden werd,

in de ontstaane verschillen met den Keizer Joseph: toen de verdere

woelingen der Patriotten voordgang namen, heeft men er ook nog, hoewel

maar korten tijd, blijven exerceeren—bij den inmarsch der Pruissen, op

hunnen doortogt naar Loenen, hebben de Loosdrechters hun een maand lang

moeten inquartieren; en daar deeze lieden naar geene staatkundige

gevoelens vroegen, hebben zij er ook verscheidene plunderingen

aangericht; vooral heeft de plaats van de Wel-Edele Ambachtsvrouwe, in

de Nieuwe Loosdrecht, hunnen moedwil ten sterksten moeten bezuuren.

Men vindt bij andere Schrijvers gewag gemaakt van een Huis te

Loosdrecht, als eene bijzonderheid van deeze plaats; doch dit is,

volgends onze ingewonnene berichten niet anders geweest dan een huis

van den Ambachtsheer, ’t welk door den Heer Mr. Alewijn van Mijnden,

reeds genoemd, om zijne bouwvalligheid is weggebroken, om op den grond

daarvan het tegenwoordig aanzienlijk gebouw te plaatsen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 426 / 455 题