UITERMEERSCHE SCHANS.

Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven:

„de Uitermeersche Schans dekt een sluis aan de Vecht, door welke het

omliggende land beoosten de Vecht, voornoemd, onder water gezet kan

worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt,

schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk

verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd

veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een

contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naar

Ankeveen en ’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men

in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit de Vecht naar Gooiland

vaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld

betaalen.”

De des kundigen houden de Uitermeersche schans (die thans door eenige

invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in

tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar

behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze

jongstledene beroerten, waarin wij door de Pruissen aangevallen werden,

ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat

zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat

vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door

militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten

zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn de Pruisische Ruiters zonder

slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 410 / 455 题