UITERMEER.

Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan

betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook

onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen,

die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan

het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschen Weesp en de schans, (van

welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens

eene uitspanning is.

De weg van Weesp, naar Uitermeer, of wel naar de straks te beschrijvene

Uitermeersche schans, loopt langs den bevalligen Vechtstroom, en is

ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter

wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met

een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde

zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone

buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan

den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame

weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak

geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere

zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der

zilveren Vecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het

aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan

genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den

wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de

gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen:

aan de boord der Vecht vindt men ook hier en daar voor de

buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral

als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.

Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polder Uitermeer

gelegen is de bovengenoemde bekende

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 409 / 455 题