Van de Bijlemer, als een bijzonderen Stok van Weesper-kerspel, is
hetzelfde als van geheel het Kerspel, hetwelk, gelijk wij gezien
hebben, ook hetzelfde is als van de stad Weesp.
Wegens ons artijkel Kerklijke en Godsdienstige Gebouwen, kan,
betreffende de Bijlemer, niets aangetekend worden; de Bijlemers, zijn
wel van drieërleien kerkgemeenten, naamlijk, Gereformeerden,
Lutherschen, en Roomschen, doch geen van allen heeft in den Stok, kerk
of school; de Gereformeerden moeten te Diemen of elders te kerk gaan;
de Roomschen hebben eene nadere gelegenheid, naamlijk aan de
Diemerbrug, alwaar eene Roomsche kerk gevonden wordt, gelijk wij ten
zijner plaatse aangetekend hebben; en de weinige Lutherschen welken er
zijn, gaan naar Amsteldam om het nachtmaal te houden, terwijl zij
hunnen gewoonen Godsdienst bij de Gereformeerden te Diemen waarneemen.
Dewijl in de Bijlemer ook geen school gevonden wordt, zijn de
opgezetenen aldaar verpligt hunne kinderen, in welken Godsdienst zij
opgetrokken worden, naar het dorpschool te Diemen te zenden; aan de
Diemerbrug is wel een schooltjen, doch zulks is slechts geschikt voor
zeer kleine kinderen: deeze ongelegenheid, met betrekking tot het
hoogst nuttig onderwijzen van de jeugd, heeft ten gevolge dat er eene
diepe onweetendheid onder de Bijlemers gevonden wordt, waarom het wel
te wenschen ware, dat daarin door het aanleggen van een algemeen school
voor den Stok zelven, voorzien wierde: ligtlijk verstaat men dat het de
kinderen niet toebetrouwd kan worden, zo ver van huis, als Diemen
gelegen is, ter schoole te gaan: alwaarom zij gemeenlijk ten minsten
reeds den ouderdom van agt of negen jaaren bereikt hebben, eer zij het
onderwijs van eenen meester kunnen gaan bijwoonen, en op deeze jaaren
zijn zij al bekwaam om hunne ouders in de beroepsbezigheden, bestaande
voornaamlijk in melkerijen en tuinderijen, eene behulpzaame hand te
bieden, waarvan dan ook niet zelden het gevolg is, dat zij des zomers
daartoe gebruikt worden, dewijl het zomerwerk van den landman in ’t
algemeen, veele arbeidzaame handen, en die onophoudelijk bezig zijn,
vereischt: een groot gedeelte van den zomer blijven de kinderen
derhalven uit de school, voornaamlijk dezulken, wier ouderen niet
vermogend genoeg zijn om de benodigde handen in huur aantestellen, ’t
welk intusschen het geval van de meesten is, want weinige Bijlemers kan
men gegoede landlieden noemen—de zomer dus sukkelende, wat het
schoolgaan betreft, doorgebragt hebbende, gaat het des winters nog
erger, ter oorzaake van de guurheid des saisoens, en de onbruikbaarheid
der verre wegen; voeg hier bij, een leven zonder eenige gezelligheid,
ieder gezin geheel afgezonderd in zijne hut opgesloten, dewijl de
wooningen bijna een quartier uurs van elkander gelegen zijn; en ouders
die meestal dezelfde of dergelijke opvoeding gehad hebben; wat anders
kan dan het gevolg weezen dan eene beklaagelijke onweetendheid?—dat de
domme berisper van zijne naasten, die stelt dat alle onweetendheid
eigenschuldig is, (zulke zotte berispers zijn er; die genoeg
zamenleeving heeft, is er zo wel als wij van overtuigd,) dat deeze zeg
ik, zulke en dergelijke streeken onzes Lands, als waarover wij thans
spreeken, bezoeke; dat hij de bewooners derzelven onbevooroordeeld
raadpleege, en hij zal wel rasch zien, is hij anders niet willens
blind, hoe geheel onschuldig het is dat er menschen gevonden worden,
bij welken de hoogste onkunde, en bijgeloovigheid, (want deeze is tog
een gevolg van een onverlicht oordeel,) heerscht—noch geoefende
menschen, noch boeken, worden in de zeer bepaalde zamenleeving der
Bijlemers gevonden; hoe zou er dan eenige verlichting kunnen plaats
hebben?