GESCHIEDENISSEN.

Weesp, oudtijds leenroerig aan het Bisdom van Utrecht, was langen tijd

als zodanig onder het bestuur van den huize van Amstel, waarom het, ten

beteren verstande van deszelfs lotgevallen, niet ondienstig zal zijn

daar van vooraf en kort verslag te doen. Uit eenen brief van den

Bisschop Godefrid van 1172 of 1174, blijkt, dat Egbert van Amstel hem

de helft der Tienden in Wispe wedergegeven had. 1225 begiftigde de

Utrechtsche Bisschop Otto, Gijsbrecht van Amstel, den eersten van dien

naam, met de hoge Gerechtigheid van Muiden, Weesp en Diemen: 1233 gaf

Gijsbrecht volmagt aan Menso van Wesepe om uit zijnen naam afstand te

mogen doen van zekere goederen in Benscop aan de Abdisse van

Rhijnsburg. Gijsbrecht van Amstel, de derde van dien naam, is ook

bezitter van Weesp geweest. Ofschoon Godelinde Abdisse van Elten, bij

haren afstand van Gooiland (Nardinclandt) aan Graaf Floris den vijfden

1280 deeze Stad mede onder hare eigendommen telde: is het echter zeer

waarschijnlijk, dat hij, zelfs na zijnen zoen met den Grave, in het

bezit daar van verbleven is, tot dat hij, als een medepligtige aan den

moord van Floris, het Land moest ruimen, en zijne goederen voor den

Grave verbeurd verklaard wierden. Graaf Jan de tweede, begiftigde daar

mede zijnen Broeder Guido van Henegouwen, na wiens overlijden het weder

aan Willem den derden verviel, en sints welken tijd deeze Stad onder

het Graaflijk bestuur gebleven is.

Hier uit ziet men dus dat Weesp, door de gedurige twisten van de

Utrechtsche Kerkhoofden met de Heeren van Amstel, noodzakelijk aan de

invallen van het Krijgsvolk der Stichtenaaren, of deszelfs

saamverbondenen moest bloot staan.

De lotgevallen deezer Stad zijn, naar de echte bescheiden in ’s Lands

Historien geboekt, de volgende. In den Jare 1204. wierd Weesp, om dat

Amstel de zijde van Lodewijk Grave van Loon tegen Willem den Eersten

hield, door de Kennemers, onder aanvoering van Wouter van Egmond en

Albert Banjaard, in de assche gelegd, welk onheil haar 1356 door

Bisschop Jan van Arkel na eene vierdaagsche belegering, voor de

twedemaal berokkend wierd. 1374 nam de Utrechtsche Bisschop Arnold van

Hoorne ter wraake van eenen geleden hoon door Albrecht van Beieren, en

ter ontheffinge van een Jaarlijksche schuld van 3700 ponden, sints

1356, voor het Slot van Vreeland, de Stad in, en stelde haar onder een

zwaare brandschatting. 1507 viel Weesp in handen van Karel van Egmond,

Hertog van Gelder; zeer veel had zij toen te lijden, ’t welk

voornamelijk veroorzaakt wierd, door dien zij geweigerd had bezetting

in te neemen. De Geldersche, aan den eenen kant brand hebbende doen

stichten, overrompelden ze aan de andere zijde, intusschen zich de

Burgerij beijverde om den brand te blusschen.

In de Nederlandsche beroerten hield deeze Stad de zijde des Konings van

Spanje tot in het Jaar 1577, wanneer op den 16 Januarij, door Schout,

Burghemeesteren ende ghemeene Rade ende Vroedtschap tot Weesp, van

wegens Weesp en Weesper-Karspel ghecommitteert wierden, die eersame Jan

Gerritz Cuijp ende Hillebrant Govertz, om met den Prince van Oranje,

als Stadthouder over Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt een verding

aantegaan, het welk ook op den 29sten derzelver Maand wederzijds

gesloten wierd: onder de articulen van dit verdrag zijn de voornaamste,

de vrijheid der Religie, en de Stad en ’t Carspel met gheenen soldaten

te bezwaaren, ten waare door hoochnodigsten nood, daer het welvaren der

lande, alsulcks ware vereischende, ende dan ’t zelve geschieden tot

gemeijne costen der Landen van Hollandt ende Zeelandt.

Niettegenstaande het evengemelde verdrag ontstonden er in 1579 reeds

eenige verschillen tusschen de Roomschen en Onroomschen, welker

eerstgenoemden op aandrijving der Regeering den Hervormden Godsdienst

ondernamen te stooren; ’t welk ten gevolge had, dat de Staten van

Holland, Willem Bardes, Burgemeester van Amsteldam derwaards zonden,

die zeven Persoonen uit de Vroedschap, en drie daar van nevens den

Secretaris en ouden Pastoor, behoudens Goed en Eer, ter Stad

uitzettede. De straf der oproerigen beval hij aan den Schout en de

Wethouderen. Dan de ballingen kreegen spoedig vrijheid om weder tot de

hunnen te rug te mogen keeren.—Na dit voorval schijnt alhier de

Godsdienstige vrijheid en verdraagzaamheid in hogen top geweest te

zijn, ’t welk bij de Hervormden in andere Steden zeer veel opziens

baarde, en waar over de beruchte Leidsche Hoogleeraar Saravia in 1587

zich voor Gemagtigden der Staten in vrij bitse bewoordingen uitliet.

Voor zo verre ons bekend is heeft deeze Stad in de Godsdienstige

geschillen der vorige Eeuw geen deel gehad. Melding te maaken van

oneenigheden met de Regeering en de Bailiuwen van Gooiland zou deeze

beschrijving te langwijlig doen worden.

In den Jaare 1672 wierd deeze Stad met eenen vijandlijken inval der

Franschen bedreigd, en onder brandschatting gesteld; dan de penningen,

daar toe ingezameld, zijn nimmer afgehaald; en men zegt, dat daar voor,

met goedkeuring der Burgerij, toen het keurig Klokkenspel, waar mede de

Kerktoren noch heden pronkt, vervaardigd is.

In 1748 wierd het huis van den Pachter Hogeveen, door eenige

onverlaten, meestal vreemdelingen, geplunderd en afgebroken.

Toen in de jongste onlusten de zucht tot Wapenoefening door gantsch

Nederland veld won, was deeze Stad ook daaromtrent niet gevoelloos. Een

Genootschap van Wapenhandel door eenige bijzondere persoonen reeds in

November 1783 opgericht, doch nimmer door de Wethouderschap gewettigd,

waar van de geachte Schrijver van het Vervolg op de Vaderlandsche

Historie van Wagenaar, 8ste Deel, verkeerd onderricht is, was van eenen

korten duur, vermits Heeren Burgemeesteren zulks, om bijzondere

redenen, afkeurden: wordende de Schutterij in betere orde gebragt,

welke langzamerhand tot dien luister steeg, waarin zij in 1786 en 1787.

de bewondering der kenneren wegdroeg.

Bij het formeeren van het Cordon van de Maaze tot aan de Zuiderzee,

kwam alhier op den 2den October 1786 in Guarnisoen het 2de Bataillon

van Onderwater, sterk 350 Mannen, ’t welk ter versterking van de Forten

Uitermeer en Hinderdam, bij beurtverwisseling, Detachementen afzond.—Op

den 16 September 1787, bij gelegenheid van het verlaten der Stad

Utrecht, kwam hier ter versterking in Guarnisoen, een Bataillon van het

Regiment Amsteldam (waardgelders).—Den volgenden dag verscheen een

Detachement Pruisische Cavallerij voor de Poort, doch vlugtte weldra op

het alarm dat binnen de Stad gemaakt wierd. De volgende dagen rukten

ter verdediging der Stad noch verscheide Bataillons Infanterij,

benevens een aantal Cavallerij binnen. Alles wierd ter Defensie in het

werk gesteld. Dan op den 23sten September des morgens ten half vijf

uuren wierden door een gewapend Kofschip, dat op de Vecht lag,

seinschoten gedaan; het gantsche Guarnisoen vloog in de Wapenen, en

welhaast vielen de Pruisische troupen de Stad aan de Oost, Zuid en

Westzijde gelijktijdig aan, doch wierden genoodzaakt met verlies

aftewijken.—Op den 26sten wierd op hooge order de Stad aan de

Pruisische troupen ingeruimd, hebbende de brave en achtingwaardige

Commandant G. van de Poll, met den Generaal Majoor Von Kalkreuth, eene

capitulatie gesloten, waar bij onder anderen, de uittocht van het

Regiment Dragonders van Bijland, het Bataillon van Bijland Infanterij,

het Bataillon van het Regiment Walons van van de Poll, en het

Detachement Artilleristen met alle Krijgseer toegestaan, en aan de Stad

Weesp, aan derzelver Burgerije en aan een ieder hoofd voor hoofd in ’t

bijzonder de onbepaaldste bescherming beloofd wierd: de getrouwe

naarkoming daar van, heeft dien Pruisische Veldoversten toen de achting

der Weespenaaren doen wegdragen.——Ingevolge de geslotene Capitulatie

kwam des avonds van dien dag een Detachement Pruisschen post vatten,

trekkende den volgenden dag het Hollandsch Guarnisoen met slaande trom

en vliegende Vaandels uit. Zedert dien tijd tot den 8sten October zijn

wij met een talrijk Guarnisoen, dat somtijds uit 13 à 1400 man bestond,

bezwaard geweest; dan waar van de overgave van Muiden en Diemerbrug ons

merkelijk verlichtte. Den 21sten December wierd hier geïnquartierd één

Compagnie van het Pruisisch Regiment van Woldeck, onder Commando van

den Hopman von Siegroth, welke den 2 Mai 1788 door een Detachement

Zwitsers van Maij wierd afgelost. Sints dien tijd is Weesp tot heden

met krijgsvolk bezet gebleven: zijnde in alle deeze omstandigheden

niemant der Burgeren met eenige Militairen belast geweest, daar de

nooitvolprezen Stads-regeering dezelve in ledigstaande huizen en

pakhuizen eene geschikte verblijfplaats bezorgde.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 339 / 455 题