KRAAILOO,

Dat met zijne heuvelen, dalen, akkers, en waranden, allerbevalligst

gelegen is, en weleer eene buitenplaats uitmaakte, die ongemeen groot

in haar beslag, en verrukkelijk in haare ligging was; dan, thans is

dezelve in tweeën verdeeld, in eene zuidzijde, en noordzijde.

Niets zonderlings is het dat op dit dorp geene vreemdelingen komen

logeeren; niets zonderlings is het derhalven ook, dat men er geene

logementen vindt, zelfs zijn er geene herbergen, welken dien naam

verdienen te draagen; bij een en ander dorpeling, kan men echter het

noodige ter ververschinge bekomen.

De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8) · 第 307 / 455 题