Van de beide laatstgemelde ongemeen schoone Landhoeven, die met
gemaklijke huizingen voorzien zijn, vindt men de volgende lofspraak
aangetekend:
„Deeze Hofsteden, die met een lange laan vanéén gescheiden zijn, zouden
wij met recht de eerste verblijfplaats der schelle nachtegaalen mogen
noemen; hier vindt men dreeven van Linden- Eiken- Iepen- en
Berken-boomen, die het oog naauwlijks kan ten einde zien: de
afgegravene heigronden, die thans in vruchtbaare akkers hervormd, en
met wateren, hier en daar doorsneden zijn, bezoomen de voorzijden
deezer hoeven, en leveren een onbelemmerd uitzicht, op de net beplante
wallen van Naarden, ’t welk er even zo verre afgelegen is, dat het oog,
zonder zig te vermoejen, hier op in het verschiet een aangenaam gezicht
kan hebben.”
Niet verre van deeze lustplaatsen, is ook nog te bezichtigen, en der
bezichtiginge overwaardig, de aangenaame hoeve,